Выбрать главу

Achter de witte muren van de Binnenstad bezat de Nieuwe Stad zijn eigen schoonheid. Hoge slanke torens en koepels die in wit en goud glansden, enorme oppervlaktes van rode pannendaken, binnen de grote buitenwallen met hun wachttorens, lichtgrijs met zilverkleuri geen witte strepen. Brede lanen, die in het midden verdeeld waren door gras en bomen, waren overvol met mensen, karren en rijtuigen. Ze merkte slechts het gras op dat door gebrek aan regen dor was en zocht vastberaden de afgesproken plek.

Door ervaring opgedaan tijdens vroegere uitstapjes koos ze de mensen aan wie ze de weg vroeg zorgvuldig uit. Voornamelijk mannen. Ze wist hoe ze eruitzag, zelfs met dat roet in haar haren, en sommi gevrouwen zouden haar uit jaloersheid de verkeerde richting op sturen. Mannen daarentegen wilden indruk op haar maken en zouden hun hersens pijnigen om het goed uit te leggen, zonder verwaand of ruw te doen. Vrouwen waren vaak beledigd als je ze aansprak, ter wijl zij toch ook te voet waren; mannen veronderstelden dat een vrouw die de weg vroeg nog iets anders in gedachten had. Een kerel met een te grote kin die naalden en spelden verkocht, toon de een grijns en zei: ‘Heeft iemand je ooit verteld dat je als een mijt op de koningin lijkt? Ze heeft er een grote troep van gemaakt, maar ze ziet er knap uit.’

Ze lachte zo rauw en hard dat Lini haar streng aankeek. ‘Bewaar je gevlei voor je vrouw. De tweede straat links, zei je? Dank je. Ook voor je lieve woorden.’

Terwijl ze zich door de menigte drong, verscheen er een frons op haar gezicht. Dat had ze te vaak gehoord. Niet dat van die gelijkenis, maar dat Morgase de zaak in het honderd liet lopen. Blijkbaar had Gae bril de belastingen opgevoerd om zijn soldaten te kunnen betalen, en zij kreeg terecht de schuld. De verantwoordelijkheid lag bij de koningin. Het paleis had ook andere wetten uitgevaardigd, wetten die weinig zinvol waren maar het leven van de mensen verzwaarden. Ze hoorde fluisteren dat Andor nu lang genoeg een koningin had gehad. Gefluister slechts, maar waar één man iets zachtjes waagde te zeggen, dachten tien mensen er hetzelfde over. Het zou wellicht niet eens zo gemakkelijk zijn om de bevolking tegen Gaebril op te zetten. Uiteindelijk vond ze wat ze zocht, een brede herberg van baksteen. Het bord boven de deur toonde een knielende man voor een goud blonde vrouw met de Rozenkroon die haar hand op zijn hoofd leg de. De Koninginnezegen. Als dit haar afbeelding was, leek die niet erg. Haar wangen waren te dik.

Pas toen ze voor de herberg bleef staan, viel het haar op dat Lini stond te hijgen. Ze had snel doorgestapt en de vrouw was niet zo jong meer. ‘Lini, het spijt me. Ik had niet zo hard...’

‘Als ik jou niet meer kan bijhouden, meisje, hoe zal ik dan nog voor Elaynes kinderen kunnen zorgen? Ben je van plan te blijven staan? Trage voeten maken nooit een reis af. Hij zei dat hij in de stal zou zijn.’

De witharige vrouw stapte mompelend verder en Morgase liep met haar mee achterom. Voor ze de stal inging, hield ze haar hand boven haar ogen om naar de zon te kijken. Nog ruim twee uur voor de schemering. Dan zou Gaebril naar haar gaan zoeken, als hij dat al niet aan het doen was.

Tallanvor was niet de enige in de stal met hokken. Toen hij knielde, gekleed in een groenwollen jas met zijn zwaardgordel eroverheen, knielden twee mannen en een vrouw eveneens, zij het wat aarzelend, onzeker of zij het wel was. De stevige kale man met het roze gezicht moest Basel Gil zijn, de herbergier. Een oude leren wambuis, afgezet met metalen schijven, spande zich om zijn middel en hij droeg even eens een zwaard aan de heup.

‘Mijn koningin,’ zei Gil, ‘ik heb al jaren geen zwaard meer gedragen, niet sinds de Aiel-oorlog, maar ik acht het een grote eer als u me zou toestaan u te volgen.’ Hij zou er belachelijk uit moeten zien, maar dat was niet het geval.

Morgase nam de andere twee op. Een beer van een vent in een grove grijze jas, met dikke oogleden, een vaak gebroken neus en littekens op zijn gezicht. Een kleine knappe vrouw van bijna middelbare leeftijd. Ze leek bij de vechtersbaas te horen, maar hij zou nooit haar mooie blauwe gewaad van fijne wol met een hoge kraag heb ben gekocht.

De kerel voelde wat ze dacht, hoe lui hij ook keek. ‘Ik ben Langwin, mijn koningin, en een goede man van de koningin. Het is niet juist wat er is gedaan en het moet worden rechtgezet. Ik wil u ook volgen. Ik en Breane. Allebei.’

‘Sta op,’ beval ze. ‘Het zal nog enkele dagen duren voor jullie mij weer als koningin kunnen erkennen. Ik ben blij met uw gezelschap, baas Gil, en met u, baas Langwin, maar het zal voor deze vrouw veiliger zijn als ze in Caemlin blijft. Er liggen zware dagen in het ver schiet.’

Breane borstelde wat strootjes van haar rok, keek haar scherp aan en Lini nog scherper, ik heb zware dagen gekend,’ zei ze met een Cairhiense tongval. Van hoge geboorte, of Morgase had het mis, en een vluchtelinge. ‘En nooit heb ik zo’n goede man als Langwin gevonden. Nou ja, hij vond mij. De trouw en liefde die hij voor u koestert, heb ik tienmaal meer voor hem. Hij volgt u, maar ik volg hem. Ik blijf niet achter.’

Morgase haalde diep adem en stemde met een knikje in. De vrouw leek het trouwens heel gewoon te vinden. Een goede kiem voor het leger dat haar troon moest herwinnen: een jonge gardist die haar regelmatig kwaad aankeek, een kalende herbergier die volgens haar in geen twintig jaar op een paard had gezeten, een straatvechter die half leek te slapen en een gevluchte Cairhiense vrouwe die Morgase te verstaan had gegeven dat ze alleen trouw aan de rabauw was. En Li ni, uiteraard, die haar behandelde alsof ze nog in de kinderkamer speelde. O, inderdaad, een heel goede kiem.

‘Waar gaan we heen, mijn koningin?’ vroeg Gil terwijl ze de reeds gezadelde paarden de stal uitleidden. Langwin was verrassend snel een paard voor Lini aan het zadelen.

Morgase besefte dat ze het nog niet had overwogen. Licht, maakt Gaebril mijn hoofd nog steeds mistig? Ze bleef de aandrang voelen naar haar zitkamer terug te keren. Nee, hij was het niet. Ze had te veel aan haar vlucht uit het paleis gedacht en aan deze herberg. Vroeger zou ze eerst naar Ellorien zijn gegaan, maar Pellivar of Arathelle kon ook, maar dan moest ze eerst bedenken hoe ze hun verbanning ongedaan kon maken.

Voor ze haar mond had kunnen openen, opperde Tallanvor: ‘Eerst Garet Brin, dat moet wel. Er bestaan bij de grote Huizen veel nare gevoelens over u, mijn koningin, maar als Brin u volgt, zullen ze hun bondgenootschap wederom willen hernieuwen, al is het maar omdat ze weten dat hij elke veldslag kan winnen.’

Ze klemde haar tanden op elkaar, zodat ze dit voorstel niet zou af wijzen. Brin was een verrader. Maar hij was ook een van de beste generaals van deze tijd. Zijn aanwezigheid zou een overtuigende reden zijn, wanneer ze Pellivar en de anderen moest laten vergeten dat zij hen had verbannen. Goed dan. Ongetwijfeld zou hij met twee handen de kans aangrijpen weer kapitein-generaal van de koninginne garde te kunnen worden. En als dat niet zo was, kon ze het best alleen af.

Toen de zon de verre kim raakte, waren ze vijf span buiten Caemlin en reden ze in galop naar Korense Bronnen.

Padan Fajin voelde zich ’s nachts het meest op zijn gemak. Terwijl hij door de met tapijten beklede gangen van de Witte Toren schuifelde, leek het of de duisternis buiten een mantel vormde die hem voor zijn vijanden verborg, ondanks de hoge staande lampen, verguld en met spiegel, die zijn weg verlichtten.

Hij wist dat het bedrog was; hij had overal vele vijanden. Ook op dit ogenblik, op ieder moment dat hij wakker was, voelde hij Rhand Altor. Niet waar hij was, maar dat hij in leven was, ergens. Nog in leven. Dat hij Rhand bewust kon voelen, was een gave die hij in Shayol Ghul had ontvangen, in de Doemkrocht.