De aankomst van een hoge vrouwe veroorzaakte zo dicht bij de hoofdstad weinig opschudding. Of misschien was het vanwege dat landhuis. Een paar keken naar haar op; de meesten echter namen belangstellend haar ‘kamenierster’ op, maar Nynaeves strenge blikken zorgden ervoor dat ze hun ogen weer snel op hun wijn richtten. Nynaeve vond de blik van een man al misdadig, ook al zei hij niets en keek hij niet eens wellustig. Elayne vroeg zich soms af waarom ze dan niet wat minder mooie kleren droeg, als ze er zo over dacht. Het had haar veel moeite gekost die eenvoudige grijze jurk passend te maken. Als het om naaien ging, was Nynaeve hopeloos. De herbergierster, vrouw Jharen, was een gezette vrouw met lang, grijs krulhaar, een warme glimlach en scherpe, donkere ogen. Elayne vermoedde dat een versleten zoom of een platte beurs haar tien pas verder zou opvallen. Ze konden er klaarblijkelijk mee door, want ze maakte een diepe revérence, waarbij ze haar grijze rokken wijd uitwaaierde. Ze verwelkomde hen hartelijk en vroeg of de vrouwe van of naar Amador reisde.
‘Van,’ zei Elayne op hooghartige, verveelde toon. ‘De danspartijen in de stad waren heel aangenaam en koning Ailron is inderdaad zo knap als men beweert, wat niet altijd opgaat voor koningen, maar ik moet terug naar mijn landgoed. Ik wens een kamer voor mijzelf en Nana, en iets voor mijn koetsier en palfrenier.’ Ze herinnerde zich Nynaeve en het veldbed, en voegde eraan toe: ik wil twee goede bed den. Nana moet dicht bij me blijven, en op een veldbed houdt ze me met haar gesnurk wakker.’ Nynaeves eerbiedige trekken gleden weg – gelukkig maar heel even – maar het was waar. Ze had verschrikkelijk gesnurkt.
‘Natuurlijk, mijn vrouwe,’ zei de herbergierster, ik heb juist wat u wilt. Maar uw bedienden zullen in de stal moeten overnachten. Het is behoorlijk vol, zoals u ziet. Een troep zwervers bracht gisteren een paar vreselijke grote beesten de stad in en een ervan heeft zowat De Lansier des Konings vernield. De arme Sim heeft de helft van zijn klanten verloren, misschien wel meer, en die zijn allemaal hierheen gekomen.’ De glimlach van vrouw Jharen toonde meer voldoening dan medelijden. ‘Maar ik heb gelukkig nog een kamer over.’ ik weet dat hij me zal aanstaan. Als u een lichte maaltijd en wat waswater naar boven wilt sturen... ik geloof dat ik mij vroeg zal te rugtrekken.’ Er viel nog steeds zonlicht door de vensters, maar ze hield sierlijk een hand voor haar mond alsof ze een geeuw wilde ver bergen.
‘Natuurlijk, mijn vrouwe. Zoals u wenst. Deze kant op.’ Vrouw Jharen leek te denken dat ze Elayne voortdurend bezig moest houden, terwijl ze haar voorging naar de tweede verdieping. Ze ver haalde honderduit over de drukte in de herberg en dat het een won der was dat ze nog een kamer over had, over de zwervers en hun dieren en hoe ze de stad uit waren gejaagd, en dat het maar goed was dat ze die kwijt waren, en over alle edellieden die in de loop der jaren in haar optrekje hadden gelogeerd, zelfs eens de kapiteinheer-gebieder van de Kinderen. Ja, de dag tevoren was er een Jager op de Hoorn langsgekomen, op weg naar Tyr, waar ze zeiden dat de Steen van Tyr in handen gevallen was van een valse Draak, en was het niet vreselijk en afschuwelijk dat mannen zulke dingen konden doen? ‘Ik hoop dat ze hem nooit vinden.’ De grijze krullen van de herbergier ster zwierden doordat ze haar hoofd schudde. ‘De Hoorn van Valere?’ zei Elayne. ‘Waarom niet?’
‘Ach, mijn vrouwe, als zij hem vinden, betekent het dat de Laatste Slag zal komen. De Duistere die vrij zal breken.’ Vrouw Jharen ril de. ‘Het Licht geve ons dat de Hoorn nooit gevonden zal worden. Dan kan de Laatste Slag niet plaatsvinden, ja toch?’ Op zo’n merk waardige redenering was het moeilijk antwoord geven. De slaapkamer was knus en nog net niet vol. Aan elke kant van het raam, dat op de straat uitkeek, stond een smal bed met een gestreepte sprei. Tussen de bedden en de muur was weinig loopruimte. De verdere inrichting bestond uit een tafeltje met een lamp en een tondel doos, een gebloemd vloerkleedje en een wastafel met een kleine spie gel erboven. Gelukkig was alles schoon en goed gepoetst. De herbergierster schudde de kussens op en streek de spreien glad. Ze zei dat de matrassen van het beste ganzendons waren gemaakt, dat de bedienden van de vrouwe haar kisten over de achtertrap zouden komen brengen, dat alles heel gezellig zou zijn, en dat er ’s nachts een lekker briesje stond als de vrouwe het raam zou openen en de deur op een kiertje liet staan. Alsof ze zou gaan slapen met een open deur naar een openbare gang. Twee meisjes in schorten verschenen met een grote blauwe kan stomend water en een gelakt dienblad met een witte doek, en toen pas lukte het Elayne vrouw Jharen weg te werken. Onder het kleed waren de vormen van een wijnkaraf en twee bekers zichtbaar.
‘Ze dacht volgens mij dat we toch nog naar De Lansier des Konings zouden gaan, zelfs zonder voordeur,’ zei ze toen de deur stevig dicht was. Ze keek om zich heen en trok een grimas. Er zou nauwelijks ruimte zijn voor hun kisten en henzelf. ‘Ik begin te denken dat we dat alsnog zouden moeten doen.’ ik snurk niet,’ zei Nynaeve met geknepen stem. ‘Natuurlijk niet. Maar ik moest iets zeggen.’
Nynaeve schraapte haar keel vervaarlijk, maar liet het erbij: ik ben blij dat ik moe genoeg ben om te slapen. Behalve de dolkwortel heb ik bij de kruiden van die Macura geen ander slaapmiddel kunnen vinden.’
Juilin en Thom moesten drie keer lopen om de met ijzer versterkte houten kisten naar boven te brengen. Ze bromden er de hele tijd over, zoals mannen doen, dat ze de kisten aan de achterkant van de her berg de smalle trap op moesten slepen. Toen ze de eerste kist binnenbrachten – hij had bladvormige scharnieren, en het merendeel van hun geld zat in de bodem verstopt, ook de terugveroverde ter’angrealen – keken ze eenmaal de kamer rond, vervolgens naar elkaar en hielden toen hun mond. Althans, daarover.
‘We gaan kijken of we wat in de gelagkamer kunnen opsteken,’ zei Thom nadat de laatste kist naar binnen was geduwd. Er was nauwelijks ruimte om bij de wastafel te komen.
‘En misschien ook wat in het dorp rondlopen,’ voegde Juilin eraan toe. ‘Mensen praten onder elkaar als er zoveel onvrede is als ik op straat gezien heb.’
‘Dat is uitstekend,’ zei Elayne. Ze wilden zo graag denken dat ze niet alleen goed waren voor het sjouwen en slepen. Dat was in Tanchico zo geweest – en natuurlijk in Mardecin – en het zou elders weer gebeuren, maar niet hier in Sienda. ‘Wees voorzichtig en zorg ervoor geen moeilijkheden met de Witmantels te krijgen.’ De mannen wis selden een blik die sprak van geduldig lijden, alsof ze hen nooit gezien had met geschaafde en bebloede koppen, maar ze vergaf het hen en zei tegen Thom: ik wil graag horen wat je te weten komt.’
‘Morgenochtend,’ zei Nynaeve ferm. Ze keek zo nadrukkelijk langs Elayne heen dat ze haar net zo goed nijdig had kunnen aankijken. ‘Als je ons voor die tijd voor minder dan Trolloks stoort, zal het je spijten.’
De blik die de mannen elkaar toewierpen, sprak boekdelen – en liet Nynaeves wenkbrauwen steil omhooggaan – maar nadat ze hen met tegenzin een paar geldstukken had overhandigd, vertrokken ze, waarbij ze zeiden dat ze de vrouwen ongestoord zouden laten slapen.
‘Als ik niet eens met Thom kan praten,’ begon Elayne toen ze weg waren, maar Nynaeve onderbrak haar.
‘Ik wil niet dat ze hier binnen komen lopen terwijl ik in mijn nacht hemd lig te slapen.’ Ze probeerde moeizaam de knoopjes op de rug los te maken. Elayne wilde haar helpen maar ze zei: ‘Het lukt wel. Pak de ring voor me.’
Elayne snoof en trok haar rok op om bij het kleine zakje te komen dat ze aan de binnenkant had genaaid. Als Nynaeve knorrig wilde zijn, dan deed ze dat maar; ze zou er niet op reageren, zelfs niet als Nynaeve weer zou gaan tieren. In het zakje zaten twee ringen. De Grote Serpent-ring, die ze bij haar verheffing tot Aanvaarde had gekregen, liet ze zitten, maar de stenen ring haalde ze eruit. De ring zat vol rode, blauwe en bruine vlekken en strepen. Hij was te groot voor een vinger en bovendien vlak gemaakt en vervormd. Het was vreemd, maar de ring leek slechts één rand te hebben; als je die met je vinger volgde, zou die een kring van binnen naar buiten maken en weer terugkomen op de plek waar je was begonnen. Het was een ter’angreaal en hij gaf toegang tot Tel’aran’rhiod, zelfs aan iemand die verstoken was van het Talent dat Egwene en de Aielse droomloopsters hadden. Je hoefde slechts met die ring op je huid te gaan slapen. Anders dan bij de twee ter’angrealen die ze op de Zwarte Ajah veroverd hadden, was geleiden niet nodig. Voor zover Elayne wist, kon een man de ring ook gebruiken.