Moghedien weefde hetzelfde om de andere vrouwen, behalve om Rianna, die door de Verzaker met een gebiedende vinger werd gewenkt en voor haar neerknielde. Daarna verdween Rianna en werd Marillin Gemalfin losgemaakt en naderbij geroepen. Liandrin kon vanaf haar plekje hun gezichten zien, waarin de mond geluidloos bewoog. Iedere vrouw kreeg klaarblijkelijk een opdracht die de anderen niet mochten horen. De gezichten maakten ook weinig duidelijk. Rianna luisterde alleen, haar ogen een tikkeltje opgelucht, instemmend knikkend, waarna ze vertrok. Marillin keek ver baasd en toen gretig, maar zij was een Bruine geweest en die waren altijd opgetogen over alles wat een kans bood een beschimmeld stuk je vergeten kennis te ontdekken. Jeaine Caide zette traag een masker van afgrijzen op, wilde het aanvankelijk afwijzen, waarbij ze tracht te zichzelf en haar walgelijke kleding te bedekken. Moghediens gezicht verhardde zich echter en Jeaine knikte haastig en vluchtte weg. Niet zo ijverig als Marillin, maar zeker even snel. Berylla Naron, die zo mager was dat ze bijna uitgedroogd leek en een van de allerbes te bespeelsters van mensen en plannenmaaksters was, en Falion Bhoda, met een lang gezicht, kil ondanks haar zichtbare vrees, lieten even weinig merken als Rianna. Ispan Shefar, net als Liandrin een Tara boonse, al had ze donker haar, drukte een kus op Moghediens rok zoom voor ze opstond.
Toen werden de stromen rond Liandrin losgemaakt. Ze dacht dat ze eveneens zou worden weggestuurd voor de Schaduw mocht weten welke boodschap, totdat ze zag hoe de stromen van de overgebleven zusters ook verdwenen. Moghediens vinger wenkte gebiedend en Liandrin knielde voor haar neer, tussen Asne en Chesmal Emry, een lange mooie vrouw met donker haar en donkere ogen. De vroegere Gele zuster Chesmal doodde met hetzelfde gemak als ze heelde, maar uit haar vurig brandende ogen die op Moghedien waren gericht en de wijze waarop haar trillende handen in haar rok knepen, sprak duidelijk dat ze van plan was te gehoorzamen. Ze zou zich door dit soort aanwijzingen moeten laten leiden, besef te Liandrin. Als ze een van de anderen benaderde met haar overtui ging dat er een beloning in het verschiet lag voor degene die Moghedien aan de andere Verzakers uitleverde, kon het rampzalig zijn wanneer ze iemand aansprak die al had besloten als schoothondje van Moghedien het beste af te zijn. Ze kreunde bijna bij de gedachte aan een ‘tweede les’.
‘Jullie houd ik bij me,’ zei de Verzaker, ‘voor de belangrijkste taak. Het werk van de anderen kan zoete vruchten dragen, maar voor mij zal jullie taak de grootste oogst opleveren. Een persoonlijke oogst. Die vrouw Nynaeve Almaeren.’ Liandrins hoofd schoot omhoog en Moghediens ogen werden scherp. ‘Je kent haar?’ ik veracht haar,’ antwoordde Liandrin waarheidsgetrouw ‘Ze is een smerige wilder die nooit in de Toren toegelaten had mogen worden.’ Ze verafschuwde alle wilders. Toen ze nog over de Zwarte Ajah droomde, voor haar komst naar de Witte Toren, was ze al ruim een jaar bezig te leren geleiden, maar zij was zeker geen wilder. ‘Heel goed. Jullie vijf gaan haar voor me zoeken. Ik wil haar levend hebben. Jazeker, levend.’ Moghediens glimlach deed Liandrin huiveren; Nynaeve en de andere twee aan haar geven, was zo slecht nog niet. ‘Eergisteren was ze in Sienda, een dorp ongeveer zestig span ten oosten van hier, samen met een andere jonge vrouw voor wie ik mogelijk belangstelling heb, maar ze zijn verdwenen. Jullie gaan...’ Liandrin luisterde gretig. Wat dit aanging zou ze een trouwe hond zijn. Voor dat andere zou ze geduldig afwachten.
19
Herinneringen
‘Mijn koningin?’ Morgase keek op van het boek in haar schoot. Zon licht viel schuin door de ramen van haar zitkamer. De dag was al heet, er stond geen enkel briesje, en het zweet maakte haar gezicht vochtig. Het was bijna noen en ze had nog geen stap buiten haar kamer gezet. Dat was heel ongewoon voor haar. Ze kon zich niet her inneren waarom ze had besloten die ochtend lui met een boek door te brengen. Ze leek de laatste tijd haar aandacht niet bij het lezen te kunnen houden. Op de gouden klok op de mantel van de marmeren haard kon ze zien dat ze een uur geleden deze bladzijde had omgeslagen en ze kon er zich niets van herinneren. Het moest de hitte zijn. De jonge officier van de garde in zijn rode jas, geknield met zijn vuist op het rood met gouden tapijt, kwam haar vaag bekend voor. Vroeger kende ze de namen van alle gardisten die in het paleis dienden. Het kwam wellicht door al die nieuwe gezichten. ‘Tallanvor,’ zei ze tot haar eigen verbazing. Het was een lange, goedgebouwde jonge man, maar ze wist niet waarom ze juist zijn naam nog kende. Had hij niet eens iemand bij haar gebracht? Lang geleden? ‘Gardeluitenant Martyn Tallanvor.’
Hij wierp een blik op haar, verbazend onbeschaamd, eer hij zijn ogen weer op het tapijt richtte. ‘Mijn koningin, vergeef me, maar ik ben verbaasd dat u hier bent, gegeven het nieuws van vanochtend.’
‘Welk nieuws? Het zou fijn zijn eens iets anders te horen dan Alteima’s geroddel over het Tyreense hof. Soms voelde ze dat ze de vrouw nog iets anders wilde vragen, maar ze roddelden slechts en ze kon zich niet herinneren dat ze dat ooit eerder had gedaan. Gaebril leek het leuk te vinden naar hen te luisteren, wanneer hij in die hoge stoel vlak voor de haard zat, met zijn enkels over elkaar gekruist en een tevreden glimlach rond zijn lippen. Alteima was er de laatste tijd toe overgegaan tamelijk gewaagde gewaden aan te trekken; Morgase zou daar iets van zeggen. Vaag leek ze zich te herinneren dat ze dat eerder had bedacht. Onzin. Als ik dat had gedacht, zou ik het al hebben gezegd. Ze schudde het hoofd en besefte dat ze geen aandacht meer had geschonken aan de jonge luitenant, die was gaan vertellen en had gezwegen toen hij zag dat ze niet luisterde. ‘Vertel het nog een keer. Ik was afgeleid. En sta op.’
Hij stond op met een boos gezicht en zijn ogen keken haar fel aan voor hij ze neersloeg. Ze zag waarnaar hij had gekeken en bloosde; haar gewaad was zeer laag gesneden. Maar Gaebril hield ervan als ze zich zo kleedde. Met die gedachte bekommerde ze zich er verder niet om dat ze bijna naakt voor een van haar gardisten zat. ‘Maak het kort,’ zei ze afgemeten. Hoe durft hij me zo aan te kijken! Hij dient de zweep te krijgen. ‘Welk nieuws is zo belangrijk dat je meent zomaar mijn vertrekken binnen te kunnen komen alsof het een taveerne is?’ Zijn gezicht verduisterde, maar of dat van gepaste verlegenheid kwam of van groeiende boosheid, kon ze niet zeggen. Hoe durft hij! Boos te zijn op zijn koningin. Denkt de man dat mijn werk alleen bestaat uit naar hem te luisteren?
‘Opstand, mijn koningin,’ zei hij vlak en elke gedachte aan boosheid en blikken verdween.
‘Waar?’
‘In Tweewater, mijn koningin. Iemand heeft de oude banier van Ma netheren gehesen, de Rode Adelaar. Er is vanmorgen een boodschapper uit Wittebrug aangekomen.’
Morgase trommelde met haar vingers op het boek. Haar gedachten leken helderder dan ze mogelijk al een heel lange tijd geweest waren. Iets over Tweewater, een vonkje dat ze niet tot leven kon blazen, rukte aan haar geheugen. Dat gewest maakte eigenlijk amper deel uit van Andor en zo was het al vele geslachten geweest. Zij en de drie vorige koninginnen hadden de grootste moeite gehad enige macht over de mijnen en smelterijen in de Mistbergen te behouden en zelfs dat beetje zou verloren zijn gegaan als er, behalve door Andor, een andere weg voor uitvoer van de metalen had bestaan. Een keuze tussen het behoud van de mijnen met goud, ijzer en andere metalen of de wol en tobak van Tweewater was geen moeilijke geweest. Maar een wilde opstand, ook een opstand in een deel van haar rijk dat ze alleen volgens de kaart regeerde, kon als een bosbrand uitslaan naar andere streken die feitelijk de hare waren. En dan Ma netheren, ten onder gegaan in de Trollok-oorlogen. Manetheren, van de legenden en verhalen, nam in de gedachten van sommige mannen nog steeds een grote plaats in. Bovendien, Tweewater was van haar. Mogelijk was het al veel te lang met rust gelaten en zijn eigen gang gegaan, maar het bleef een deel van haar rijk. ‘Is heer Gaebril op de hoogte?’ Natuurlijk was hij dat niet. Hij zou met dat nieuws naar haar toe zijn gekomen en hebben voorgesteld hoe ze het op moest lossen. Zijn voorstellen waren altijd heel goed. Vóórstellen? Op de een of andere manier leek ze zich te herinneren dat hij haar vertelde wat ze moest doen. Dat was natuurlijk on denkbaar.