Als Birgitte gelijk had, was er nu ergens ter wereld een jongetje geboren, een krijsend wezentje, zonder enige kennis over wie hij was, maar desondanks voorbestemd voor nieuwe legendarische avonturen. Het Rad weefde de helden in het Patroon waar zij nodig waren om het Patroon vorm te geven, en als zij stierven, zouden zij hier te rugkeren en weer wachten. Dat betekende het: gebonden te zijn aan het Rad. Nieuwe helden zouden eveneens merken dat zij gebonden konden worden; dappere mannen en vrouwen die daden ver boven het gewone verrichtten. Eenmaal gebonden betekende voor eeuwig gebonden.
‘Hoeveel tijd heb je nog?’ vroeg Nynaeve. ‘Jaren, toch zeker?’ Birgitte was altijd samen geweest met Gaidal, dat was in elk verhaal zo geweest, Eeuw na Eeuw, in elk avontuur en iedere liefdesgeschiede nis, die zelfs door het Rad des Tijds niet verbroken werd. Ze werd altijd na Gaidal geboren; één jaar, of vijf, of tien, maar altijd erna. ‘Ik weet het niet, Nynaeve. De tijd hier is niet dezelfde als in de wakende wereld. Ik heb jou tien dagen geleden gezien, lijkt mij, en Elayne slechts een dag geleden. Wat was het voor jou?’
‘Vier dagen, en drie,’ mompelde Nynaeve. Zij en Elayne spraken de laatste tijd zo vaak mogelijk met Birgitte, hoewel het niet al te vaak kon nu Thom en Juilin de kampplek met hen deelden en ze ’s nachts op wacht stonden. Birgitte wist zich in minstens één leven de Oor log van Kracht en de Verzakers te herinneren. Haar voorbije levens waren als oude boeken waaraan ze met genoegen terugdacht, het oudste vager dan dat van jongere dagen. Maar de Verzakers bleven altijd scherp in haar gedachten. Vooral Moghedien. ‘Zie je wel, Nynaeve? De tijdstroom kan hier op grotere schaal ver anderen. Er kunnen maanden voorbijgaan tot ik opnieuw geboren word, of dagen. Hier, voor mij. In de wakende wereld zou het nog jaren kunnen duren.’
Nynaeve onderdrukte met enige moeite haar ongeduld. ‘Dan mogen we de tijd die we hebben niet verspillen. Heb je ze gezien na onze laatste ontmoeting?’ Het was niet nodig om te zeggen wie ze bedoelde.
‘Te veel. Lanfir is natuurlijk vaak in Tel’aran’rhiod, maar ik heb Rahvin, Sammael en Graendal gezien. Demandred ook. En Semirhage.’ Bij die laatste naam klonk Birgittes stem meer gespannen; zelfs bij Moghedien, die haar haatte, was de angst haar niet aan te zien, maar Semirhage was iets anders.
Ook Nynaeve huiverde – de goudharige vrouw had haar over die laatste te veel verteld – en besefte ineens dat ze een zware wollen mantel droeg, met een diepe kap die opgetrokken was om haar gezicht te verbergen. Ze bloosde en liet de mantel verdwijnen. ‘Geen van hen heeft jou gezien?’ vroeg ze bezorgd. Birgitte was op een heleboel manieren veel kwetsbaarder dan zijzelf, ondanks haar kennis van Tel’aran’rhiod. Ze kon niet geleiden; elk van de Verzakers had haar als een mier kunnen vertrappen, zonder een pas in te houden. En als ze hier gedood werd, zou er voor haar nooit een we dergeboorte komen.
‘Ik ben niet zo ongeoefend – of zo dwaas – om dat toe te staan.’ Birgitte leunde op haar zilveren boog; legenden zeiden dat zij met die boog en haar zilveren pijlen nooit miste. ‘Ze bemoeien zich met el kaar en bekommeren zich om niemand anders. Ik heb Rahvin en Sammael gezien, Graendal en Lanfir, en ieder bespiedde stiekem de anderen. En Demandred en Semirhage schaduwden hen allemaal. Ik heb, na hun ontsnapping uit de kerker, nooit zovelen van hen gezien.’
‘Ze voeren iets in hun schild.’ Nynaeve beet vol ongeduldige teleur stelling op haar lip. ‘Maar wat?’
‘Dat kan ik nog niet zeggen, Nynaeve. In de Oorlog van de Schaduw smeedden ze altijd plannen, en net zo vaak tegen elkaar, maar hun daden beloofden niet veel goeds voor de wereld, wakend of dromend.’
‘Probeer dingen te weten te komen, Birgitte, zoveel als je zonder gevaar kunt. Loop geen enkel risico.’ Het gezicht van de ander veranderde niet, maar Nynaeve meende dat ze geamuseerd was; die dwaze vrouw dacht al even weinig aan gevaar als Lan. Ze had graag wat over de Witte Toren willen vragen, over wat Siuan uitbroedde, maar Birgitte kon de wakende wereld zien noch aanraken, tenzij ze door de Hoorn werd geroepen. Je probeert alleen maar te ontwijken wat je werkelijk wilt vragen! ‘Heb je Moghedien gezien?’
‘Nee,’ verzuchtte Birgitte, ‘maar niet omdat ik het niet geprobeerd heb. Gewoonlijk kan ik iedereen vinden die beseft in de Wereld der Dromen te verkeren; er gaat een gevoel van hen uit als kringen die zich in de lucht bewegen. Of misschien gaat het van hun besef uit, ik weet het werkelijk niet. Ik ben een krijgsvrouw, geen geleerde. Ze is ofwel niet in Tel’aran’rhiod aangekomen nadat je haar verslagen hebt, of...’ Ze aarzelde, en Nynaeve had willen voorkomen dat ze het gevreesde zou uitspreken, maar Birgitte was te sterk om nare mogelijkheden te verzwijgen. ‘Of anders weet ze dat ik naar haar uit kijk. Ja, ze kan zich goed verbergen. Ze wordt niet voor niets de Spin genoemd.’ In de Eeuw der Legenden was een moghedien een spinnetje dat zijn web op geheime plekken weefde en met zijn giftige beet iemand binnen een paar tellen kon doden.
Ineens was Nynaeve zich heel erg bewust van het gevoel van on zichtbare ogen, en ze huiverde. Ze beefde niet. Een huivering, geen trilling. Maar ze hield het glanzende Taraboonse gewaad stevig in haar geest vast, voor ze zich plotseling in een wapenrusting zou bevinden. Het was al beschamend genoeg als dat gebeurde wanneer ze alleen was, maar des te erger als het gebeurde onder die koele, blauwe blik van een vrouw die even dapper was als Gaidal Cain. ‘Kun je haar vinden, zelfs als ze verborgen wil blijven, Birgitte?’ Als Moghedien wist dat er op haar gejaagd werd, was dat heel erg moei lijk. Het was als het zoeken naar een leeuw in het hoge gras, met slechts een stok als wapen.
De ander aarzelde niet. ‘Misschien. Ik zal het proberen.’ Ze hief haar boog en voegde eraan toe: ‘Nu moet ik gaan. Ik wil niet de kans lopen door de anderen gezien te worden als ze komen.’ Nynaeve legde een hand op haar arm om haar tegen te houden. ‘Het zou helpen als je me toestond om het de anderen te vertellen. Op die manier kan ik alles over de Verzakers aan Egwene en de Wijzen door geven, en zij zouden het Rhand kunnen vertellen. Birgitte, hij moet weten...’
‘Je hebt het beloofd, Nynaeve.’ Die stralende, blauwe ogen waren even onverzettelijk als ijs. ‘De geboden zeggen dat wij niemand mogen laten weten dat wij in Tel’aran’rhiod verblijven. Ik heb er al veel genegeerd door met jou te praten, en nog meer door je te helpen. Ik kan me nu eenmaal niet afzijdig houden en toezien hoe je de Schaduw bevecht – ik heb die strijd gestreden in meer levens dan ik me kan herinneren – maar ik zal me aan zoveel mogelijk geboden hou den. Je moet je belofte houden.’
‘Natuurlijk,’ zei Nynaeve verontwaardigd, ‘totdat je me ervan ontslaat. En ik vraag je...’
‘Nee!’
En Birgitte was verdwenen. Het ene moment lag Nynaeves hand op haar mouw, het volgende hing die in de lege lucht. In gedachten sprak ze een stel verwensingen uit die ze van Thom en Juilin had opgevangen. Het soort verwensingen waarvoor ze Elayne bestraffend zou hebben toegesproken als ze die gebruikt had, of zelfs als ze ernaar zou luisteren. Het had geen zin om Birgitte nogmaals aan te roepen. Ze zou waarschijnlijk niet komen. Nynaeve hoopte slechts dat ze de volgende keer zou antwoorden, als zij of Elayne zouden roepen. ‘Birgitte! Ik zal mijn belofte houden, Birgitte!’
Dat zou ze gehoord hebben. Misschien zou ze, bij hun volgende ontmoeting, weten waar Moghedien uithing. Nynaeve hoopte bijna van niet. Als ze iets wist, betekende het dat Moghedien werkelijk rond sloop in Tel’aran’rhiod. Dwaas! Als je niet uitkijkt voor slangen, mag je niet klagen als je gebeten wordt. Ze wilde die Lini van Elayne echt eens ontmoeten. De leegheid van de enorme zaal bedrukte haar. Al die grote, glanzende zuilen, en dat gevoel dat ze gadegeslagen werd vanuit de duisternis ertussen. Als er hier echt iemand was, zou Birgitte het geweten hebben.