‘Wat doe jij hier?’ Tot haar genoegen klonk haar stem niet verstikt. Het was niet eerlijk dat een man er zo uitzag. ‘En wat doe je in die kleren?’ zei Elayne zacht, maar bijna snauwend. Nynaeves ogen knipperden toen ze zag dat hij een glanzend maliën hemd droeg en een witte mantel met de twee gouden knopen van zijn rang onder een vlammende zon. Ze voelde hoe haar wangen rood kleurden. Had ze zo strak naar zijn gezicht zitten staren dat ze niet eens had gezien wat hij aan had! Ze wilde wegduiken, zodat niemand de vernedering op haar gezicht kon opmerken. Hij glimlachte en Nynaeve moest diep ademhalen. ‘Ik ben hier omdat ik een van de Kinderen ben die uit het noorden is teruggeroepen. En ik ben nu een Kind van het Licht omdat me dat het juiste leek. Elayne, toen jullie en Egwene verdwenen waren, hadden Gawein en ik al snel uitgevonden dat jullie niet voor straf naar een boerderij waren gezonden, in tegenspraak met wat ze beweerden. Ze hadden het recht niet jullie bij hun plannen te betrekken, Elayne. Niemand van jullie.’
‘Je schijnt snel in rang te zijn gestegen,’ zei Nynaeve. Besefte die dwaze man niet dat zijn gepraat over de plannen van de Aes Sedai een goede manier was hen beiden de dood in te jagen? ‘Emon Valda leek te denken dat mijn ervaring dat billijkte, waar die ook was opgedaan.’ Uit zijn laatdunkend schouderophalen bleek dat hij rang onbelangrijk vond. Het was niet zozeer bescheidenheid, maar ook geen snoeverij. Van de jonge mannen die in de Toren bij de zwaardhanden kwamen studeren, was hij de beste zwaardvechter geweest en ook een van de besten in de lessen krijgskunst en tactiek, maar Nynaeve kon zich niet herinneren dat hij ooit op zijn kunde had gepocht, zelfs niet met een grap. Ergens in slagen betekende niets voor hem, misschien omdat alles hem zo gemakkelijk afging. ‘Weet moeder hiervan?’ wilde Elayne weten, nog steeds kalm, maar haar boze gezicht had een wild zwijn kunnen verjagen. Galad verschoof wat ongemakkelijk, ik heb nog geen tijd gevonden haar te schrijven. Maar wees er niet zo zeker van dat ze het afkeurt, Elayne. Ze is niet zo goed bevriend meer met het noorden als vroeger. Ik hoor dat een verbod in een wet zal worden opgenomen.’ ik heb haar een brief geschreven waarin ik het heb uitgelegd.’ Elaynes boze blik was er een vol verbazing geworden. ‘Ze moet het begrijpen. Zij is ook in de Toren opgeleid.’
‘Praat niet zo luid,’ zei hij zacht en fel. ‘Vergeet niet waar je bent.’ Elayne werd vuurrood, maar of dat van boosheid kwam of van ver legenheid, kon Nynaeve niet zeggen.
Opeens besefte ze dat hij even zacht en zorgvuldig had gepraat als zij. Hij had de Toren of de Aes Sedai niet eenmaal genoemd, is Egwene bij jullie?’ vervolgde hij. ‘Nee,’ antwoordde ze en hij zuchtte diep.
‘Ik had gehoopt dat ze... Gawein was bijna van de kaart, zo bezorgd was hij na haar verdwijning. Hij geeft ook veel om haar. Willen jullie me zeggen waar ze is?’
Het woordje ‘ook’ was Nynaeve opgevallen. De man was inderdaad een Witmantel geworden, maar er was een vrouw die Aes Sedai wil de worden ‘om wie hij gaf’. Mannen waren zo vreemd dat ze soms nauwelijks menselijk waren.
‘Dat willen we niet,’ zei Elayne ferm terwijl het rood van haar wangen verdween, is Gawein ook hier? Ik kan niet geloven dat hij...’ Ze was slim genoeg om nog zachter te praten, maar zei toch: ‘... een Witmantel is geworden.’
‘Hij is in het noorden gebleven, Elayne.’ Nynaeve veronderstelde dat hij Tar Valon bedoelde, maar Gawein zou daar nu vast en zeker niet meer zijn. Hij kon Elaida toch niet steunen? ‘Je kunt onmogelijk weten wat daar is gebeurd, Elayne,’ vervolgde hij. ‘Alle omkoperij en smerigheid zijn naar de top geborreld, zoals vaak het geval is. De vrouw die jullie heeft weggestuurd, is afgezet.’ Hij keek om zich heen en fluisterde, hoewel niemand zo dichtbij zat dat hij afgeluisterd kon worden. ‘Gesust en terechtgesteld.’ Hij haalde diep adem en slaakte een zucht van afkeer. ‘Het was nooit de goede plaats voor jou. Ook niet voor Egwene. Ik ben nog niet zo lang bij de Kinderen, maar ik weet zeker dat mijn kapitein mij verlof zal geven om mijn zuster naar huis te brengen. Daar hoor je te zijn, bij moeder. Vertel me waar Egwene is en ik zal ervoor zorgen dat ook zij naar Caemlin wordt gebracht. Daar zullen jullie allebei veilig zijn.’
Nynaeves gezicht leek verdoofd. Gesust. En terechtgesteld. Niet een ongeval of een ziekte. Dat ze aan die mogelijkheid had gedacht, maak te het niet minder schokkend. Het moest door Rhand zijn gekomen. Als er ooit ook maar enige hoop had bestaan dat de Toren hem niet zou bestrijden, dan was die nu vervlogen. Elayne liet niets merken; haar ogen staarden in de verte.
‘Ik zie dat jullie geschrokken zijn van mijn nieuws,’ zei Galad zachtjes. ‘Ik weet niet hoe diep jullie in het gekonkel van die vrouw zijn getrokken, maar jullie zijn nu van haar bevrijd. Laat mij jullie veilig naar Caemlin brengen. Niemand hoeft te weten dat jullie nauwer met haar hebben samengewerkt dan ieder ander meisje dat erheen ging om te leren.’
Nynaeve toonde haar tanden en hoopte dat het op een glimlach leek. Het was fijn er ook eindelijk weer bij te horen. Ze had hem een klap willen verkopen als hij er niet zo knap had uitgezien. ‘Ik zal erover nadenken,’ zei Elayne langzaam. ‘Wat je zegt klinkt verstandig, maar gun me wat tijd. Ik moet nadenken.’ Nynaeve staarde haar aan. Het was verstandig? Het meisje zat te wauwelen.
‘Ik kan je wel wat tijd geven,’ zei hij, ‘maar dat kan niet veel zijn, omdat ik verlof moet aanvragen. Misschien krijgen we het bevel...’ Opeens stond een zwartharige Witmantel met een vierkant gezicht naast Galad en gaf hem met een brede grijns een dreun op de schouder. Hij was ouder maar had dezelfde twee rangknopen op zijn mantel. ‘Zo, jonge Galad, je kunt niet alle leuke vrouwen voor jezelf hou den. Ieder meisje in de stad zucht als je langsloopt, evenals hun moeders. Stel me eens voor.’
Galad schoof zijn bank achteruit en stond op. ‘Ik meende... ze te kennen toen ze de trap afkwamen, Trom. Maar hoe aantrekkelijk ik volgens jou ook voor meisjes ben, het maakt op deze vrouwen geen in druk. Ze mogen me niet en ik denk dat ze mijn vrienden ook niet mogen. Als je vanmiddag met mij wat zwaardoefeningen doet, kan jij er misschien een of twee strikken.’
‘Niet met jou erbij,’ gromde Trom goedgeluimd. ‘En ik laat me nog liever door een smid met zijn hamer op mijn hoofd slaan dan dat ik met jou oefen.’ Hij liet zich echter wel door Galad naar de deur leiden en keek spijtig achterom naar de twee vrouwen. Terwijl ze naar buiten stapten, wierp Galad nog een blik op hen, een en al ergernis en besluiteloosheid.
Ze waren amper uit het zicht verdwenen of Elayne stond op. ‘Nana, ik heb je boven nodig.’ Vrouw Jharen dook naast haar op en vroeg of alles naar wens was geweest. Elayne zei: ‘Ik heb onmiddellijk mijn koetsier en bediende nodig. Nana rekent met u af.’ Ze liep al naar de trap voor ze was uitgesproken.
Nynaeve keek haar na, pakte toen de beurs en betaalde de vrouw met de verzekering dat alles naar genoegen van de vrouwe was geweest, terwijl ze trachtte niet ineen te krimpen bij het horen van de prijs. Nadat ze het had afgehandeld, haastte ze zich naar boven. Elayne stopte in het wilde weg haar spullen in de kisten, zelfs het klamme nachtgoed dat ze aan het voeteneind van de bedden te drogen hadden gehangen. ‘Elayne, wat is er aan de hand?’
‘We moeten meteen vertrekken, Nynaeve. Onmiddellijk.’ Ze keek pas op toen ze het laatste kledingstuk erin had geperst. ‘Op dit ogenblik, nu, denkt Galad na over iets waarmee hij nooit eerder te maken heeft gehad. Hij kan twee dingen doen, beide goed, maar niet met elkaar te rijmen. In zijn gedachten is het juist mij indien nodig op een pak paard vast te binden en naar moeder te slepen om aan haar zorgen een eind te maken en mij te rédden voor ik een Aes Sedai ben, wat ik er verder zelf ook van vind. Het is evenwel ook juist ons aan te geven bij de Witmantels, het leger of allebei. Zo is de wet in Amadicia en ook de wet van de Witmantels. Aes Sedai staan hier buiten de wet, net als iedere andere vrouw die in de Witte Toren is opgeleid. Moeder heeft Ailron een keer ontmoet voor een handelsverdrag en dat moest in Altara gebeuren, omdat ze volgens de wet Amadicia niet in mocht. Meteen toen ik Galad zag, heb ik saidar omhelsd en ik zal het pas loslaten als ik heel ver uit zijn buurt ben.’