De schaduwen van de maan bewogen zich over het gezicht van de ander toen die knikte. ‘Hij slaapt niet genoeg. Een man kan niet zon der rust.’ Het leek ongelooflijk maar ze klonk als een moeder die zich zorgen maakt over haar zoon.
Naast de tent bewoog een schaduw. Het was Aviendha, die haar sjaal omsloeg. Ze leek de kou niet te voelen, alleen het late tijdstip, ik wil best een slaapliedje voor hem zingen, als ik dacht dat het zou helpen. Ik heb gehoord over vrouwen die de hele nacht worden wakker gehouden door een pasgeboren kind, maar een volwassen kerel behoort te weten dat anderen wel graag onder de dekens willen duiken.’ Zij en Enaila keken elkaar even lachend aan. Egwene schudde het hoofd over die vreemde Aiel en bukte zich om door de kier te kijken. Binnen brandden verschillende lampen. Hij was niet alleen. Nataels donkere ogen leken uitgeput en hij onder drukte een geeuw. Hij wilde tenminste wel slapen. Rhand lag lang uit bij een van de vergulde olielampen en las een oud, in leer gebonden boek. Een of andere vertaling van de Voorspellingen van de Draak, dacht ze als ze hem goed kende.
Opeens bladerde hij terug, las en lachte. Ze probeerde zich ervan te overtuigen dat er geen krankzinnigheid in die lach stak. Slechts ver bittering. ‘Een mooie grap,’ zei hij tegen Natael. Rhand klapte het boek dicht en gooide het naar hem toe. ‘Lees eerst bladzijde twee honderdzevenentachtig en dan vierhonderd, en vertel me of je het er mee eens bent.’
Egwene kneep haar lippen op elkaar, terwijl ze zich oprichtte. Hij hoorde voorzichtiger te zijn met een boek. Ze kon niet met hem praten, niet waar de speelman bij was. Het was schandalig dat hij een man die hij amper kende als gezelschap had. Nee. Hij had ook Aviendha en vaak genoeg de stamhoofden, Lan iedere dag, en soms Mart. ‘Waarom ga je niet bij hen zitten, Aviendha? Als jij erbij bent, praten ze wellicht over iets anders dan dat boek.’
‘Hij wilde met de speelman praten, Egwene, en dat doet hij zelden als er iemand anders bij is. Als ik was gebleven, waren hij en Natael weggegaan.’
‘Kinderen zijn een grote zorg, heb ik gehoord,’ lachte Enaila. ‘En zonen zijn het allerergst. Nu je de speer hebt opgegeven, mag je voor mij uitzoeken of het waar is.’ In het maanlicht keek Aviendha haar fronsend aan en beende als een gebelgde kat naar haar plekje naast de tent terug. Dat leek Enaila zo leuk te vinden dat ze schuddebuik te van het lachen.
In zichzelf mompelend over het grapje van de Aiel – ze begreep er nooit wat van – begaf Egwene zich naar Moiraines tent, die daar vlakbij stond. Ook hier zag ze een kiertje licht. Ze wist dat de Aes Sedai wakker was; Moiraine geleidde minieme beetjes Kracht, maar nog wel zoveel dat Egwene het kon voelen. Lan lag dichtbij te slapen, gewikkeld in zijn zwaardhandmantel. Afgezien van zijn hoofd en laarzen leek hij deel uit te maken van de duisternis. Ze hield haar mantel bijeen, trok haar rok iets omhoog en liep op haar tenen om hem niet wakker te maken.
Zijn ademhaling veranderde niet, maar iets maakte dat ze naar hem keek. Het maanlicht glansde in zijn open ogen, die haar opnamen en zich eigenlijk alweer sloten toen zij haar hoofd draaide. Geen enkel ander spiertje bewoog; het was alsof hij in het geheel niet was ontwaakt. Soms maakte de man haar zenuwachtig. Ze begreep niet wat Nynaeve in hem zag.
Ze knielde neer naast de tentflap en gluurde naar binnen. Moiraine was omringd met de gloed van saidar, en de kleine blauwe edelsteen die ze gewoonlijk op haar voorhoofd droeg, bungelde nu aan haar vingers vlak voor haar gezicht. Hij glansde en voegde wat licht toe aan het lamplicht. In de vuurkuil lag slechts as en zelfs de stank was verdwenen.
‘Mag ik binnenkomen?’
Ze moest het nogmaals vragen voor Moiraine antwoordde: ‘Natuurlijk.’ De gloed van saidar verdween en de Aes Sedai begon het dunne gouden kettinkje weer in haar haren te weven. ‘Was je Rhand aan het afluisteren?’ Egwene zette zich tegenover de ander neer. In de tent was het even koud als buiten. Ze geleidde vlammen boven op de as in de vuurkuil en verknoopte de stromen. ‘Je had gezegd dat je het niet meer zou doen.’
‘Ik heb gezegd dat aangezien de Wijzen zijn dromen al bekijken, wij hem wat ruimte voor zichzelf moeten gunnen. Ze hebben het me niet meer gevraagd sinds hij hen uit zijn dromen heeft buitengesloten, en ik heb het niet aangeboden. Denk eraan dat ze eigen bedoelingen hebben, en die kunnen verschillen van die van de Toren.’ Zo snel waren ze bij haar onderwerp gekomen. Egwene wist nog niet zeker hoe ze moest vertellen wat ze wist zonder zichzelf aan de Wijzen te verraden, maar misschien was de beste manier gewoon alles te zeggen en daarna maar af te wachten hoe de zaken ervoor stonden. ‘Elaida is de Amyrlin Zetel, Moiraine. Ik weet niet wat er met Siuan is gebeurd.’
‘Hoe heb je dat ontdekt?’ vroeg Moiraine kalm. ‘Ben je bij het droom lopen iets op het spoor gekomen? Of heeft jouw Talent van droom ster zich eindelijk geopenbaard?’
Hiermee had ze een smoes gekregen. Sommige Aes Sedai in de Toren dachten dat ze mogelijk een droomster was, een vrouw met dromen die de toekomst voorspelden. Ze had dromen gehad die betekenis hadden, maar de uitleg daarvan was een andere zaak. De Wijzen zeiden dat die kennis van binnen diende te komen en geen enkele Aes Sedai had meer hulp kunnen geven. Rhand, zittend in een stoel, en op de een of andere manier wist ze dat de bezitster van die stoel ra zend was dat haar de stoel was afgenomen. Ze kon hieruit alleen maar afleiden dat de gebruikster van de stoel een vrouw was, verder niets. Soms was de droom ingewikkelder. Perijn met Faile lui op zijn schoot, haar kussend, terwijl zij met de kort geknipte baard speelde die hij in Tyr had gehad. Achter hem wapperden twee banieren met een rode wolfskop en een vuurrode adelaar. Een man in een lichtgele jas en met een zwaard op zijn rug stond achter Perijns schouder, en op de een of andere manier wist ze dat het een ketellapper was, hoewel geen enkel lid van het Trekkende Volk ooit een wapen aan zou raken. En elk onderdeel, behalve de baard, leek belangrijk. De banieren, Faile die Perijn kuste, zelfs de ketellapper. Iedere keer dat hij dichter bij Perijn kwam staan, leek het of een beving van het nood lot door alles heen trilde. Een andere droom. Mart die de dobbel stenen gooide, terwijl het bloed over zijn gezicht stroomde; de brede rand van zijn hoed was zo diep omlaag getrokken dat ze de wond zelf niet kon zien, terwijl Thom Merrilin zijn hand in het vuur stak en de blauwe edelsteen eruit haalde die nu op Moiraines voorhoofd rustte. Of een droom van een storm, waarin grote donkere wolken zonder wind of regen rond rolden, terwijl gevorkte bliksemschichten de aarde schroeiden. Ze kreeg de dromen, maar als droomster was ze een mislukking.