Выбрать главу

‘Het is echter niet zo dat we zoiets niet hadden kunnen verwachten.’ Dat had ze nooit gedaan. Maar ze had het moeten doen. ‘Moeder zal Rhand steunen,’ zei Elayne. ‘Ik weet dat ze dat zal doen. Ze kent de Voorspellingen. En ze heeft evenveel invloed als Pedron Nial.’

Het lichte hoofdschudden van Thom ontkende minstens het laatste. Morgase heerste over een welvarend rijk, maar in iedere natie bevonden zich Witmantels uit allerlei landen. Nynaeve besefte dat ze meer aandacht moest besteden aan Thom. Misschien wist hij echt zoveel als hij beweerde. ‘Dus nu denk je dat we ons door Galad naar Caemlin moeten laten brengen?’

Elayne keek voor Thom langs naar Nynaeve. ‘Natuurlijk niet. Al lereerst kun je nooit zeker weten of dat wel zijn eigen beslissing is. En ten tweede...’ Ze ging rechtop zitten, verborg zich achter de man en leek in zichzelf te praten, alsof ze zich iets wilde herinneren. ‘Ten tweede, als moeder zich echt van de Toren heeft afgewend, wil ik voorlopig alleen in brieven met haar spreken. Ze is heel goed in staat ons tweeën in het paleis vast te houden, ter wille van onszelf. Misschien is ze geen geleidster, maar ik zou niet graag tegen haar in willen gaan, niet tot ik een volleerde Aes Sedai ben. En of ik het dan zou doen?’

‘Een sterke vrouw,’ zei Thom luchtig. ‘Morgase zou jou heel snel ma nieren bijbrengen, Nynaeve.’ Ze snoof opnieuw luid – al die losse haren over haar schouder kon je niet goed vastgrijpen – maar de oude dwaas keek haar slechts grijnzend aan.

De zon stond al hoog toen ze bij het beestenspul aankwamen, dat nog steeds op precies dezelfde plaats stond als de dag ervoor, op de open plek naast de weg. In de verstilde hitte leken zelfs de eiken ver lept. Afgezien van de paarden en de grote grijze zwijnpaarden waren de dieren allemaal in hun kooien. Er waren ook geen mensen te zien. Ongetwijfeld zaten ze allemaal in hun wagens, die sterk op de hunne leken. Nynaeve en de anderen waren al afgestapt voor Valan Luca verscheen, nog steeds in zijn belachelijke rode mantel. Ditmaal waren er geen bloemrijke toespraken, geen buigingen met een fladderende mantel. Zijn ogen werden wat groter toen hij Thom en Juilin herkende en weer wat kleiner toen hij naar het vierkante blok van hun wagen keek. Hij boog zich voorover om onder de diepe bonnetten te turen en zijn glimlach was niet prettig. ‘Een stukje omlaag gevallen in de wereld, vróuwe Morelin? Of was u misschien nooit zo erg hoog? Nou, ik zou er een hekel aan hebben als zo’n mooi voorhoofdje gebrandmerkt moest worden. Dat doen ze in dit land, voor het geval u het niet weet, zo niet erger. Omdat u dus blijk baar bent ontdekt – waarom zijn jullie anders op de vlucht? – zou ik u willen aanraden dat u zich zo snel mogelijk verder spoedt. Als u uw bloedpenner terug wilt hebben, hij ligt een eindje verder op de weg. Ik heb hem u nagegooid, en hij kan daar voor mijn part tot Tarmon Gai’don blijven liggen.’

‘U wilde een beschermvrouwe,’ zei Nynaeve toen hij zich omdraai de. ‘Wij kunnen uw begunstigers zijn.’

‘Jullie?’ spotte hij. Maar hij bleef staan. ‘Zelfs enkele gestolen munten uit de beurs van een heer kunnen helpen, maar ik wil geen gestolen...’

‘Wij zullen uw onkosten betalen, baas Luca,’ onderbrak Elayne hem op dat hovaardige toontje van haar, ‘en daarnaast honderd goud marken, als we met u mee kunnen reizen naar Geldan en als u er mee instemt nergens te blijven staan tot we de grens hebben bereikt.’ Luca staarde haar aan en liet zijn tong langs zijn tanden glijden. Nynaeve kreunde zachtjes. Honderd marken! Goudmarken! Honderd zilvermarken zouden zijn onkosten met gemak dekken, naar Geldan en nog wel verder, wat die zogenaamde zwijnpaarden ook vraten.

‘Hebben jullie zoveel gestolen?’ vroeg Luca behoedzaam. ‘Wie zit er achter jullie aan? Ik wil niet het gevaar lopen van Witmantels of het leger. Die gooien ons zo de gevangenis in en zullen de dieren waar schijnlijk doden.’

‘Mijn broer,’ antwoordde Elayne voor Nynaeve boos kon ontkennen dat ze iets hadden gestolen. ‘Het bleek dat tijdens mijn afwezigheid mijn huwelijk was geregeld en mijn broer moest me komen ophalen. Ik heb niet de bedoeling naar Cairhien terug te keren om een man te trouwen die een kop kleiner, driemaal zo zwaar en driemaal mijn leeftijd is.’ Haar wangen werden wat rood, slechts een zwakke na bootsing van boosheid, maar het schrapen van haar keel ging haar beter af. ‘Mijn vader koestert dromen over zijn aanspraak op de Zon netroon als hij genoeg steun kan krijgen. Mijn dromen draaien echter om een Andoraan met rossig haar, met wie ik wél ga trouwen, wat mijn vader verder ook zegt. En dat, baas Luca, is alles wat u van mij hoeft te weten.’

‘Misschien bent u degene die u zegt te zijn,’ zei Luca langzaam, ‘miscchien ook niet. Laat me wat van dat geld zien dat u volgens eigen zeggen bezit. Beloften kopen heel kleine bekertjes wijn.’ Boos zocht Nynaeve in haar tas naar de dikste beurs en liet die voor hem rinkelen. Ze stopte hem weer terug toen hij hem wilde aan pakken. ‘Je krijgt wat je nodig hebt, als je het nodig hebt. En die honderd goudmarken ontvang je als we Geldan bereiken.’ Honderd goudmarken! Ze zouden een bank moeten zoeken en een van die pandbrieven moeten gebruiken als Elayne zo doorging. Luca liet een zuur geknor horen. ‘Gestolen munten of niet, jullie zijn nog steeds voor iemand op de vlucht. Ik wil niet dat mijn spul gevaar loopt door jullie, of dat nu van het leger komt of van een of andere Cairhiense heer die jou zoekt. Die heer kan nog erger zijn als hij denkt dat ik zijn zuster heb ontvoerd. Jullie zullen je aan de anderen aan moeten passen.’ Weer verscheen die onprettige glimlach; hij was niet geneigd de penner te vergeten, iedereen die met mij mee reist, doet iets, en dat moeten jullie ook, als jullie je plannetjes willen uitvoeren. Als de anderen weten dat jullie ervoor betalen, gaan ze praten, en dat zullen jullie wel niet willen. Het schoonmaken van de kooien is voldoende. De paardenknechten klagen altijd als ze dat moeten doen. Misschien vind ik die penner wel terug en kan ik jullie daarmee betalen. Laat nooit gezegd zijn dat Valan Luca niet gul kan zijn.’

Nynaeve wilde net in zeer duidelijke bewoordingen gaan zeggen dat ze geen enkele duit aan zijn reis naar Geldan zouden bijdragen als ze daarbij ook nog moesten werken, toen Thom zijn hand op haar arm legde. Zwijgend pakte hij enkele kiezelstenen en begon die op te gooien, zes in een cirkel.

‘Ik heb al goochelaars,’ zei Luca. De zes werden er acht, tien, zelfs twaalf. ‘Je bent niet slecht.’ De cirkel werden er twee die door elkaar draaiden. Luca wreef over zijn kin. ‘Mogelijk kan ik jou ergens gebruiken.’

‘Ik ben ook vuurspuwer,’ zei Thom, die de steentjes liet vallen, ‘en messenwerper.’ Hij strekte zijn vingers en leek toen een kiezel uit Luca’s oor te voorschijn te halen. ‘En nog een paar van die dingen.’ Luca onderdrukte een snelle grijns. ‘Dat volstaat. Voor jou. En de anderen?’ Hij leek kwaad op zichzelf te zijn, omdat hij iets van wel willendheid of instemming had laten blijken. ‘Wat is dat?’ vroeg Elayne, wijzend.

De twee hoge palen die Nynaeve had zien oprichten, stonden nu vast aan touwen en hadden boven aan een vlonder, waartussen een touw van zo’n dertig pas lang was gespannen. Aan iedere vlonder hing een touwladder.

‘Dat is het toestel van Sedrin,’ antwoordde Luca en schudde vervolgens het hoofd. ‘Sedrin, de koorddanser, deed op dat dunne koord verbijsterende kunstjes op een hoogte van tien pas. De dwaas.’

‘Dat kan ik,’ zei Elayne tegen hem. Thom wilde haar tegenhouden toen ze haar bonnet afdeed en erheen liep, maar gaf daarna hoofd schuddend met een glimlachje toe.