Выбрать главу

De dikke Evon zag haar het eerst en snakte naar adem. Zijn var kensoogjes schoten onmiddellijk de andere kant op. Ze hield er niet van als mannen haar aankeken en dat had ze hem de eerste dag goed aan zijn verstand gebracht, toen hij zijn kleffe ogen op haar had gericht. Hij had geprobeerd het te ontkennen, maar ze kende de smerige gewoonten van mannen. Evon wachtte niet eens af tot zijn meesteres hem wegstuurde, maar ging er bijna rennend via dezelfde deui vandoor.

De grijzende koopmansvrouw had een flink en ferm gezicht getoond op de dag van Liandrins aankomst met de anderen. Nu maakte ze steeds haar lippen vochtig en streek voor niets de strikken op haar groenzijden gewaad glad. ‘Er is iemand boven bij de andere vrouwen, mijn vrouwe,’ zei ze nederig. Die eerste dag had Amellia gemeend haar met haar naam te kunnen aanspreken, in de voorzit kamer. Ik meen uit Tar Valon.’

Liandrin vroeg zich af wie dat kon zijn en liep naar de dichtstbij zijnde trap. Ze kende natuurlijk enkele zusters van de Zwarte Ajah, maar dat waren er vanwege de veiligheid maar een paar. Wat anderen niet wisten, konden ze niet verraden. In de Toren had ze maar één van de twaalf zusters gekend die met haar waren vertrokken. Twee van de twaalf waren nu dood, en zij wist wier schuld dat was. Egwene Alveren, Nynaeve Almaeren en Elayne Trakand. In Tan chico was alles zo slecht verlopen dat ze bijna had geloofd dat die drie omhooggevallen Aanvaarden daar waren geweest. Maar het waren dwazen die tweemaal als makke schapen in de val waren gelopen die zij had uitgezet. Dat ze er ook tweemaal uit waren ontsnapt, had niet veel te betekenen. Als ze in Tanchico hadden gezeten, zouden ze haar in handen zijn gevallen, wat Jeaine ook beweerde te hebben gezien. Als ze hen de volgende keer vond, zou er geen ontsnappen mogelijk zijn. Ze zou het karwei afmaken, wat haar bevelen ook waren.

‘Mijn vrouwe,’ stotterde Amellia. ‘Mijn man Jorin, mijn vrouwe. Alstublieft, kan een van u hem helpen? Het was niet zijn bedoeling, mijn vrouwe. Hij heeft zijn les geleerd.’

Liandrin bleef met een hand op de bewerkte trapleuning staan en keek om. ‘Hij behoorde te weten dat hij zijn eed aan de Grote Heer niet kon vergeten als hem dat uitkwam, toch?’

‘Hij hééft het geleerd, mijn vrouwe. Alstublieft. Hij ligt de hele dag rillend onder de dekens, met deze hitte. Hij huilt wanneer iemand hem aanraakt en spreekt slechts fluisterend.’

Liandrin zweeg alsof ze nadacht en knikte vervolgens genadig, ik zal Chesmal vragen om te zien wat ze kan doen. Begrijp echter goed dat ik niets kan beloven.’ Amellia’s bevende bedankje volgde haar naar boven, maar ze lette er niet op. Temaile had zich laten meeslepen. Ze was van de Grijze Ajah geweest en hechtte er bij het bemiddelen groot belang aan de pijn gelijkmatig te verdelen. Als bemiddelaarster was ze heel geslaagd, want ze verspreidde graag pijn. Chesmal had gezegd dat hij binnen enkele maanden weer wat dingen kon doen, zolang die niet al te zwaar waren en niemand zou schreeuwen. Ze was de beste heelster geweest die de Toren in vele jaren had gekend, dus zij zou het wel weten.

Ze schrok toen ze de zitkamer boven binnenstapte. Negen van de tien Zwarte zusters die met haar mee waren gekomen, leunden tegen de met hout betimmerde, beschilderde wanden van het vertrek, hoewel er voldoende stoelen met zijden zittingen stonden op het tapijt met goudkleurige franje. De tiende, Temaile Kinderode, over handigde net een theekopje van teer porselein aan een donkerharige, stevige en knappe vrouw in een bronsgeel gewaad van onbekende stijl. De vrouw kwam haar vaag bekend voor, ofschoon ze geen Aes Sedai was. Ze naderde de middelbare leeftijd; ondanks haar gladde huid was ze duidelijk niet leeftijdloos.

De stemming in het vertrek maakte Liandrin voorzichtig. Temaile was bedrieglijk breekbaar van uiterlijk. Haar grote blauwe kinder blik schonk de mensen vertrouwen, maar die ogen keken nu ver ontrust, en het kopje rinkelde op het schoteltje voor de andere vrouw het aanpakte. Iedereen keek verontrust, met uitzondering van die merkwaardig bekende vrouw. Jeaine Caide, gekleed in zo’n walge lijk Domani-gewaad dat ze binnenshuis droeg, had nog glinsterende tranen op haar wangen. Ze was een Groene geweest en pronkte graag in de aanwezigheid van mannen, nog erger zelfs dan de meeste Groenen deden. Rianna Andomeran, vroeger een Witte en altijd een kille hooghartige moordenares, bleef zenuwachtig over de witte lok boven haar linkeroor strijken. Haar hoogmoed was vermorzeld. ‘Wat is hier aan de hand?’ wilde Liandrin weten. ‘Wie ben jij en wat...’ Opeens flitste de herinnering door haar gedachten. Een Duistervriend, een dienstmeid in Tanchico die voortdurend haar plaats vergat. ‘Gyldin!’ snauwde ze. Deze meid had hen op de een of andere manier gevolgd en probeerde zich duidelijk voor te doen als een zwarte boodschapper met een of ander zeldzaam nieuwtje. ‘Ditmaal heb je te hoog gegrepen.’ Ze wilde saidar omhelzen, maar tegelijkertijd omringde de gloed de andere vrouw en Liandrins poging bots te op een dikke, onzichtbare muur die haar van de Bron afscherm de, een stralende zon, maar pijnlijk onbereikbaar. ‘Je mond staat open, Liandrin’ zei de vrouw kalm. ‘Je lijkt wel een vis. En het is Moghedien, niet Gyldin. Er moet wat meer honing in de thee, Temaile.’ De slanke vrouw met het vossengezicht schoot hij gend toe om het kopje aan te pakken.

Het moest waar zijn. Wie anders kon de anderen zo hebben getemd? Liandrin keek naar hen, zoals ze daar langs de muur stonden. Eldrith Jhondar met haar ronde gezicht, die nu eens niet heel vaag keek ondanks de inktvlek op haar neus, knikte heftig. De anderen leken te bang om een pink te verroeren. Waarom een Verzaker – ze werden niet geacht dat woord te gebruiken, maar ze deden dat onder el kaar gewoonlijk wel -, waarom Moghedien zich had voorgedaan als een dienstmeid kon ze niet begrijpen. De vrouw bezat, of kon alles bezitten, wat Liandrin zelf wilde hebben. Niet alleen kennis van de Ene Kracht, waar zij slechts van droomde, maar macht. Macht over anderen, macht over de wereld. En onsterfelijkheid. Macht in een leven dat nooit eindigde. Zij en haar zusters hadden gepraat over geschillen tussen de Verzakers. Er waren tegenstrijdige bevelen gekomen, en bevelen aan andere Duistervrienden die niet strookten met hun bevelen. Misschien hield Moghedien zich voor de andere Verzakers verborgen.

Liandrin spreidde haar brede rijrok zo fraai mogelijk uit toen ze met een buiging neerknielde. ‘Wij verwelkomen u, Hoge Meesteresse. Nu de Uitverkorenen ons leiden, zullen we zeker triomferen voor de Dag van de Terugkeer van de Grote Heer van het Duister.’

‘Prachtig gezegd,’ merkte Moghedien droogjes op en nam het kopje weer aan van Temaile. ‘Ja, dit is veel beter.’ Temaile keek idioot dank baar en opgelucht. Wat had Moghedien gedaan? Opeens viel Liandrin een onwelkome gedachte in. Zij had een Uit verkorene behandeld als een dienstmeid. ‘Hoge Meesteresse, in Tan chico wist ik niet dat...’

‘Natuurlijk wist je dat niet,’ zei Moghedien geërgerd. ‘Wat voor nut heeft het anders mijn tijd in de duisternis af te wachten, als jij en de anderen mij hadden herkend?’ Opeens verscheen er een klein glim lachje rond haar lippen, niet in haar ogen. ‘Maak je je zorgen over die keren dat je Gyldin naar de keuken stuurde voor een pak ransel?’ Het zweet brak Liandrin uit. ‘Geloof je écht dat ik zoiets zou toelaten? De man moest jou vast en zeker verslag uitbrengen, maar hij herinnerde zich alleen dat wat ik hem zich liet herinneren. Hij leefde heel sterk mee met Gyldin, die zo wreed door haar meesteres werd behandeld.’ Dat leek ze enorm grappig te vinden. ‘Hij gaf me na het eten de heerlijkste toetjes, die voor jou waren bedoeld. Het zou me plezieren indien hij nog leeft.’