Выбрать главу

‘Inderdaad, mijn koningin.’ Tallanvors stem klonk vlak, maar op zijn gezicht smeulde nog een trage woede. ‘Hij lachte. Hij zei dat Tweewater een bron van problemen leek en dat hij er op een dag iets aan zou moeten doen. Hij zei dat deze onbelangrijke kwelling op z’n beurt moest wachten tot de belangrijkere zaken waren afgehandeld.’ Het boek viel toen ze opsprong, en ze meende Tallanvor grimmig te vreden te zien glimlachen toen ze langs hem heen stormde. Een dienst meid vertelde waar ze Gaebril kon vinden en ze beende onmiddellijk naar de Zuilenhof met de marmeren fontein waarin onder de lelie bladeren vissen zwommen. Het was daar koeler en er was schaduw. Gaebril zat op de brede witte rand van de fontein, omringd door een groot aantal vrouwen en heren. Ze herkende er minder dan de helft. De donkere vierkante Jarid van Huis Sarand en zijn sluwe blonde vrouwe Elenia. Die onnozele Arymilla van Huis Marne, die haar smeltende bruine ogen altijd wijd open hield om belangstellend te lijken, en de magere Masin met zijn geitenkop, van Huis Caeren, die iedere vrouw zou aanranden die hij ondanks zijn dunne witte haar in het nauw kon drijven. Naean van Huis Arawn, als gewoonlijk met een honende trek die zijn bleke knapheid bedierf, en Lir van Huis Baryn, een dunne lijs van een man die, ongelooflijk maar waar, een zwaard droeg; Karind van Huis Anshar, met diezelfde vlakke blik waarmee zij volgens zeggen drie mannen onder de zoden had weten te krijgen. De anderen kende ze in het geheel niet, maar deze mensen zou ze nooit in het paleis toelaten, alleen bij staatsontvangsten. Ieder van hen had zich bij de Opvolging tegen haar verzet. Elenia en Naean hadden zelf de Leeuwentroon begeerd. Wat haalde Gaebril in zijn hoofd door ze hier te brengen?

‘... de grootte van onze landgoederen in Cairhien, mijn heer,’ zei Arymilla net, half over Gaebril gebogen, terwijl Morgase aan kwam lopen. Geen van hen had meer dan een blik voor haar over. Alsof ze een dienstmeid met de wijn was!

‘Ik wil met je praten over Tweewater, Gaebril. Onder vier ogen.’

‘Het is al afgehandeld, mijn lief,’ zei hij verstrooid, spelend met zijn vingers in het water. ‘Er zijn nu andere zaken die me bezighouden. Ik meende dat je de hitte overdag wat wilde ontlopen door een boek te lezen. Je kunt zoals het nu is, beter naar je vertrekken gaan tot het in de avond wat koeler is.’

Mijn lief. Hij noemde haar ‘mijn lief’ in aanwezigheid van die onderkruipers! Hoe opgetogen ze ook zou zijn om dat van zijn lippen te vernemen wanneer ze alleen waren... Elenia hield haar hand voor haar mond. ‘Ik denk van niet, heer Gaebril,’ zei Morgase koel. ‘U komt nu met me mee. En deze andere mensen zijn mijn paleis uit voor ik hier terugkom of ik verban ze uit Caemlin.’ Hij sprong onverhoeds overeind, een grote man die boven haar uit torende. Ze leek slechts zijn grote donkere ogen te zien; haar huid prikte alsof er een ijzige wind in de hof opstak. ‘Jij vertrekt nu en wacht op me, Morgase.’ Zijn stem klonk als een ver gebulder in haar oren. ‘Ik heb alles afgehandeld wat afgehandeld dient te worden. Ik kom vanavond naar je toe. Je vertrekt nu. Je vertrekt.’ Pas toen ze haar hand ophief om de deurknop van haar zitkamer te pakken, besefte ze waar ze was. En wat er was gebeurd. Hij had haar gezegd weg te gaan en ze was vertrokken. Terwijl ze vol afgrijzen naar de deur staarde, zag ze weer de spottende hoon bij de mannen en het openlijke gelach van enkele vrouwen. Wat is er met me gebeurd? Hoe kon ik zo stapelgek worden op een man?

Nog steeds voelde ze de drang naar binnen te gaan en op hem te wachten. Verdoofd dwong ze zichzelf om om te draaien en weg te lopen. Het kostte moeite. Inwendig kromp ze ineen bij de gedachte aan Gaebrils teleurstelling wanneer hij haar niet zou aantreffen en kromp nog meer ineen toen ze het kruiperige daarvan inzag.

Aanvankelijk had ze geen idee waar ze heen ging en waarom, alleen dat ze niet gehoorzaam wilde wachten, niet op Gaebril, op geen enkele man of vrouw ter wereld. Steeds weer kwam de binnenhof met de fontein in haar gedachten, zijn woorden dat zij moest gaan en die hatelijke, vermaakte ogen. Haar geest leek een dichte mist. Ze kon niet vatten hoe of waarom ze dit kon laten gebeuren. Ze moest aan iets denken wat ze begreep, iets wat ze kon oplossen. Jarid Sarand en de anderen.

Toen ze de troon had bestegen, had ze elk van hen haar pardon geschonken voor alles wat ze tijdens de Opvolging hadden gedaan, zo als ze dat aan alle tegenstanders had gegeven. Het leek het beste alle vijandelijkheden te begraven, voordat ze plannetjes zouden beramen of zouden samenzweren, wat zoveel naties had besmet. Het Spel der Huizen werd het genoemd – Daes Dae’mar of het Grote Spel – en het had geleid totteindeloze, ingewikkelde vetes tussen de Hui zen, tot het afzetten van vorsten en vorstinnen. Het Spel was de boze kern van de burgeroorlog in Cairhien en het had ongetwijfeld een rol gespeeld in de onrust die Tarabon en Arad Doman in zijn greep had. Het pardon had aan iedereen geschonken moeten worden om te voorkomen dat Daes Dae’mar in Andor de kop op zou steken, maar als ze er enkele niet had hoeven te ondertekenen, dan hadden juist die zeven pardons er niet bij gezeten.

Gaebril wist dat. Openlijk had ze haar ongenade nooit willen uiten, maar tegen hem persoonlijk had ze haar wantrouwen wel uitgesproken. Ze had hen voor de eed van trouw de bek moeten open breken en ze had de leugen in hun mond herkend. Ieder van hen zou elke kans aangrijpen om haar te vernederen en alle zeven bij elkaar... De slotsom was voor haar duidelijk: Gaebril was tegen haar aan het samenzweren. Het kon niet zijn om Elenia of Neaen op de troon te zetten.

Niet wanneer hij mij als een schoothondje laat optreden, dacht ze verbitterd. Hij was van plan haar plaats in te nemen. Hij wilde koning worden, de eerste koning die Andor ooit had gehad. Nog steeds voelde ze de wens naar haar boek terug te keren en op hem te wachten. Nog steeds verlangde ze naar zijn strelende handen. Pas toen ze de oude gezichten in de gang om haar heen zag, de rimpelige wangen en vele gebogen ruggen, realiseerde ze zich waar ze heen was gelopen. De vleugel met de oudgedienden. Sommige bedienden keerden als ze oud waren terug naar hun familie, maar andere waren al zo lang in het paleis dat ze zich geen ander leven konden voorstellen. Hier hadden ze hun eigen kleine vertrekken, hun eigen overschaduwde tuin en ruime binnenhof. Net als iedere koningin voor haar vulde ze hun toelagen aan met de mogelijkheid voedsel in de keukens te kopen voor minder dan de kostprijs en een behandeling van hun kwalen in de ziekenkamers. Stramme buigingen en wankele knixen volgden haar, samen met het gemompel van ‘het Licht schijne op u, mijn koningin’, ‘het Licht zegene u, mijn koningin’, en ‘het Licht bescherme u, mijn koningin’. Ze beantwoord de hen verstrooid. Ze wist nu waar ze heen ging. Lini’s deur week niet af van de andere deuren aan de gang met een voudige groene tegels, waarin slechts de staande leeuw van Andor was uitgebeiteld. Ze dacht er nooit aan om te kloppen; zij was de koningin en dit was haar paleis. Haar oude verzorgster was er niet, hoewel boven een laag vuurtje in de stenen schouw een waterketeltje hing te stomen, wat betekende dat ze wel gauw zou terugkomen. In de twee smalle kamertjes stonden keurige meubels; het bed was niet volmaakt, de twee stoelen waren recht aangeschoven bij de tafel, waarop precies in het midden een blauwe vaas met een klein bos je groen was neergezet, maar Lini was altijd op netheid gesteld. Morgase had er wat om willen verwedden dat in de kleerkast van haar slaapkamer al haar kleding keurig op kleur of soort was gerangschikt en dat hetzelfde zou gelden voor de pannen in het kastje naast de schouw.