Maar het was niet de schuld van het meisje en ze zou het goedmaken met haar. In de spiegel zag ze Elayne opstaan om zich te gaan wassen, ik denk nog steeds dat mijn plan het beste is,’ zei het meisje, haar gezicht boenend. In haar geverfde ravenzwarte haren leek ondanks de vele krullen geen enkele klit te zitten. ‘Op mijn manier zijn we veel sneller in Tyr.’
Het was haar plan bij de Eldar de koets achter te laten, in een of ander dorpje waar niet al te veel Witmantels waren en – nog belangrijker – geen ogen-en-oren van de Toren.
Daar moesten ze dan overstappen op een binnenschip en naar Ebo Dar afzakken, waar ze zich in konden schepen naar Tyr. Dat ze naar Tyr moesten reizen werd niet meer betwist; ze dienden tegen elke prijs Tar Valon te vermijden.
‘Maar hoelang duurt het voor er een boot in dat dorpje aanlegt?’ vroeg Nynaeve geduldig. Ze had gemeend dar alles al besloten was voor ze gingen slapen. In haar gedachten was het zo geweest. ‘Je hebt zelf gezegd dat niet elke boot daar afmeert. En hoelang moeten we wel niet in Ebo Dar wachten voor we een boot treffen die naar Tyr gaat?’ Ze legde de borstel neer en begon aan haar vlecht. ‘De dorpelingen steken een vlag uit wanneer ze willen dat een boot aanlegt en de meeste schippers geven daar gevolg aan. En in zo’n grote zeehaven als Ebo Dar zijn er altijd schepen, waarheen dan ook.’ Alsof ze, voor ze met Nynaeve uit Tar Valon vertrok, ooit in een zee haven, groot of klein, was geweest. Elayne dacht altijd dat ze alles wat ze niet als de erfdochter van Andor had geleerd, in de Toren had opgestoken, zelfs als het tegendeel overvloedig bewezen kon worden. En hoe durfde ze zo’n wijsneustoontje tegen haar aan te slaan! ‘Het is niet zo waarschijnlijk dat we een bijeenkomst van de Blauwe Ajah op een schip zullen vinden, Elayne.’
Haar eigen plan was met de koets door Amadicia te trekken, daar na door Altara en Morland naar Far Madding in de Kintara Heuvels, en dan over de Vlakte van Maredo naar Tyr. Het zou zeker meer tijd kosten, maar afgezien van een grotere kans op het vinden van de bijeenkomst, leden koetsen ook geen schipbreuk. Ze kon zwemmen, maar voelde zich niet op haar gemak als er nergens land te bekennen viel.
Elayne depte haar gezicht af, trok schoon ondergoed aan en kwam haar helpen met de vlecht. Nynaeve liet zich niet voor de gek houden, die boten zouden ergens in een gesprek wel weer opduiken. Haar maag hield niet van boten. Dat had natuurlijk geen invloed op haar besluit. Als zij ervoor kon zorgen dat die Aes Sedai Rhand zouden helpen, zou het zeer de moeite waard zijn die langere reis te ondernemen. ‘Weet je die naam al?’ vroeg Elayne terwijl ze de strengen vlocht, ik herinner me tenminste dat er een naam stónd. Licht, gun me wat tijd.’ Ze wist zeker dat er een naam had gestaan. Van een stadje, dacht ze, of van een grotere stad. Als het de naam van een land was geweest, zou ze die niet vergeten zijn. Ze haalde lang en diep adem en sprak op mildere toon verder: ik kom er wel op, Elayne, geef me wat tijd.’
Elayne maakte een nietszeggend geluid en vlocht verder. Even later vroeg ze: ‘Was het wel verstandig Birgitte naar Moghedien te laten zoeken?’
Nynaeve wierp de ander van opzij een gefronste blik toe, maar die rolde van haar af als water van geoliede zijde. Als ze van onderwerp wilde veranderen, was dit geen gelukkige keuze. ‘Beter dat wij haar vinden, dan zij ons.’
‘Ik neem aan van wel. Maar wat gaan we doen als we haar hebben gevonden?’
Daarop wist ze geen antwoord. Het was echter altijd beter om de jager te zijn dan de prooi, hoe zwaar de jacht ook werd. Dat had de Zwarte Ajah haar geleerd.
De gelagkamer was niet zo vol toen ze beneden kwamen, maar zelfs op dit vroege uur zag ze hier en daar witte mantels tussen de klan ten, meestal om de schouders van oudere mannen die de rang van officier hadden. Ongetwijfeld verkozen ze herbergvoedsel boven het eten dat de garnizoenskoks op tafel zetten. Nynaeve had bijna liever boven van een dienblad gegeten, maar die kleine kamer was net een kist. Iedereen lette eigenlijk alleen op het eten, ook de Witmantels. Het zou heus wel veilig zijn. De geur van voedsel was overal te ruiken; blijkbaar wilden deze mannen zelfs in de vroege ochtend al rund en schapenvlees.
Elaynes voeten waren amper van de onderste tree op de vloer gestapt of vrouw Jharen kwam druk doende op haar af, of liever op vrouwe Morelin af en bood haar een aparte eetkamer aan. Nynaeves ogen gleden geen enkele keer naar Elayne, maar deze zei: ik denk dat we hier zullen blijven. Ik krijg zelden de kans in een gewone gelagkamer te eten en ik geniet er eigenlijk wel van. Kan een van de meisjes ons iets verkoelends brengen? Als de dag al zo begint, smelt ik voor we bij de volgende uitspanning komen.’
Nynaeve bleef zich erover verbazen dat dat hooghartige toontje er niet voor zorgde dat ze letterlijk de straat op werden geschopt. Ze had nu genoeg vrouwen en heren ontmoet om te weten dat ze zich niet allemaal zo gedroegen, maar toch... Ze zou het geen tel slikken.
De herbergierster maakte snel een revérence, glimlachend en in haar handen wrijvend, bracht hen naar een tafeltje bij een raam dat op straat uitkeek en haastte zich weg om aan Elaynes verzoek te vol doen. Misschien was dit haar manier om een vrouwe terug te pakken: ze zaten helemaal alleen, ver weg van de mannen die reeds aan het eten waren, maar iedere voorbijganger kon hen aangapen. Het ontbijt arriveerde en bestond vooral uit warme, pittig gekruide broodjes die onder een witlinnen doek lagen. Verder waren er gele peren, blauwe druiven die er al wat droog uitzagen en een soort rode vruchten die volgens het dienstmeisje aardbeien heetten. Nynaeve had die vruchten nooit eerder gezien. Ze smaakten helemaal niet naar aarde, vooral omdat er geklopte room op werd gelepeld. Elayne beweerde dat ze er al eerder van had gehoord, zij wel natuurlijk. Met de kruidige lichte wijn waarvan men zei dat die uit een koele wijnkelder kwam – één slokje maakte Nynaeve al duidelijk dat die kelder niet bijzonder koel was -, vormde het een verfrissend ontbijt. De meest nabije man zat drie tafels verder – hij droeg een donker blauwe wollen jas, een welvarende koopman wellicht – maar er werd door hen niet gepraat. Daarvoor was nog genoeg tijd onderweg, als ze er zeker van waren dat er geen gevaar was voor luisterende oren. Nynaeve was veel eerder klaar met éten dan Elayne. Zo lang als dat meisje erover deed om een peer in vier stukken te snijden, zou je denken dat ze de hele dag de tijd hadden om aan tafel te zitten. Plotseling sperden Elaynes ogen zich van schrik wijd open en kletterde het kleine mesje op tafel. Nynaeve draaide met een ruk haar hoofd om. Een man nam plaats op de bank aan de andere kant van de tafel.
‘Ik dacht al dat jij het was, Elayne, maar je haar deed me twijfelen.’ Nynaeve staarde Galad, Elaynes halfbroer, aan. Staren was wel het juiste woord ervoor. Lang en staalslank, donker van haar en ogen, was hij de knapste man die ze ooit had gezien. Het woord ‘knap’ was niet eens voldoende, hij was verrukkelijk. Ze had in de Toren vrouwen om hem heen zien drommen, zelfs Aes Sedai, die als zotten hadden staan glimlachen. Ze veegde de glimlach van haar eigen gezicht. Maar ze kon niets doen aan de snelle galop van haar hart en aan haar ademhaling. Ze voelde niets voor hem; hij was enkel zo prachtig. Beheers jezelf, vrouw!