Выбрать главу

Nynaeve week een stap terug voor ze zichzelf kon tegenhouden. Gekookte kattenvarens en maarnebladpoeder; haar tong kronkelde bij de gedachte alleen al. ‘Ik heb niet écht gelogen.’ Waarom verontschuldigde ze zich? ik heb gewoon niet de hele waarheid verteld.’ Ik ben de Wijsheid. Ik was de Wijsheid; dat moet nog enige waarde hebben.

‘Je kunt toch niet echt geloven...’ Zeg het haar gewoon. Je bent toch geen kind meer, en je gaat dat spul zeker niet drinken.

‘Egwene, ik...’ Egwene duwde de beker bijna onder haar neus; ze kon de zurige stank ruiken. ‘Goed,’ zei ze haastig. Dit bestaat niet!

Maar ze kon haar ogen niet van die overvolle beker afhouden en ze kon de woorden niet tegenhouden, die er achter elkaar uit tuimelden. ‘Soms probeer ik de dingen er voor mijzelf beter te laten uitzien dan ze zijn. Soms. Maar nooit bij iets belangrijks. Nooit. Dat zweer ik. Alleen bij kleine dingen.’ De beker verdween en Nynaeve slaakte een zucht van verlichting. Dwaze, dwaze vrouw! Ze kan je dwingen het op te drinken. Wat is er mis met je?

‘Wat we moeten beslissen,’ zei Egwene alsof er helemaal niets was voorgevallen, ‘is aan wie we het gaan vertellen. Moiraine moet het zeker weten, en Rhand, maar als iedereen ervan hoort... De Aiel zijn heel eigenaardig, niet alleen wat Aes Sedai betreft, maar ook in andere dingen. Ik geloof dat ze Rhand volgen als Hij die komt met de dageraad, ondanks alles. Maar als ze eenmaal te weten komen dat de Witte Toren zich tegen hem keert, zullen ze misschien niet zo loyaal blijven.’

‘Ze zullen er vroeg of laat achter komen,’ mompelde Nynaeve. Ze kon me beslist niet dwingen dat te drinken!

‘Later is beter dan eerder, Nynaeve. Dus hou je humeur in toom voor dat je het eruit flapt tegen de Wijzen bij onze volgende ontmoeting. Beter nog, het zou het beste zijn als je dit bezoek aan de Toren helemaal niet vermeldde. Op die manier kun je het misschien geheim houden.’

‘Ik ben geen dwaas,’ zei Nynaeve stijfjes, en voelde haar gezicht vuur rood branden toen Egwene die wenkbrauw weer optrok. Zij zou dat bezoek niet bij de Wijzen te berde brengen. Niet omdat het makke lijk was om hen achter hun rug te trotseren. Niets van dat alles. En ze probeerde de dingen niét mooier te maken. Het was niet eerlijk dat Egwene zomaar, op wat voor manier ook, in Tel’aran’rhiod kon rondlopen, terwijl zij het moest stellen met lesjes en zich moest laten ringeloren.

‘Ik weet dat je dat niet bent,’ zei Egwene. ‘Tenzij je nukkigheid de overhand krijgt. Je moet je buien beter in toom houden en je ver stand niet verliezen, zeker als je gelijk hebt wat betreft de Verzakers, vooral Moghedien.’ Nynaeve keek haar nijdig aan en opende haar mond om te zeggen dat zij haar buien best in bedwang kon houden en dat ze Egwene een draai om de oren zou geven als die er anders over dacht, maar Egwene gaf haar geen kans. ‘We moeten die bij eenkomst van de Blauwe zusters vinden, Nynaeve. Als zij zich tegen Elaida keren, zullen ze misschien – alleen maar misschien – Rhand steunen zoals Siuan dat deed. Werd er een stad genoemd, of een dorp? Een land misschien?’

‘Ik geloof... Ik kan het me niet herinneren.’ Ze deed alle mogelijke moeite om de verdedigende klank uit haar stem te weren. Licht, ik heb alles bekend, een dwaas van mezelf gemaakt, en dat maakt de zaken alleen maar erger,

‘Ik blijf het proberen.’

‘Goed. We moeten hen vinden, Nynaeve.’ Egwene nam haar even op, terwijl zij weigerde zichzelf te herhalen. ‘Nynaeve, kijk uit voor Moghedien. Ga niet op haar af als een beer in de lente, alleen maar om dat ze in Tanchico aan je ontkomen is.’

‘Ik ben geen dwaas, Egwene,’ zei Nynaeve zorgvuldig. Het was moei lijk haar boosheid te beteugelen, maar waarschijnlijk zou Egwene haar woede alleen maar negeren of haar uitschelden, en dus zou ze er niets mee bereiken, behalve een nog grotere zot zijn dan ze al was. ‘Ik weet het. Dat heb je al gezegd. Maar zorg ervoor dat je het onthoudt. Wees voorzichtig.’ Deze keer vervaagde Egwene niet; ze ver dween plotseling, net als Birgitte.

Nynaeve staarde naar de plek waar Egwene had gestaan, terwijl alle dingen die ze gezegd zou moeten hebben door haar hoofd speel den. Uiteindelijk besefte ze dat ze hier wel de hele nacht kon blijven staan; ze bleef zichzelf herhalen en de kans om iets te zeggen was al voorbij. Ze gromde inwendig en stapte Tel’aran’rhiod uit, terug naar haar bed in Sienda.

Egwenes ogen vlogen open in een bijna volkomen duisternis, die alleen werd verbroken door het maanlicht dat door het rookgat naar binnen viel. Ze was blij dat ze onder een dikke stapel dekens lag; het vuur was uit en het was ijskoud in de tent. Haar adem vormde damp wolkjes voor haar gezicht. Zonder haar hoofd op te tillen keek ze de tent rond. Geen Wijzen. Ze was nog alleen.

Dat was haar grootste vrees op haar eenzame uitstapjes in Tel’aran’rhiod: bij terugkeer de wachtende Amys of een van de anderen aan te treffen. Nou ja, eigenlijk niet haar grootste vrees, want zelfs het kleinste gevaar in de Wereld der Dromen was inderdaad zo gevaarlijk als ze Nynaeve had duidelijk gemaakt – maar die vrees bleef groot. Niet dat ze bang was voor straf, tenminste niet voor het soort dat Bair haar gaf. Als ze wakker was geworden met de ogen van een Wijze op zich gericht, zou ze dat blijmoedig hebben ondergaan, maar Amys had het van het begin af duidelijk gesteld. Als zij zonder begeleiding van een droomloopster naar Tel’aran’rhiod zou gaan, werd ze weggezonden en zou ze nooit meer les krijgen. Dat zou haar veel meer pijn doen, maar ze wilde het nú weten, alles weten. Ze geleidde en deed een lamp aan en ontstak het vuur. Er lag niets brandbaars in het vuurgat, maar ze knoopte de stroom vast. Ze bleef stil liggen, keek naar de dampwolkjes voor haar mond en wachtte tot het warm genoeg was om zich aan te kleden. Het was laat maar misschien was Moiraine nog wakker.

Ze was nog steeds verbijsterd over wat ze met Nynaeve had gedaan. Ik denk dat ze het werkelijk zou hebben opgedronken als ik erop had gestaan!

Ze was zo bang geweest dat Nynaeve zou horen dat ze geen toestemming van de Wijzen had om in haar eentje de Wereld der Dromen af te schuimen. Er zo zeker van dat het schaamrood haar zou verraden dat haar enige gedachte was geweest te voorkomen dat Nynaeve wat zou zeggen, te voorkomen dat ze de waarheid eruit zou gooien. Ze was er bovendien zo zeker van geweest dat de Wijsheid er toch achter zou komen – die vrouw was in staat haar te verklikken en dan te zeggen dat het voor Egwenes eigen bestwil was – dat ze alleen maar door had kunnen ratelen en geprobeerd had alle foute daden van Nynaeve op te noemen. Hoe boos Nynaeve haar ook had gemaakt, het had niet geholpen; het was haar gelukt niet terug te schreeuwen. En daardoor had ze op de een of andere manier de overhand behouden.

Nu ze eraan dacht: Moiraine verhief haar stem zelden en wanneer ze dat wel deed, kostte het haar veel meer moeite om haar zin door te drijven. Dat was al zo geweest voordat ze zich bij Rhand zo vreemd was gaan gedragen. De Wijzen schreeuwden ook nooit naar elkaar – misschien onder elkaar, soms – en ondanks al hun gemok over dat de stamhoofden niet meer luisterden, leken ze toch vaker hun zin te krijgen dan niet. Er was een oud spreekwoord dat ze nooit eerder had begrepen: ‘Wie weigert naar een schreeuw te luisteren, spant zich in gefluister te horen.’ Ze zou niet meer tegen Rhand schreeuwen. Een kalme, ferme, vrouwelijke stem, dat moest het worden. En wat dat aanging, behoorde ze ook niet meer naar Nynaeve te schreeu wen; ze was een vrouw, geen meisje dat over haar toeren was. Ze besefte dat ze lag te giechelen. Ze moest vooral niet tegen Nynaeve schreeuwen, wanneer haar zachte, kalme stem dit tot gevolg had. De tent leek eindelijk warm genoeg; ze kroop onder de dekens vandaan en kleedde zich snel aan. Ze moest eerst de ijslaag in de waterkan stukslaan voor ze de slaap uit haar mond kon spoelen. Ter wijl ze de donkere wollen mantel omsloeg, knoopte ze de stromen Vuur los – het was gevaarlijk om Vuur verknoopt te laten – en na dat de vlammen waren gedoofd, dook ze de tent uit. De kou wikkelde haar in een ijzige klem toen ze zich het kamp door haastte. Alleen de tenten vlak bij haar waren goed zichtbaar, schaduwvormen die deel uitmaakten van de heuvelachtige aarde; het kamp strek te zich spannen ver naar beide kanten in het berglandschap uit. De hoge karteltoppen waren niet van de Rug van de Wereld; die was veel hoger en lag dagreizen verder naar het westen. Ze weifelde toen ze Rhands tent naderde. Bij de tentflap zag ze een streepje licht. Toen Egwene dichterbij kwam, leek een Speervrouwe uit de grond op te rijzen, de hoornen boog op de rug, de pijlkoker aan haar zij, speren en schild in de hand. Egwene zag verder niemand anders in het donker, maar wist dat ze er waren, zelfs hier op deze plek werd Rhand omringd door zes stammen die alle trouw aan de car’a’carn hadden gezworen. De Miagoma bevond zich ergens in het noorden en trok tegelijk met hem op; Timolan wilde zich niet over zijn bedoelingen uitlaten. Rhand leek het niet te kunnen schelen, waar de andere stammen zich bevonden. Hij had slechts aandacht voor zijn gejakker naar de Jangai-pas. ‘Is hij wakker, Enaila?’ vroeg ze.