Ze sprong naar de deur toe en liet een flinke houten knuppel in haar handen verschijnen, waarvan de kop bezaaid was met spijkers. Maar toen ze naar binnen sprong en verwachtte een zich verdedigende Egwene aan te treffen, zag ze haar achter de tafel van de Hoedster staan, met ogen die in het niets staarden. Er lag een trek van afgrijzen op haar gezicht, maar voor zover Nynaeve kon zien, werd ze niet bedreigd en was ze niet gewond.
Egwene schrok op toen ze haar zag en vermande zich zichtbaar. ‘Nynaeve, Elaida is de Amyrlin Zetel.’
‘Loop heen met die ganzenpraat,’ schold Nynaeve. Toch... Die andere kamer die totaal niet leek op die van Siuan Sanche... ‘Je beeldt je iets in, het kan niet anders.’
‘Ik had een stuk in mijn handen, Nynaeve, ondertekend met “Elaida do Avriny a’Roihan, Hoedster van de Zegels, Vlam van Tar Va Ion, de Amyrlin Zetel”, en verzegeld met het zegel van de Amyrlin.’ Nynaeves maag leek als een vlinder in haar lijf tekeer te gaan. ‘Maar hoe? Wat is er gebeurd met Siuan? Egwene, de Toren zet geen Amyrlin af, tenzij er iets heel ergs is gebeurd. Dat is maar twee keer het geval geweest, in drieduizend jaar.’
‘Misschien was Rhand erg genoeg.’ Egwenes stem klonk kalm, hoe wel haar ogen nog steeds groot waren. ‘Misschien is Siuan wel ziek geworden en konden de Gelen haar niet helen, of is ze van de trap gevallen en heeft ze haar nek gebroken. Wat telt is dat Elaida de Amyrlin is, en ik geloof niet dat ze, net als Siuan, Rhand zal steunen.’
‘Moiraine,’ mopperde Nynaeve. ‘Die was er zo zeker van dat Siuan ervoor zou zorgen dat de Toren zich achter hem zou scharen.’ Ze kon zich geen dode Siuan Sanche voorstellen. Ze had de vrouw vaak gehaat, en was bij gelegenheid ook wel bang voor haar geweest... maar ze had ook achting voor haar. Ze had gedacht dat Siuan er eeuwig zou zijn. ‘Elaida! Licht! Ze is zo gemeen als een slang en zo wreed als een kat. Je kunt er geen staat op maken wat ze zal gaan doen.’ ik ben bang dat ik een aanwijzing heb.’ Egwene drukte beide handen tegen haar maag alsof daar ook iets tekeer ging. ‘Het was een heel kort schrijven. Ik ben erin geslaagd het helemaal te lezen. ‘Er stond: “Alle trouwe zusters dienen de aanwezigheid van vrouw Moiraine Damodred door te geven. Zij dient zo mogelijk te worden vast gehouden, hoe dan ook, en te worden teruggebracht naar de Witte Toren voor berechting wegens verraad.” Hetzelfde soort taal dat kennelijk voor Elayne werd gebruikt.’
‘Als Elaida Moiraine gevangen wil zien, moet dat betekenen dat ze weet dat Moiraine Rhand heeft geholpen, en dat dat haar niet bevalt.’ Praten was goed. Praten voorkwam dat ze overgaf. Verraad. Daarvoor susten ze vrouwen. Ze had Moiraine ten val willen brengen. Nu zou Elaida het voor haar doen. ‘Ze zal Rhand zeker niet on dersteunen.’
‘Precies.’
‘Trouwe zusters. Egwene, dat klopt met de boodschap van vrouw Macura. Wat er ook met Siuan gebeurd is, de Ajahs zijn verdeeld geraakt over Elaida als Amyrlin. Dat moet het zijn.’
‘Natuurlijk. Heel goed, Nynaeve. Dat had ik zelf niet begrepen.’ Haar glimlach was zo aanstekelijk dat Nynaeve terug glimlachte. ‘Er is een verslag op Siu... op de schrijftafel van de Amyrlin over een bij eenkomst van de Blauwen. Ik durf te wedden dat de Blauwen Elaida niet hebben gesteund.’ De Blauwe en Rode Ajah hadden op zijn hoogst een soort van gewapende vrede en vlogen op zijn ergst elkaar bijna naar de keel.
Maar toen ze terugkeerden naar de andere kamer, konden ze het ver slag niet meer terugvinden. Er waren genoeg stukken – Jolines brief was weer verschenen; na één vluchtige blik rezen Egwenes wenk brauwen bijna tot haar haren – maar niet het stuk dat ze zochten. ‘Kun je je herinneren wat er stond?’ vroeg Egwene. ‘Ik had net een paar regels gelezen toen je riep en... Ik weet het niet meer.’
‘Probeer het, Nynaeve. Probeer het met hart en ziel.’
‘Dat doe ik, Elayne, maar het wil me niet te binnen schieten. Ik pro beer het écht.’
Haar woorden raakten Nynaeve opeens als een hamer tussen de ogen. Zij verontschuldigde zich tegenover Egwene, een meisje dat ze nog geen twee jaar geleden vanwege haar buien over de knie had gelegd. En daarnet was ze al even trots geweest als een hen op een ei, om dat Egwene tevreden over haar was. Ze herinnerde zich heel duidelijk de dag waarop het evenwicht tussen hen verschoven was. De dag dat zij geen Wijsheid meer was en het meisje niet meer degene was die deed wat de Wijsheid haar opdroeg. Waarna ze twee gewone vrouwen ver van huis werden. Blijkbaar was het evenwicht nog ver der verschoven, en daar was ze niet blij mee. Ze zou iets moeten doen om de juiste balans tussen hen te herstellen.
De leugen. Vandaag had ze voor het eerst bewust tegen Egwene gelogen. Daarom was haar gezag verdwenen, daarom sloeg ze wild in het rond en was ze niet in staat zich goed te handhaven, ik heb de thee gedronken, Egwene.’ Ze dwong ieder woord naar buiten. Ze moest zichzelf dwingen. ‘De dolkwortelthee van vrouw Macura. Zij en Lusi sleepten ons als een zak veren naar boven. Zo weinig kracht hadden we samen nog over. Als Thom en Juilin niet gekomen waren om ons aan onze nek eruit te plukken, zouden we daar waarschijnlijk nog steeds liggen. Of anders op weg zijn naar de Toren, zo vol dolkwortel dat we pas wakker geworden zouden zijn als we gearriveerd waren.’ Ze haalde diep adem. Ze probeerde een toon van gerechtvaardigde vastberadenheid aan te slaan, maar dat was moeilijk als je net opgebiecht had dat je een totale dwaas was geweest. Wat naar buiten kwam, klonk veel voorzichtiger dan ze had gewild. ‘Als je de Wijzen hierover vertelt – vooral die Melaine – krijg je een draai om je oren.’
Dat zou Egwenes boosheid hebben moeten opwekken. Het scheen raar om nu een ruzie te beginnen – gewoonlijk kregen ze ruzie als Egwene weigerde om rede in te zien, en hun ruzies eindigden zelden aangenaam, aangezien ze de gewoonte had te blijven weigeren – maar dat was beslist beter dan dit. Maar Egwene glimlachte slechts naar haar. Een geamuseerde glimlach. Een minzame glimlach van ver maak.
‘Ik had zoiets al verwacht, Nynaeve. Je kon dag en nacht doorzeuren over kruiden, maar dolkwortel heb je nooit genoemd. Ik wist zeker dat je er nog nooit van gehoord had, voordat die vrouw erover sprak. Je hebt altijd geprobeerd om je van je beste kant te laten zien. Als jij met je hoofd voorover in een varkensstal viel, zou je iedereen ervan proberen te overtuigen dat je dat met opzet deed. Wat we nu moeten beslissen...’
‘Zoiets doe ik niet,’ sputterde Nynaeve tegen.
‘Zeker wel. Feiten zijn feiten. Je kunt maar beter ophouden daarover te zeuren en helpen beslissen...’
Zeuren! Dit ging helemaal niet zoals ze wilde. ‘Dat zijn ze helemaal niet. Feiten, bedoel ik. Wat jij beschrijft, heb ik nooit gedaan.’ Even staarde Egwene haar zwijgend aan. ‘Je wilt dit niet loslaten, hè? Goed dan. Je hebt tegen me gelogen...’
‘Dat was geen leugen,’ gromde ze. ‘Niet precies.’ De ander negeerde haar onderbreking. ‘... En je liegt tegen jezelf. Weet je nog wat je me dwong te drinken, de laatste keer dat ik tegen jou loog?’ Plotseling was er een beker in haar hand, gevuld met een slijmerig, ziekelijk groen drankje; het leek opgeschept te zijn uit een smerige, stilstaande poel. ‘De énige keer dat ik ooit tegen je gelogen heb? De herinnering aan die smaak was een heel doeltreffend ontmoedigingsmiddel. Als je jezelf niet eens de waarheid kunt zeggen...’