Выбрать главу

‘Hoe worden ze eigenlijk echt genoemd?’ Behoedzaam klopte Nynaeve op de lange neus of snoet of wat het ook was. Die neus was even dik als Nynaeves been en ruim drie pas lang en maar iets langer dan die van het vrouwtje. De snoet snuffelde aan haar rok en ze deed haastig een stap achteruit.

‘S’redits,’ zei de vrouw met het lichte haar. ‘Het zijn s’redits, maar baas Luca vond een naam die makkelijker in de mond lag beter.’ Haar lispelende tongval was onmiskenbaar. ‘Zijn er veel s’redits in Seanchan?’

Het bewegen van de stok stopte even en werd toen weer hervat. ‘Seanchan. Waar is dat? De s’redits komen uit Shara, net als ik. Ik heb nog nooit...’

‘Misschien heb je ooit Shara bezocht, Cerandin, maar ik betwijfel het. Jij bent een Seanchaanse. Tenzij ik het mis heb, was jij bij de in val op de Kop van Toman en werd je in Falme achtergelaten.’

‘Daarover bestaat geen enkele twijfel,’ merkte Elayne op, die naast haar kwam staan. ‘We hebben de Seanchaanse spraak eerder gehoord, Cerandin. We zullen je geen kwaad doen.’ Dat was meer dan Nynaeve wilde beloven; ze had geen prettige her inneringen aan de Seanchanen. Maar toch...

Je bent door een Seanchaanse geholpen toen je in nood verkeerde. Ze zijn niet allemaal slecht. De meesten niet.

Cerandin slaakte een diepe zucht en zakte wat in elkaar. Het was of een jarenlange spanning, waarvan ze zich niet meer bewust was, uit haar wegebde. ‘Maar heel weinig mensen die ik heb ontmoet, weten iets van de waarheid over de Terugkeer of van Falme. Ik heb wel honderd verhalen gehoord, het een nog fabelachtiger dan het andere, maar nooit het ware. Wat maar goed was voor mij. Ik ben in derdaad in Falme achtergelaten, evenals veel s’redits. Alleen deze drie kon ik bijeenkrijgen. Ik weet niet wat er met de andere is gebeurd. De bul heet Mer, de koe Sanit en het jong Nerin. Het is niet van Sanit.’

‘Was dat het werk dat je deed?’ vroeg Elayne. ‘S’redits oefenen?’

‘Of was je een sul’dam?’ voegde Nynaeve eraan toe voor ze kon antwoorden. Cerandin schudde het hoofd, ik ben beproefd, net als de andere meisjes, maar ik kon niets met de a’dam. Ik was blij dat ik werd uitgekozen om met s’redits te werken. Het zijn prachtige dieren. Jullie weten veel, als jullie sul’dam en damane kennen. Ik ben nog niemand tegengekomen die ervan weet.’ Ze toonde geen angst. Wellicht was die opgebruikt, sinds ze tot de ontdekking was gekomen dat ze in een vreemd land was achtergelaten. Aan de andere kant, misschien loog ze.

De Seanchanen waren voor geleidsters even kwaadaardig als de Amadicianen, misschien wel erger. Geleidsters werden niet verbannen of gedood, maar beteugeld en misbruikt. Met een voorwerp dat een a’ dam werd genoemd – Elayne vermoedde dat het een ter’angreaal was – kon een vrouw die de Ene Kracht kon geleiden, overheerst worden door een andere vrouw, de sul’dam. Die kon de damane dwingen haar aanleg te gebruiken voor alles wat de sul’dam wenste, zelfs als wapen. Een damane was niets meer dan een dier, werd hoogstens wat beter verzorgd. En ze maakten van iedere geleidster die ze vonden en van eenieder die de gave aangeboren was, een damane. De Seanchanen hadden de Kop van Toman veel grondiger afgezocht dan de Toren ooit had kunnen dromen. Als Nynaeve alleen al dacht aan sul’ dam en hun a’dam, werd ze doodziek.

‘We weten iets,’ zei ze tegen Cerandin, ‘maar we willen meer weten.’ De Seanchanen waren verdwenen, verjaagd door Rhand, maar dat wilde niet zeggen dat ze op een dag niet konden terugkomen. Het was een ver gevaar naast alle andere gevaren die ze onder ogen moesten zien, maar een doorn in je voet hield niet in dat een schram van een stekel op je arm uiteindelijk niet ging zweren. ‘Je kunt het beste onze vragen naar waarheid beantwoorden.’ Op hun reis naar het noorden zouden ze daarvoor tijd hebben.

‘Ik beloof je dat je niets zal overkomen,’ voegde Elayne eraan toe. ‘Ik zal je beschermen als dat nodig mocht zijn.’ De ogen van de vrouw bewogen van de een naar de ander en tot Nynaeves verbijstering wierp ze zich vlak voor Elayne opeens plat op de grond. ‘U bent een hoogvrouwe van dit land, zoals u tegen Luca hebt gezegd. Ik besefte het niet. Vergeef me, hoogvrouwe, ik onderwerp me aan u.’ En ze kuste de grond voor Elaynes voeten. Het leek of Elaynes ogen uit de kassen rolden.

Ook Nynaeve keek verbijsterd toe. Sta op,’ siste ze, wild rondkijkend om te zien of iemand het opmerkte. Luca had het gezien – ver vloekt – en Latelle ook, die nog steeds grimmig keek. Er was niets aan te doen. ‘Sta op!’ De vrouw bewoog niet. ‘Ga staan, Cerandin,’ zei Elayne. ‘In dit land vraagt niemand aan mensen zich zo te gedragen. Zelfs een vorst niet.’ Terwijl Cerandin overeind krabbelde, voegde ze eraan toe: ik zal je bijbrengen hoe je je dient te gedragen in ruil voor antwoorden op mijn vragen.’ De vrouw boog, met de handen op haar knieën en gebogen hoofd. ‘Ja, hoogvrouwe. Het zal zijn zoals u zegt. Ik ben de uwe.’ Nynaeve zuchtte diep. De reis naar Geldan kon nog leuk worden.

18

Een hond van de duisternis

Liandrin stuurde haar paard door de drukke straten van Amador en haar diepe, omlaag geslagen bonnet verborg de minachtende spot die om haar rozenknoplippen speelde. Ze vond het vreselijk dat ze haar vele vlechtjes had moeten opgeven en ze haatte de belachelijke kleding van dit belachelijke land. Het rossige geel van haar hoed en rij kleding vond ze wel mooi, maar niet de grote fluwelen strikken er op. Niettemin, de bonnet verborg haar Taraboonse ogen – die bruine ogen en het honingblonde haar zouden haar Taraboonse afkomst verraden en dat was vandaag de dag niet zo gunstig in Amadicia en haar Aes Sedai-gezicht, dat hier in Amadicia nog erger werd gevonden dan haar ogen. Zo kon ze heimelijk geringschattend neer kijken op elk Kind van het Licht. Van de vijf voetgangers was er een een Witmantel. Er liepen evenveel soldaten rond en die zouden net zo nieuwsgierig kunnen zijn, maar niemand van hen dacht er natuurlijk aan onder de bonnet te kijken. Aes Sedai stonden hier buiten de wet en dat betekende dat er hier geen waren. Ze voelde zich wat beter toen ze door het fraaie hek van siersmeed werk voor het huis van Jorin Arene reed. Opnieuw had ze naar berichten uit Tar Valon uitgekeken, maar het was een vruchteloze rit geweest. Sinds ze had gehoord dat Elaida meende over de Toren te heersen en dat dat mens van Sanche was afgezet, had ze niets meer vernomen. Jammer dat Siuan was ontsnapt, maar die was nu toch een waardeloos vod.

De tuin achter de grijsstenen omheining stond vol planten die behoorlijk bruin waren door gebrek aan regen. Ze waren gesnoeid en gevormd tot blokken en ballen. Eén leek op een springend paard. Natuurlijk maar een. Kooplieden als Arene bootsten hogere heren na, maar durfden daarin niet al te ver te gaan, voor het geval iemand zou denken dat hun bedrog te erg was. Fraaie balkons maakten het houten huis met het rode pannendak nog mooier. Er stond zelfs een rij gebeeldhouwde zuilen voor, maar in tegenstelling tot het onder komen van een heer leek dit met opzet op nabootsing. De rij stond op een stenen fundering van niet meer dan tien voet hoog. Een kin derlijke aanspraak op een landhuis van de adel. De grijsharige man die onderdanig toesnelde om haar stijgbeugel bij het afstappen vast te houden en de teugels over te nemen, was geheel in het zwart gekleed. Welke kleur de koopman voor zijn livrei en ook had gekozen, het zouden bijna zeker de kleuren van een echte heer zijn geweest en zelfs een heel lage heer kon de rijkste handelaar moeilijkheden bezorgen. De mensen op straat noemden het zwart ‘koopmanslivrei’ en proestten het dan uit. Liandrin verachtte de zwarte jas van de paardenknecht evenzeer als Arenes huis en Arene zelf. Op een dag zou ze echte landhuizen hebben. Paleizen. Die én de macht die daarmee gepaard ging, waren haar beloofd. Ze deed haar rij handschoenen uit en beende de belachelijke helling op die langs de fundamenten naar de met ranken uitgesneden voor deur leidde. De op burchten lijkende landhuizen van de heren hadden opritten, dus kon een rijke koopman die zich niet te klein wilde achten, voor zijn huis geen trap hebben. Een in het zwart gekleed jong dienstmeisje nam de handschoenen en de hoed aan in de ronde ontvangsthal. Er waren veel deuren en gebeeldhouwde en geverfde zuilen, met daarboven een rondlopend balkon. Het beschilderde plafond was een nabootsing van een mozaïek, sterren binnen sterren in het goud en het zwart. ‘Over een uur wil ik in bad,’ zei ze tegen de vrouw. ‘Ditmaal niet te koud en niet te warm; dat kan toch niet waar?’ De dienstmeid werd bleek, terwijl ze een knix maakte. Sta melend beloofde ze het en haastte zich weg. Amellia Arene, Jorins vrouw, kwam een van de deuren uit, diep in gesprek met een dikke kalende man in een smetteloos witte schort. Liandrin zuchtte van minachting. Die vrouw maakte aanspraak op van alles, maar ze sprak niet alleen met de kok, maar haalde hem ook nog eens uit de keuken om over de maaltijden te praten. Ze behandelde hem als... als een vriend!