Ze merkte dat ze het zijden gewaad over haar heupen gladstreek. Om haar gedachten af te leiden van ogen die er niet waren, richtte ze haar aandacht op haar kleding. Lan had haar gezien in goede, Tweewaterse wol, en ze had eenvoudige, geborduurde kleren gedragen toen hij haar zijn liefde bekende, maar ze wilde dat hij haar in een gewaad als dit kon zien. Als hij haar hierin zag, zou het niet on betamelijk zijn.
Er verscheen een hoge staande spiegel, die haar spiegelbeeld in elke richting terugwierp toen ze alle kanten op draaide. De gele stof om hulde haar strak en benadrukte alles wat ze verborg. De vrouwen kring in Emondsveld zou haar voor een hartig gesprekje aan haar oren hebben meegetrokken, Wijsheid of geen Wijsheid. Toch was het een mooi gewaad. Hier, zonder anderen, wilde ze best toegeven dat ze aan dit soort kledij in het openbaar nogal gewend was geraakt. Je hebt ervan genoten, schold ze zichzelf uit. Je bent net zo’n nest als Elayne dreigt te worden.
Maar het was een prachtige jurk. En miscchien niet zo onbetamelijk als ze altijd beweerd had. Geen halslijn die zowat tot aan haar knieën kwam, zoals die van de Eerste van Mayene, bijvoorbeeld. Nou ja, misschien waren die van Berelain niet zó laag, maar ze waren beslist veel dieper dan fatsoenlijk was. Ze had wel gehoord wat Domani-vrouwen vaak droegen; zelfs Taraboners noemden dat onbehoorlijk. Met die gedachte verander de de gele stof in golvende rimpelingen, met een smalle ceintuur van geweven goud. En dun. Haar gezicht kleurde. Heel erg dun. Feitelijk bijna helemaal doorzichtig. Dit gewaad toonde beslist meer dan dat het benadrukte. Als Lan haar hierin zou zien, zou hij niet staan kletsen dat zijn liefde voor haar hopeloos was en dat hij haar slechts een weduwenkrans als bruidsgift zou geven. Eén blik en zijn bloed zou gaan koken. Hij zou...
‘Licht-nog-aan-toe, wat heb jij aan, Nynaeve?’ vroeg Egwene geschokt. Nynaeve veerde op, en toen ze weer stevig stond en Egwene en Melaine onder ogen kwam – uitgerekend Melaine, hoewel een andere Wijze het even erg zou hebben gemaakt – was de spiegel verdwenen en droeg ze iets van donkere Tweewaterse wol dat dik genoeg was voor hartje winter. Dat ze zo geschrokken was, vond ze minstens even vreselijk als wat dan ook, en ze veranderde de wol, zonder na denken, in een flits weer in de ragdunne Domaanse stof, en al net zo snel terug in de gele Taraboonse zijde.
Haar gezicht werd vuurrood. Ze moesten wel denken dat ze een enorme dwaas was. En dat in aanwezigheid van Melaine. De Wijze was een prachtige vrouw met lang, roodgouden haar en heldere, groene ogen. Niet dat het uiterlijk van die vrouw haar wat kon schelen, maar Melaine was ook bij de vorige ontmoeting met Egwene geweest en had haar geplaagd met Lan. Nynaeve was daar kwaad om geworden. Egwene beweerde dat het geen plagerijen waren, niet onder Aielvrouwen, maar Melaine had haar bewondering geuit over Lans schouders, handen en ogen. Welk recht had die groenogige kat om naar Lans schouders te kijken? Niet dat ze aan zijn trouw twijfelde. Maar hij was een man, ver van haar weg, en Melaine was daar en... Die gedachtegang zette ze resoluut uit haar hoofd, is Lan...’ Ze dacht dat haar gezicht verbrandde. Kun je je eigen tong niet bedwingen, vrouw? Maar ze ging niet – kon niet – terugkrabbelen, niet bij Melaine. Egwenes verwarde glimlach was al erg genoeg, maar Melaine had de euvele moed begrijpend te kijken, is alles goed met hem?’ Ze probeerde koel te klinken, maar het kwam er gespannen uit.
‘Het gaat hem goed,’ zei Egwene. ‘Hij maakt zich zorgen over jouw veiligheid.’ »
Nynaeve liet haar adem ontsnappen; ze had niet beseft dat ze die had ingehouden. De Woestenij was een gevaarlijke plek, zelfs zonder mensen als Couladin en de Shaido, en de man wist niet wat voorzichtigheid was. Bezorgd om haar veiligheid? Dacht die dwaas dat ze niet op zichzelf kon passen?
‘We hebben Amadicia eindelijk bereikt,’ zei ze vlug, in de hoop haar gevoelens te verbergen. Een losse tong, en dan nog zuchten! Die man heeft mijn verstand gestolen! Uit hun gezichten kon ze niet opmaken of ze daarin geslaagd was. ‘We zijn in een dorpje dat Sienda heet, ten oosten van Amador. Overal Witmantels, maar ze kijken ons amper aan. We moeten vooral voor anderen uitkijken.’ Bij Melaine moest ze oppassen – eigenlijk de waarheid hier en daar wat verdraaien maar ze vertelde haar toch over Ronde Macura, haar vreemde bood schap en haar poging om hen te bedwelmen. Haar poging, want ze kon het niet opbrengen tegenover Melaine te bekennen dat de vrouw daarin geslaagd was. Licht, wat doe ik? Ik heb nooit eerder van mijn leven tegen Egwene gelogen! Ze kon de mogelijke reden – de terugkeer van een weggelopen Aan vaarde – natuurlijk niet noemen, niet in aanwezigheid van een Wijze. Die dachten dat zij en Egwene volwaardige Aes Sedai waren. Maar ze moest de waarheid op de een of andere manier te weten komen. ‘Het kan iets te maken hebben met een of ander plan betreffende Andor, maar jij, Elayne en ik hebben dingen gemeen, Egwene, en ik geloof dat we net zo voorzichtig moeten zijn als Elayne.’ Egwene knikte langzaam; ze was stomverbaasd, en daar had ze alle reden toe, maar ze leek het desondanks te begrijpen. ‘Het was maar goed dat de smaak van die thee me achterdochtig maakte. Stel je voor: dolk wortel geven aan iemand die zoveel van kruiden weet als ik.’
‘Plannen binnen plannen,’ murmelde Melaine. ‘Ik geloof dat het Grote Serpent een passend teken voor jullie Aes Sedai is. Op een dag slikken jullie jezelf per ongeluk in.’
‘Wij hebben ook nieuws,’ zei Egwene.
Nynaeve begreep niet waarom het meisje zo’n haast had. Ik laat me door die vrouw niet verlokken om mijn goede stemming te verliezen. En ik zal zeker niet boos worden als ze de Toren beledigt. Ze haal de haar hand van haar vlecht weg. Wat Egwene te zeggen had, ver dreef elke gedachte aan boze buien.
Couladins tocht over de Rug van de Wereld was zeker ernstig, en Rhands achtervolging nauwelijks minder. Hij haastte zich naar de Jangai-pas, trok van de vroege ochtend tot het vallen van de avond verder. Melaine zei dat ze er spoedig zouden zijn. De omstandigheden in Cairhien waren al zwaar genoeg zonder een Aiel-oorlog op het grondgebied. Als hij zijn waanzinnige plan probeerde uit te voeren, zou er zeker een nieuwe Aiel-oorlog uitbreken. Krankzinnig. Maar toch niet nu al. Hij moest zich op een of andere manier aan zijn verstand vastklampen. Wanneer heb ik me voor het laatst zorgen om hem gemaakt? dacht ze bitter. En nu wil ik alleen maar dat hij zijn verstand behoudt voor de Laatste Slag. Hij was wat hij was. Het Licht vertere me, ik ben net zo erg als Siuan Sanche of de anderen!
Maar het was Egwenes verhaal over Moiraine dat haar schokte. ‘Ze gehóórzaamt hem!?’ zei ze ongelovig.
Egwene knikte verwoed in haar malle Aielsjaal. ‘Gisteravond hadden ze ruzie – ze probeert hem er nog steeds van te overtuigen de Drakenmuur niet over te trekken – en hij heeft haar uiteindelijk verzocht naar buiten te gaan tot ze was afgekoeld. Het leek of ze haar tong zou inslikken, maar ze deed het. Ze bleef, hoe dan ook, een uur buiten.’
‘Het is niet juist,’ zei Melaine, die haar sjaal met een beslist gebaar verschoof. ‘Het is niet aan de man om een Aes Sedai te bevelen, net zomin als aan de Wijzen. Zelfs niet aan de car’a’carn.’
‘Dat is het zeker niet,’ beaamde Nynaeve, en moest toen bewust haar mond sluiten om niet stomverbaasd te gapen. Wat zal het mij een zorg zijn als hij baar op zijn wijsje laat dansen? Ze heeft ons alle maal vaak genoeg laten dansen.
Maar het was niet juist. Ik wil geen Aes Sedai zijn; ik wil alleen meer over helen leren. Ik wil blijven wie ik ben. Laat hij haar maar bevelen! Maar het was nog steeds niet juist.
‘Hij praat nu gelukkig wel tegen haar,’ zei Egwene. ‘Als ze ook maar tien voet in z’n buurt kwam, werd hij toch zo venijnig. Nynaeve, dat hoofd van hem zwelt elke dag meer op.’