Выбрать главу

Zijn geest vluchtte weg voor wat er met hem in de krocht was gebeurd. Hij was daar gezuiverd, opnieuw gemaakt. In Aridhol echter, later, was hij herboren. Herboren om oude en nieuwe vijanden te vernederen.

Hij voelde nóg iets, terwijl hij door de lege nachtelijke gangen van de Toren sloop, iets van hem, een voorwerp dat hem ontnomen was. Hij werd nu door een intenser verlangen gedreven dan zijn verlangen naar Altors dood of de verwoesting van de Toren, of zelfs naar wraak op een oude vijand. Een honger zich weer héél te voelen. De zware houten deur had dikke scharnieren en ijzeren banden, met een zwaar ijzeren slot zo groot als zijn hoofd. Er waren weinig deuren in de Toren die ooit werden afgesloten – wie zou uit stelen gaan temidden van zoveel Aes Sedai? – maar er bestonden voorwerpen die de Toren te gevaarlijk vond om zomaar ergens te laten liggen. Het gevaarlijkste van alles bewaarden ze achter deze deur, veilig achter een zwaar slot.

Zacht giechelend pakte hij twee dunne, gebogen metalen staafjes uit zijn jaszak, stak ze in het sleutelgat, voelde, drukte en draaide. Met een trage klik schoot de lip terug. Heel even hing hij half tegen de deur, schor lachend. Veilig achter een zwaar slot. Omgeven door de macht van de Aes Sedai en veilig achter een zwaar slot. Zelfs de die naren en Novices zouden hun taken op dit tijdstip af hebben, maar iemand kon nog wakker zijn, kon gewoon langskomen. Af en toe naschokkend van pret, stopte hij de staafjes in zijn zak en haalde er een kaars van bijenwas uit, die hij aan een ganglamp aanstak. Hij hield de kaars op, sloot de deur achter zich en keek rond. Aan alle muren hingen planken met daarop gewone kisten, kleine beeldjes van been en met ivoor of donkerder materiaal ingelegde opberg kisten in allerlei groottes en maten. Er stonden voorwerpen van me taal, glas en kristal die in het kaarslicht flonkerden. Niets leek gevaarlijk en overal lag stof; zelfs de Aes Sedai kwamen hier zelden en gaven niemand toestemming de ruimte te betreden. Wat hij zocht, trok hem aan.

Op een plank ter hoogte van zijn middel stond een kist van donker metaal. Hij maakte hem open, waardoor loden waanden van ander half duim dik zichtbaar werden, die nog net genoeg ruimte boden voor een kromme dolk in een gouden schede met een grote robijn op de greep. Het waren niet het goud en de bloeddonkere fonkelen de robijn die hij belangrijk vond. Haastig liet hij hete was op de plank druppelen om er de kaars in te drukken en graaide de dolk naar zich toe.

Een diepe zucht ontsnapte hem toen hij hem voelde en loom streel de. Hij was weer heel, één met wat hem zo lang geleden had gebonden, één met wat hem feitelijk leven had gegeven. De ijzeren scharnieren piepten zacht en hij schoot op de deur af, waarbij hij het kromme lemmet ontblootte. De bleke jonge vrouw die de deur opende, had slechts tijd om met opengesperde mond te proberen weg te springen, voor hij haar wang openlegde. In dezelfde beweging liet hij de schede vallen, greep hij haar arm en slinger de haar langs zich heen de opslagruimte in. Hij stak zijn hoofd buiten de deur en keek links en rechts de gang in. Nog steeds leeg. Hij nam de tijd voor hij zijn hoofd terugtrok en de deur weer sloot. Hij wist wat hij achter zich zou zien.

De jonge vrouw lag krimpend en schokkend op de stenen vloer en probeerde vergeefs te gillen. Haar handen klauwden aan haar reeds onherkenbare gezicht, dat zwart en opgezet was. De donkere zwelling trok als dikke olie al door naar haar schouders. Haar sneeuw witte rok met zeven kleuren aan de onderzoom bewoog wild, terwijl haar voeten zinloos rondtrapten. Hij likte een druppel bloed van zijn hand en giechelde toen hij de schede opraapte. ‘Je bent een dwaas.’

Hij tolde rond en graaide naar de dolk, maar de lucht om hem heen leek een muur te vormen die hem van nek tot voetzolen omhulde. Hij hing op de punten van zijn tenen, de dolk klaar om toe te steken, terwijl hij Alviarin aanstaarde, die de deur sloot en ertegenaan ging staan om hem op te nemen. Ditmaal was er geen gepiep geweest. Het zachte geschraap van de muiltjes van het stervende meisje kon dat nooit hebben overstemd. Hij knipperde het zweet weg dat op eens in zijn ogen stak.

‘Dacht je echt,’ vervolgde de Aes Sedai, ‘dat er geen bewaking op de ze deur zat, of dat er geen wacht werd gehouden? Er was een ban op dat slot geplaatst. De taak van die zottin was om er vannacht op te letten. Als ze had gedaan wat er van haar werd verwacht, zouden een tiental zwaardhanden en evenveel Aes Sedai nu buiten deze deur staan. Zij betaalt de prijs voor haar stommiteit.’ Het gestommel achter hem verstilde en hij kneep zijn ogen toe. Alviarin was niet van de Gele Ajah, maar desondanks had ze een po ging kunnen doen de jonge vrouw te helen. En ze had ook de nood klok niet geluid, wat het meisje had moeten doen, anders zou ze hier niet alleen zijn. ‘Jij bent van de Zwarte Ajah,’ fluisterde hij. ‘Een gevaarlijke beschuldiging,’ zei ze kalm. Het was niet duidelijk voor wie van hen dat gevaarlijk was. ‘Siuan Sanche probeerde te beweren dat de Zwarte Ajah echt bestond toen ze werd ondervraagd. Ze smeekte het ons te mogen vertellen. Elaida wilde er niet van horen en wil dat nog steeds niet. Verhalen over Zwarte Ajah zijn smerige laster over de Toren.’

‘Jij bent van de Zwarte Ajah,’ zei hij harder.

‘Je wilde dat stelen?’ Het klonk of hij niets had gezegd. ‘De robijn is het niet waard, Fajin, of hoe je naam ook is. Dat wapen is zo besmet dat alleen een dwaas het zou aanraken zonder een tang te gebruiken of er een tel langer bij te blijven dan noodzakelijk is. Je ziet wat het met Verine heeft gedaan. Dus waarom ben je hier gekomen en recht afgegaan op iets waarvan jij de bewaarplaats niet zou moeten kennen? Je kunt niet de tijd hebben gehad te zoeken.’ ik kan Elaida voor je ombrengen. Een aanraking hiermee en zelfs Heling kan haar niet helpen.’ Hij probeerde met de dolk te gebaren, maar kon hem niet bewegen. Als dat wel had gekund, zou Alviarin nu dood zijn geweest. ‘Je kunt de hoogste in de Toren worden, in plaats van de tweede.’

Ze lachte hem koel en minachtend uit. ‘Dacht je dat ik niet de hoogste kon zijn als ik dat wilde? Tweede komt me uitstekend uit. Laat Elaida maar aanspraak maken op wat ze goede resultaten noemt en zweten voor haar falen. Ik weet waar de macht ligt. Nou, beant woord mijn vragen of hier worden morgenochtend twee lijken gevonden in plaats van een.’

Er zouden er in ieder geval toch twee liggen; of hij haar met gepaste leugens zou antwoorden of niet, ze was niet van plan hem in leven te laten, ik heb Thakan’dar gezien.’ Dat te zeggen, deed pijn. De herinneringen die het met zich meebracht, waren dodelijke vrees en pijn. Hij weigerde te snikken en perste de woorden eruit. ‘De grote zee van mist, rollend en in stilte stukslaand tegen de zwarte rotsen; de gloeiende, rode vuren van de smidse in de diepten en weer licht dat opflitst naar een hemel, dat mensen waanzinnig maakt.’ Hij wilde niet verder praten, maar dwong zich het te doen. ‘Ik heb het pad begaan dat naar de buik van Shayol Ghul voert, de lange weg omlaag, waar stenen als slagtanden mijn hoofd schaafden, naar de oever van een meer van vuur en gesmolten rotsen...’ Nee, niet weer! ‘... dat de Grote Heer van het Duister in eindeloze diepten behoudt. De hemelen boven Shayol Ghul zijn ’s middags zwart van zijn adem.’ Alviarin stond nu kaarsrecht, haar ogen kogelrond. Niet van vrees, maar onder de indruk, ik heb erover...’ begon ze zachtjes, verman de zich en staarde hem doordringend aan. ‘Wie ben jij? Waarom ben je hier? Heeft een van de Verza... Uitverkorenen jou gestuurd? Waar om ben ik niet ingelicht?’

Hij gooide zijn hoofd achterover en lachte. ‘Dienen de taken van mij en mijn gelijken aan jou of je gelijken bekend te zijn?’ De klanken van zijn geboortestad Lugard waren nu duidelijk hoorbaar; in zekere zin was het zijn geboortestad. ‘Vertrouwen de Uitverkorenen jou dan alles toe?’ Iets binnen in hem leek te willen schreeuwen dat dit niet de manier was, maar hij haatte de Aes Sedai en dat iets binnen in hem eveneens. ‘Wees voorzichtig, mooie kleine Aes Sedai, of ze schenken jou als speeltje aan een Myrddraal.’ Haar woeste blik priemde als een ijspegel in zijn ogen. ‘We zullen zien, baas Fajin. Ik zal de troep die je gemaakt hebt, opruimen, en dan zullen we eens kijken wie van ons bij de Uitverkorenen hoger staat.’ Ze wierp een blik op de dolk en liep achteruit de kamer uit. De lucht om hem heen werd pas zachter toen ze al heel lang weg was.