Выбрать главу

Nynaeve staarde haar verbijsterd aan. Ze hadden vaak genoeg ruzie gehad, maar Egwene had nog nooit geprobeerd haar toe te spreken als een meisje dat betrapt is op het snoepen uit de honingpot. Nooit! Haar kleren! Het kwam doordat ze kleding van de Aanvaarden droeg, en het gezicht van iemand anders. Ze veranderde zich terug in zichzelf, in degelijke blauwe wol, die ze vaak aan had bij ontmoetingen van de vrouwenkring en wanneer ze de dorpsraad op zijn nummer wilde zetten. Ze voelde zich gekleed in al haar oude waar digheid als Wijsheid, ik ben me zeer wel bewust van wat ik niet weet,’ zei ze op vlakke toon, ‘maar die Aiel...’

‘Besef je dat je jezelf in iets kunt dromen waaruit je niet meer kunt loskomen? Dromen zijn hier echt. Als je jezelf in een plezierige droom laat gaan, kan die je gevangenhouden. Je neemt jezelf gevangen. Tot je dood.’

‘Wil je...’

‘Er lopen nachtmerries in Tel’aran’rhiod rond, Nynaeve.’

‘Wil je me uit laten spreken?’ blafte Nynaeve. Nou ja, ze probeerde te blaffen, maar er klonk naar haar smaak te veel smeken in door. Een beetje smeken was al te veel.

‘Nee, dat wil ik niet,’ zei Elayne ferm. ‘Niet voordat je iets wilt zeggen dat het waard is om naar te luisteren. Ik zei “nachtmerries”, Nynaeve, en dan bedoel ik ook “nachtmerries”. Als iemand in Tel’aran ‘rhiod een nachtmerrie heeft, is die ook echt. En soms blijft die bestaan nadat de dromer weg is. Je beseft het gewoon niet, hè?’ Plotseling grepen ruwe handen Nynaeves armen. Haar hoofd schoot wild naar alle kanten en haar ogen puilden uit. Twee enorme mannen in lompen tilden haar de lucht in. Hun gezichten waren half weg gevreten overblijfselen van ruw vlees, hun van speeksel druipende monden zaten vol scherpe, vergeelde tanden. Ze probeerde hen te laten verdwijnen – als een droomloopster dat kon, kon zij het ook en een van hen scheurde de kleren op haar borst als perkament open. De ander greep haar kin met een hoornige, vereelte hand en dwong haar gezicht in zijn richting; zijn hoofd boog zich voorover en zijn mond ging open. Ze wist niet of hij haar wilde kussen of bijten, maar ze zou liever sterven dan een van de twee toe te laten. Ze zocht wanhopig naar saidar, en vond niets; ze was een en al afgrijzen, niet woedend. Dikke vingernagels drongen in haar wangen en hielden haar hoofd vast. Egwene had dit op een of andere manier voor elkaar gekregen. Egwene. ‘Alsjeblieft, Egwene!’ Ze jankte, maar ze was zo angstig dat het haar niet kon schelen. ‘Alsjeblieft!’ De mannen – wezens – verdwenen en haar voeten ploften op de grond. Ze kon alleen nog huiveren en huilen. Haastig herstelde ze de schade aan haar kleren, maar de krassen van de lange vingernagels op haar hals en borst bleven. Kleding kon in Tel’aran’rhiod gemakkelijk hersteld worden, maar wat er met jezelf gebeurde... Haar knieën knikten zo erg dat ze nauwelijks overeind kon blijven. Ze verwachtte min of meer door Egwene getroost te worden, en voor één keer zou ze dat graag aanvaard hebben. Maar de ander zei slechts: ‘Er zijn hier nog vreselijker dingen, maar nachtmerries zijn al erg genoeg. Ik heb deze gemaakt en laten verdwijnen, maar zelfs ik heb moeite met wat ik hier gewoonlijk tegenkom. En ik probeerde ze niet tegen te houden, Nynaeve. Als je wist hoe je ze kunt laten verdwijnen, had je het zelf kunnen doen.’

Nynaeve wierp boos het hoofd in de nek en weigerde de tranen van haar wangen te vegen, ik had mezelf kunnen wegdromen. Naar Sheriams studeerkamer of terug naar mijn eigen bed.’ Het klonk niet mokkend. Helemaal niet.

‘Ware het niet dat je je halfdood schrok, waardoor je daar niet aan dacht,’ zei Egwene droog. ‘O, haal die pruilende uitdrukking van je gezicht, het staat zo stom.’

Ze keek Egwene woest aan, maar dat had niet de normale uitwerking. Egwene barstte niet los op een ruzietoon, maar trok slechts een wenkbrauw op. ‘Niets hierbinnen lijkt van Siuan Sanche te zijn,’ zei Nynaeve om van onderwerp te veranderen. Wat was er in die meid gevaren?

‘Daar lijkt het op,’ bevestigde Egwene, en bekeek de kamer, ik zie waarom ik mijn oude kamer in het Novicekwartier moest gebruiken. Maar ik veronderstel dat mensen kunnen besluiten om iets nieuws uit te proberen.’

‘Dat is nu precies wat ik bedoel,’ zei Nynaeve geduldig. Ze mokte noch pruilde. Belachelijk. ‘De vrouw die deze kamer heeft ingericht, kijkt niet op dezelfde manier naar de wereld als de vrouw die de meubels heeft gekozen die hier vroeger stonden. Kijk naar die schilderij en. Ik weet niet wat die drie dingen voorstellen, maar je kunt het andere net zo goed herkennen als ik.’ Ze waren er allebei bij geweest.

‘Bonwhin, zou ik zeggen,’ zei Egwene nadenkend. ‘Je luisterde nooit naar de lessen zoals je behoorde te doen. Het is een drieluik.’

‘Wat het ook is, het andere is belangrijk.’ Naar de Gelen had ze heel goed geluisterd. De rest was naar believen wel of geen onbruikbare onzin geweest. ‘Het lijkt mij dat de vrouw die dit heeft opgehangen, eraan herinnerd wil worden hoe gevaarlijk Rhand is. Als Siuan zich om een of andere reden tegen Rhand gekeerd heeft... Egwene, dit zou nog weleens veel erger kunnen zijn dan de opdracht om Elayne naar de Toren terug te halen.’

‘Misschien,’ zei Egwene. ‘Misschien zeggen de papieren ons iets. Jij zoekt hier. Als ik klaar ben met Leanes werktafel, kom ik je helpen.’ Nynaeve staarde verontwaardigd naar Egwenes rug. Ja, ja, jij zoekt hier! Egwene had het recht niet haar bevelen te geven. Ze zou met een achter haar aan moeten stampen en haar dat onomwonden moeten zeggen. Waarom sta je hier dan nog als een baal wol? vroeg ze zich boos af. Het doorzoeken van papieren was een uitstekend idee, en dat kon ze hier ook doen. Feitelijk zou er op de werktafel van de Amyrlin eerder iets belangrijks liggen dan daar. Ze gromde in zich zelf over wat ze zou doen om Egwene op haar plaats te zetten en stapte nijdig naar de grote tafel, waarbij ze haar rok bij elke stap omhoog schopte.

Er stond niets anders op de tafel dan drie bewerkte gelakte kistjes, pijnlijk netjes naast elkaar gezet. Ze dacht aan mogelijke valstrikken die konden zijn gezet door iemand die zeker wilde zijn van per soonlijke bescherming. Ze maakte een lange stok waarmee ze het scharnierende deksel opende van het eerste kistje, gelakt in goud en groen en versierd met wadende reigers. Het was een schrijfdoos, vol pennen, inkt en zand. De grootste kist, met rode rozen omringd door gouden krullen, bevatte twintig of meer fijngesneden beeldjes van dieren en mensen die op lichtgrijs fluweel rustten. Toen ze het deksel van het derde kistje openduwde – gouden haviken die elkaar tussen witte wolken in een blauwe lucht bevochten merkte ze op dat de eerste twee weer dicht waren. Dat soort dingen gebeurde hier; alles leek in de toestand te willen blijven waarin het zich in de wakende wereld bevond. Als je je ogen maar een tel af wendde, konden kleinigheden anders zijn dan even daarvoor. In het derde kistje zaten papieren. De stok verdween en ze trok voor zichtig het bovenste vel eruit. Het was vormelijk ondertekend met ‘Joline Aes Sedai’ en behelsde een nederig verzoek om een reeks boe tedoeningen die Nynaeve ineen deed krimpen, hoewel ze ze heel snel doornam. Niets van belang, behalve voor Joline. Een hoekige krab bel onderaan meldde: ‘Goedgekeurd’. Toen ze het vel wilde neerleggen, vervaagde het; ook dit kistje was weer gesloten. Ze zuchtte en opende het opnieuw. De papieren leken anders. Ze hield het deksel vast, haalde ze een voor een te voorschijn en las ze snel door. Althans, dat probeerde ze. Soms verdwenen de brieven en verslagen al bij het oppakken, soms als ze nog maar de helft had doorgenomen. Als ze een aanhef hadden, was het eenvoudig ‘Moeder, met eerbied’. Sommige waren ondertekend door Aes Sedai, sommige door vrouwen met andere titels, edellieden, en bij enkele was er helemaal geen sprake van een titel. Niets leek uit te wijzen waar zij mee bezig waren. De maarschalk-krijgsheer van Saldea en diens leger konden niet worden gevonden en koningin Tenobia weigerde mee te werken; ze kon dat verslag helemaal uitlezen, maar het ver onderstelde dat de lezer wist waarom de man niet in Saldea was en waaraan de koningin geacht werd mee te werken. Er was drie weken lang geen enkel verslag van de faktoors, van welke Ajah dan ook, binnengekomen, maar Nynaeve kwam niet verder dan dit ene feitje. Enige moeilijkheden tussen Illian en Morland leken opgelost te worden, en Pedron Nial maakte daar aanspraak op; hoewel ze slechts enkele regels kon lezen, kon ze het knarsetanden van de schrij ver horen. De brieven, waar ze haastig doorheen bladerde tot ze on der haar ogen verdwenen, waren ongetwijfeld allemaal zeer belang rijk, maar ze had er niets aan. Ze begon juist aan een verslag dat scheen te gaan over een verdachte – dat woord werd gebruikt – bij eenkomst van Blauwe zusters, toen er uit de andere kamer een gesmoorde kreet opklonk: ‘O, Licht, nee!’