‘Ik neem aan dat hij voor jou een soort tweede vader is,’ zei Nynaeve behoedzaam. Ze deed of al haar aandacht op het inpakken was gericht. Thom had in ieder geval op die manier naar het meisje gekeken. Het verklaarde veel.
‘Ik denk nauwelijks op die manier aan hem.’ Elayne leek helemaal op te gaan in het beslissen van hoeveel zijden ondergoed ze mee zou nemen, maar haar ogen stonden droef. ‘Ik weet eigenlijk niets meer van mijn vader. Ik lag nog in de wieg toen hij stierf. Van Gawein hoorde ik dat hij bijna voortdurend met Galad optrok. Lini pro beerde er het beste van te maken, maar ik weet dat hij mij en Gawein in de kinderkamer nooit opzocht. Ik weet dat hij het wel zou hebben gedaan wanneer we eenmaal oud genoeg waren om van hem dingen te kunnen leren, zoals Galad. Maar toen ging hij dood.’ Nynaeve probeerde het opnieuw. ‘Thom is in ieder geval nog fit voor zijn leeftijd. We zouden mooi met de gebakken peren zitten als hij stijve gewrichten had of zo. Daar hebben oudere mannen vaak last van.’
‘Hij zou nog steeds radslagen kunnen maken als hij dat slechte been niet had. En het kan me niet schelen dat hij hinkt. Hij is slim en weet heel veel van de wereld. Hij is zacht van aard en ik voel me heel vei lig bij hem. Ik denk niet dat ik hem dat moet zeggen. Hij probeert me nu al veel te veel te beschermen.’
Zuchtend gaf Nynaeve het op. Voorlopig althans. Thom beschouw de Elayne misschien als zijn dochter, maar als het meisje zich zo bleef gedragen, dan zou hij mogelijk kunnen bedenken dat ze dat niet was, en dan zat Elayne goed in de puree. ‘Thom is echt dol op je, Elayne.’ Tijd om van onderwerp te veranderen. ‘Weet je het zeker van Galad? Weet je zeker dat Galad ons zou aangeven?’ Elayne schrok op en haar lichte frons verdween. ‘Wat? Galad? Ik ben er zéker van, Nynaeve. En als wij weigeren ons door hem naar Caemlin te laten brengen, zal dat voor hem de door slag geven.’
In zichzelf mompelend haalde Nynaeve een rijkleed van zijde uit de kist. Soms had ze het idee dat de Schepper de mannen slechts had gemaakt om vrouwen in de problemen te brengen.
17
Naar het westen
Toen het dienstmeisje met de bonnetten kwam, lag Elayne in haar witzijden nachtgoed languit op een van de bedden, met een vochtige doek over haar ogen. Nynaeve deed net of ze de zoom herstelde van Elaynes lichtgroene gewaad. Ze prikte voortdurend in haar duim. Ze zou het nooit bekennen, maar ze was heel slecht in naaien. Ze was natuurlijk keurig gekleed – een meid lanterfantte niet zoals een vrouwe – maar droeg wel de haren los. Ze had duidelijk niet de bedoeling de kamer binnen korte tijd te verlaten. Ze bedankte het meisje fluisterend, om haar vrouwe niet te wekken, gaf haar nog een penner en herhaalde met nadruk dat haar vrouwe in geen geval gestoord mocht worden.
Zodra de deur dichtklikte, sprong Elayne overeind en begon de pakken onder het bed uit te trekken. Nynaeve gooide het groene gewaad opzij en boog haar armen op de rug om de knoopjes van haar jurk los te maken. Binnen de kortste keren waren ze klaar, Nynaeve in het groen, Elayne in blauwe wol, met de pakken op de rug. Nynaeve droeg de tas met de kruiden en het geld, Elayne de in een deken gewikkelde kistjes. De lage gebogen randen van hun bonnetten ver borgen hun gezicht zo goed dat ze, volgens Nynaeve, vlak langs Galad hadden kunnen lopen zonder dat hij hen zou herkennen, zeker niet nu zij haar haren los had, terwijl hij een vlecht zou verwachten. Maar vrouw Jharen zou twee vreemde vrouwen die bepakt en bezakt naar beneden liepen, wel tegenhouden.
De achtertrap liep aan de buitenkant van de herberg, smalle stenen treden vlak langs de muur. Nynaeve voelde iets van medelijden met Thom en Juilin, die de zware kisten hieroverheen hadden moeten slepen, maar ze had nu alleen aandacht voor het stalerf en de bakstenen schuur met het leidak. Een vuilgele hond lag in de schaduw on der de koets, beschermd tegen de reeds toenemende hitte, maar alle knechten waren binnen. Nu en dan was er enige beweging in de hokken te bespeuren, maar niemand kwam naar buiten; daarbinnen was ook schaduw.
Ze renden snel het erf over naar de brede steeg tussen de stal en een hoge stenen muur. Een volle kar met mest, onder de vliegen en bijna net zo breed als de steeg, hotste voorbij. Nynaeve vermoedde dat de saidargloed om Elayne hing, maar ze kon het niet zien. Zelf hoop te ze dat de hond niet zou aanslaan en dat niemand de keuken of de stal zou verlaten. Het gebruik van de Ene Kracht vond ze niet de juiste manier om stiekem weg te sluipen en als ze zich ergens uit moesten praten, lieten ze een spoor voor Galad achter. De ruwe houten poort aan het eind van de steeg had slechts een ijzeren sluithaak. De smalle straat erachter, die liep tussen eenvoudige bakstenen huizen met meer rieten daken dan elders in het stadje, was verlaten, afgezien van een groepje jongens die een spelletje deden waarbij ze elkaar met een zak vol bonen moesten raken. De enige volwassene was een man die op het dak aan de overkant zijn duiven in een kot voerde, waarbij zijn hoofd en schouders door een luik naar buiten staken. De man noch de jongens besteedden enige aandacht aan hen, terwijl ze de poort sloten en de kronkelige straat inliepen alsof ze het volste recht hadden daar te zijn.
Ze waren al zo’n span of vijf buiten de stad voor Thom en Juilin hen inhaalden. Thom stuurde iets wat op een ketellapperswagen leek, maar deze had één kleur, moddergroen, die op vele plekken was ver dwenen. Nynaeve stopte dankbaar haar pakken onder de bok en klom erop, maar zag tot haar ongenoegen dat Juilin Pruiler bereed, ik had je gezegd niet naar de herberg terug te gaan,’ zei ze hem, zich voornemend hem een tik te verkopen als hij het waagde Thom aan te kijken.
‘Ik ben niet teruggegaan,’ vertelde hij, niet beseffend dat hij zich een zeer hoofd had bespaard, ik heb de stalbaas verteld dat mijn vrouwe bessen wilde, vers van het land, en dat Thom en ik ze moesten halen. Net het soort gekkigheid dat iemand van ade...’ Hij hield op eens zijn mond en schraapte zijn keel, terwijl Elayne, die aan de andere kant van Thom zat, hem koel en nietszeggend aankeek. Soms vergat hij dat ze koninklijk bloed bezat.
‘We moesten een reden hebben om de herberg en de stal uit te gaan,’ zei Thom, die de paarden opzweepte, ik neem aan dat jullie naar je kamer verdwenen en een flauwte verbeeldden, of alleen vrouwe Morelin, maar de stalknechten zouden zich verbaasd afvragen waarom wij in de hitte rondzwierven in plaats van op een fijne koele hooi zolder niets te doen, met misschien een kan bier erbij.’ Elayne keek Thom effen aan – ongetwijfeld vanwege die ‘flauwtes’ – maar hij deed net of hij het niet zag. Misschien zag hij het ook niet. Mannen konden blind zijn, wanneer het hen uitkwam. Nynaeve snoof luid, dat kon hij zeker niet missen. Hij liet vlak daarna in ie der geval wel zijn zweep knallen boven de paarden; het was gewoon een smoes dat ze dan om beurten paard konden rijden. Dat was ook iets van mannen: een smoes bedenken om precies datgene te doen wat zij wilden doen. Gelukkig zat Elayne hem ietwat fronsend aan te kijken in plaats van met hem te flikflooien. ‘Gisteravond heb ik nog iets opgevangen,’ ging Thom even later door. ‘Pedron Nial probeert de naties te verenigen om tegen Rhand op te trekken.’
‘Het is niet dat ik je niet geloof, Thom,’ zei Nynaeve, ‘maar hoe heb je dat opgevangen? Ik neem niet aan dat een Witmantel jou dat zo maar heeft gezegd.’
‘Te veel mensen zeiden hetzelfde, Nynaeve. In Tyr is een valse Draak. Een valse Draak, en vergeet voorlopig even de voorspellingen van de val van de Steen in Tyr, of Callandor. Die man is gevaarlijk en de naties dienen zich te verenigen, zoals ze in de Aiel-oorlog hebben gedaan. En wie kan de legers beter leiden tegen de valse Draak dan Pedron Nial? Wanneer zoveel monden hetzelfde zeggen, bestaan de zelfde gedachten in hogere rangen en in Amadicia verwoordt zelfs Ailron geen enkele gedachte zonder eerst Nial te raadplegen.’ De oude speelman leek geruchten en gefluister altijd bij elkaar op te kunnen tellen en veel vaker wel dan niet met het juiste antwoord voor de dag te komen. Nee, geen speelman, daar moest ze aandenken. Wat hij zelf ook zei, hij was een bard aan een hof geweest en had van nabij dezelfde listen meegemaakt als in zijn verhalen. Misschien had hij er zelf nog wel de hand in gehad, als hij de minnaar van Morgase was geweest. Ze nam hem van opzij op. Dat getaande gezicht met de borstelige witte wenkbrauwen, de snor met de lange snorpunten die even wit waren als zijn hoofdhaar. Je kon geen staat maken op de smaak van een vrouw.