Выбрать главу

Gekleed in haar linnen nachthemd stak Nynaeve de ring aan het leren koordje bij Lans zegelring en haar eigen Grote Serpent-ring, knoopte het vast en hing het om haar hals. Ze ging op een van de bedden liggen, legde de ringen zorgvuldig tegen haar huid en vleide toen haar hoofd op het kussen neer.

‘Heb je nog tijd voor Egwene en de Wijzen komen?’ vroeg Elayne. ‘Ik kan maar niet bepalen hoe laat het in de Woestenij is.’

‘Er is tijd, tenzij ze vroeg komt, wat niet zal gebeuren. De Wijzen houden haar erg kort. Dat zal haar opden duur deugd doen. Ze was altijd zo koppig.’ Nynaeve deed haar ogen open en keek haar recht aan – haar! – alsof dat laatste ook voor haar bedoeld was. ‘Onthoud dat je Egwene zegt dat ze Rhand moet laten weten dat ik aan hem denk.’ Ze wilde Nynaeve geen enkele kans geven ruzie te maken. ‘Zeg haar om... zeg hem dat ik van hem houd, en alleen van hem.’ Zo. Dat was eruit.

Nynaeve rolde hoogst beledigend met haar ogen. ‘Zoals je wilt,’ zei ze droog.

Toen haar ademhaling langzamer werd, schoof Elayne een van de kisten tegen de deur en ging erop zitten. Ze had altijd een hekel gehad aan wachten. Het zou Nynaeves verdiende loon zijn als ze naar de gelagkamer zou gaan. Thom zou er nog wel zijn, en... En niets. Hij werd verondersteld haar koetsier te zijn. Ze vroeg zich af of Nynaeve daaraan gedacht had voordat ze ermee had ingestemd om haar kamenierster te zijn. Zuchtend ging ze met haar rug tegen de deur zitten. Ze had écht een hekel aan wachten.

14

Ontmoetingen

Nynaeve schrok niet meer van de invloed van de ter’angreaal-ring. Ze was terechtgekomen op de plek waar ze aan had liggen denken toen ze in slaap vieclass="underline" de grote zaal in Tyr, die het Hart van de Steen genoemd werd, midden in die geweldige vesting die men de Steen van Tyr noemde. De vergulde staande lampen waren niet aangestoken, maar van overal en nergens leek een bleek licht te komen, een licht dat er gewoon scheen te zijn. Het omringde haar en vergleed in de verte tot vage schaduwen. Het was er gelukkig niet zo warm; in Tel’aran’rhiod leek het nooit warm of koud te zijn. Aan alle kanten om haar heen stonden enorme roodstenen zuilen, en het koepelgewelf hoog boven haar verloor zich in diepe schaduwen, net als de gouden lampen die aan gouden kettingen hingen. De vale plavuizen onder haar voeten waren uitgesleten. De hoogheren van Tyr kwamen slechts naar deze kamer – in de wakende wereld, natuurlijk – wanneer de wet en de gewoonte dit eisten. Dat deden ze sinds het Breken van de Wereld. Midden onder de koepel rees Callandor op, schijnbaar een glinsterend kristallen zwaard dat tot halverwege de kling in de stenen vloer gedreven was. Precies zoals Rhand het achtergelaten had.

Ze kwam niet dicht bij Callandor. Rhand had beweerd dat hij er met saidin valstrikken omheen had gesponnen, die geen vrouw kon ontwaren. Ze verwachtte dat het gemene strikken zouden zijn – de bes te mannen waren heel boosaardig als ze sluw probeerden te zijn gemene strikken, zo klaargemaakt dat zowel vrouwen als mannen deze sa’angreaal niet konden gebruiken. Hij had daarmee het zwaard zowel tegen de Toren als tegen de Verzakers willen beveiligen. Iedereen, behalve Rhand zelf, zou sterven als Callandor werd aangeraakt. Of erger.

Dat was een van de waarheden van Tel’aran’rhiod. Wat in de wakende wereld bestond, kwam hier ook voor, al was het omgekeerde niet altijd het geval. De Wereld der Dromen, de Ongeziene Wereld, weerspiegelde de wakende wereld, zij het soms op vreemde manieren, en mogelijk ook andere werelden. Verin Sedai had Egwene verteld dat er een patroon was geweven van werelden, van de werkelijkheid hier en van elders, zoals ook het weefsel van mensenlevens het Patroon van de Eeuwen vormde. Tel’aran’rhiod raakte hen allen, maar slechts weinigen konden hem betreden, behalve per ongeluk, in onbewaakte ogenblikken tijdens hun eigen, gewone dromen. Voor deze dromers was dat gevaarlijk, hoewel zij daar nimmer achter kwamen, tenzij ze heel weinig geluk hadden. Alles wat de droomster in Tel’aran’rhiod overkwam, gebeurde ook in de wakende wereld. Ster ven in de Wereld der Dromen betekende sterven in werkelijkheid. Ze had het gevoel dat ze vanuit de schaduwen tussen de zuilen werd gadegeslagen, maar het verontrustte haar niet. Moghedien was het niet. Ogen van de verbeelding; er zijn geen gluurders. Ik heb Elayne gezegd ze te negeren, en hier doe ik... Moghedien zou zeer zeker meer doen dan kijken. Toch wenste ze dat ze boos genoeg zou zijn om te kunnen geleiden. Niet dat ze bang was, natuurlijk niet. Alleen maar boos. Helemaal niet bang.

De gedraaide stenen ring voelde licht, alsof hij ondanks haar nacht hemd omhoog wilde zweven. Het herinnerde haar eraan dat ze slechts dat hemd droeg. Zodra ze aan kleren dacht, was ze al gekleed. Dat was een kunststukje in Tel’aran’rhiod dat ze waardeerde. Voor bepaalde zaken was geleiden niet nodig, want hier kon ze dingen doen die volgens haar geen enkele Aes Sedai met de Kracht kon. Maar het was niet de kleding die ze verwacht had; geen goede, stevige Tweewaterse wol. De hoge hals die was afgezet met Jaerecruz-kant kwam tot onder haar kin, maar de gele zijde omhulde haar vormen heel onthullend. Hoe vaak had ze niet gezegd dat Taraboonse gewaden onfatsoenlijk waren en dat ze die alleen in Tanchico droeg om niet op te vallen? Blijkbaar was ze er meer aan gewend dan ze beseft had. Ze gaf een stevige ruk aan haar vlecht vanwege haar wilde gedachten, maar liet het gewaad verder zo. Het was wel niet wat ze ver langde, maar ze was geen lichtzinnig meisje dat zich daarover druk maakte. Kleding is kleding. Ze zou het dragen als Egwene en de Wijze, welke dan ook, zouden komen, en als er één iets van durfde te zeggen...Ik ben hier niet zo vroeg gekomen om in mezelf over kleding te gaan babbelen!

‘Birgitte?’ De stilte gaf antwoord, en ze verhief haar stem, hoewel dat niet hoefde. Hier kon de vrouw haar naam aan de andere kant van de Wereld der Dromen opvangen. ‘Birgitte?’ Een vrouw stapte tussen de zuilen vandaan. Haar blauwe ogen stonden kalm en zelfverzekerd, en haar goudkleurige haren waren gevlochten in een ingewikkelder vlecht dan die van Nynaeve. Haar kor te, witte mantel en een ruime geelzijden broek, die boven de enkels in korte laarzen met hoge hakken stak, waren kledingstukken van meer dan tweeduizend jaar terug. Ze was er gehecht aan geraakt. De pijlen in de koker aan haar zijde leken van zilver, evenals de boog die ze droeg.

‘Is Gaidal in de buurt?’ vroeg Nynaeve. Gewoonlijk was hij dicht bij Birgitte. Hij werkte op Nynaeves zenuwen omdat hij weigerde haar aanwezigheid te erkennen, en hij was nijdig als Birgitte met haar praatte. In het begin had het haar geschokt om Gaidal en Birgitte lang gestorven helden van weleer die in zoveel verhalen en legenden met elkaar verbonden waren – in Tel’aran’rhiod aan te treffen. Maar, zoals Birgitte het zelf had gezegd, is een droom niet de beste plaats voor helden, gebonden aan het Rad des Tijds, om hun wedergeboorte af te wachten? Een droom die even lang bestond als het Rad zelf. Zij waren het, Birgitte en Gaidal Cain en Rogosh Adelaarsoog en Artur Haviksvleugel, en al die anderen die door de Hoorn van Valere zouden worden opgeroepen om te strijden in Tarmon Gai’don. Birgittes vlecht zwaaide toen ze haar hoofd schudde, ik heb hem al een tijd niet gezien. Ik denk dat het Rad hem weer heeft weggewenteld. Zo gebeurt dat altijd.’ In haar stem klonk zowel verwachting als bezorgdheid door.