Выбрать главу

Zwijgend grauwde hij in zichzelf. Dwaas. Het spelletje van de Aes Sedai meespelen, voor hen kruipen, en dan een ogenblik van woede om alles kapot te maken. Hij liet de dolk terugglijden in de schede, sneed zichzelf en likte de wond voor hij het wapen onder zijn jas liet glijden. Hij was in het geheel niet degene die zij dacht. Eens was hij een Duistervriend geweest, maar dat was hij nu ontstegen. Hij was verder gegaan, erboven gegaan. Iets anders. Iets meer. Als het haar lukte met een Verzaker te spreken voor hij haar om kon brengen... Hij kon het maar beter niet proberen. Hij had geen tijd meer om de Hoorn van Valere te zoeken. Er stonden volgelingen buiten de stad op hem te wachten. Ze zouden daar nog steeds staan. Hij had hun angst aangejaagd. Hij hoopte dat er nog enkele mensen in leven zouden zijn.

Voor zonsopgang was hij de Toren uit, het eiland Tar Valon af. Ergens daarginds was Rhand Altor. En hij was weer heel.

20

De Jangai-pas

Onder de hoge dreiging van de Rug van de Wereld leidde Rhand Jeade’en de rotsige helling op van de eerste heuvel die naar de Jangai pas leidde. De Drakenmuur boorde zich de hemel in, maakte de andere bergen laag en de sneeuwtoppen tartten de gloeiende middagzon. De hoogste bergkam verhief zich fier boven de wolken, die de Woestenij bespotten met beloften van regen die nooit zou vallen. Rhand kon zich niet voorstellen waarom iemand een berg wilde beklimmen. Men zei dat mannen die die hoogten hadden geprobeerd te over winnen, niet in staat geweest waren adem te halen en bevangen van vrees waren omgekeerd. Hij kon best geloven dat iemand de adem werd benomen bij een poging zo hoog te klimmen. ‘... maar hoewel de Cairhienin geheel opgaan in het Spel der Hui zen,’ zei Moiraine naast hem, ‘zullen ze je volgen zolang ze weten dat je sterk bent. Wees bij hen vastbesloten, maar ik zou je ook willen vragen eerlijk te zijn. Een heerser die echt gerechtigheid...’ Hij probeerde haar te negeren, net als de andere ruiters en het gekraak en lawaai van Kaderes wagens, die achter hem moeizaam voortrolden. De gebarsten kloven en geulen van de Woestenij waren overwonnen, maar deze hobbelige stijgende heuvels waren bijna even ruw en weinig beter voor de wielen. Niemand had de laatste twintig jaar dit pad begaan.

Telkens als ze de kans kreeg, praatte Moiraine op die manier tegen hem vanaf de dageraad tot zonsondergang. Haar lessen konden over kleine dingen gaan, kleinigheden over hoffelijk gedrag in bijvoor beeld Cairhien, Saldea of ergens anders – of over grote: over de po litieke invloed van de Witmantels of misschien de gevolgen op de handel na een besluit van de vorst om ten oorlog te trekken. Het leek of ze ervoor wilde zorgen dat hij even behoorlijk werd opgeleid als een edelman, of dat tenminste zou zijn als ze aan de andere kant van de bergen stonden. Tot zijn verbazing hoorde hij in haar woorden vaak gedachten weerspiegeld die iedereen thuis in Emondsveld gewoon gezond verstand zou hebben genoemd. En even vaak was dat niet het geval.

Af en toe bracht ze iets schokkends naar voren; bijvoorbeeld dat hij geen enkele vrouw van de Witte Toren mocht vertrouwen, met uit zondering van haarzelf, Egwene, Elayne en Nynaeve; of het nieuws dat Elaida nu de Amyrlin Zetel was. Wel of geen eed van gehoor zaamheid, ze wilde hem niet zeggen hoe ze dat wist. Ze zei dat ie mand anders dat behoorde te vertellen, maar dat zoiets de keus van die ander was. Het was haar geheim en dat mocht ze niet schenden. Hij vermoedde een droomloopster bij de Wijzen, hoewel die hem recht in de ogen hadden gekeken en hadden geweigerd dit te bevestigen of ontkennen. Hij zou hen graag dezelfde eed als Moiraine willen laten afleggen. De Wijzen kwamen voortdurend tussenbeide, als of ze wilden dat hij met hun hulp alles aan de stamhoofden zou vertellen.

Juist op dit moment wilde hij niet aan Elaida en de Wijzen denken, of naar Moiraine luisteren. Hij wilde de pas voor hem bekijken, een diepe kloof die zich de bergen in boog, alsof een botte bijl er her haaldelijk op had ingehakt, maar er nooit in was geslaagd erdoor heen te komen. Een paar minuten snel doorrijden, en hij was er. Naast de toegang tot de pas rees een steile, gekloofde rotswand op, gladgemaakt en honderd pas breed, met ervoor een door de wind verweerde slang die zich rond een ruim driehonderd span hoge staf wikkelde. Een monument, een wegwijzer of het zegel van een heerser; het stamde zeker uit een of ander verdwenen land van voor Artur Haviksvleugel, misschien wel van voor de Trollok-oorlogen. Hij had eerder overblijfselen gezien van naties die reeds lang waren on dergegaan. Vaak wist zelfs Moiraine niet uit welke tijd ze stamden. Hoog aan de andere kant, zo ontzettend hoog dat hij niet zeker wist of hij het wel goed zag, vlak onder de sneeuwgrens, stond iets dat nog vreemder was. Iets dat dit eerste monument van enkele duizenden jaren oud gewoontjes maakte. Hij zou hebben gezworen dat het de overblijfselen waren van verwoeste gebouwen, grijs glanzend tegen de donkere berg. Nog vreemder was iets van hetzelfde materi aal, wat een haven leek te zijn en dronken half tegen de berghelling aanlag. Als hij het zich niet verbeeldde, was dit nog van vóór het Breken. Het aanzien van de wereld was in die jaren volkomen veranderd. Hier kon vroeger heel goed de bodem van een oceaan hebben gelegen. Hij zou het Asmodean moeten vragen. Zelfs als hij er de tijd voor had gehad, dacht hij niet dat hij naar die hoogte wilde klimmen om het met eigen ogen te aanschouwen.

Aan de voet van de enorme slang lag Taien, een middelgroot stad je met hoge muren, overblijfsel uit de tijd dat Cairhien karavanen door het Drievoudige Land mocht sturen en de rijkdom uit Shara over het Zijdepad kwam aanstromen. Vogels leken boven de stad te kringelen en op regelmatige afstanden bevonden zich donkere plekken op de grijsstenen muren. Mart stond rechtop in zijn stijgbeu gels, zijn ogen tuurden vanuit de schaduw van zijn breedgerande hoed de pas in. Lans harde gezicht liet totaal niets blijken, maar toch leek ook hij gespannen; een vlaagje wind, hier iets koeler, deed zijn mantel opwaaien en heel even leek hij van zijn schouders tot aan zijn laarzen op te gaan in de rotsige heuvels en spaarzame doorn struiken.

‘Luister je naar me?’ zei Moiraine opeens en stuurde haar witte merrie dichter naar hem toe. ‘Je moet...’ Ze haalde diep adem. ‘Alsje blieft, Rhand. Er is zoveel dat ik je moet vertellen, zoveel dat je hoort te weten.’

Er lag iets smekends in haar stem, waardoor hij haar aankeek. Hij kon zich de tijd herinneren dat haar aanwezigheid diepe indruk op hem maakte. Nu leek ze ondanks haar koninklijke uiterlijk heel klein. Dwaas dat hij iets beschermends voor haar voelde. ‘We hebben meer dan genoeg tijd, Moiraine,’ zei hij zacht, ik wil niet beweren dat ik zoveel van de wereld weet als jij. Ik ben van plan je dicht bij me in de buurt te houden.’ Hij besefte amper hoe groot het verschil was met toen zij hém in haar buurt wilde houden. ‘Maar nu moet ik me met iets anders bezighouden.’

‘Natuurlijk.’ Ze zuchtte. ‘Zoals je wenst. We hebben nog ruimschoots de tijd.’

Rhand spoorde zijn appelschimmel aan tot een draf en de anderen volgden. De wagens versnelden eveneens, hoewel ze hen op de helling niet bij konden houden. De lapjesmantel van Asmodean – Jasin Natael – golfde achter hem aan, net als de banier die hij in zijn stijg beugel had, felrood met het zwart-witte teken van de Aes Sedai in het midden. Zijn gezicht stond misnoegd. Hij vond het in het geheel niet prettig banierdrager te zijn. Onder dat teken zal hij veroveren, zei de Voorspelling van Rhuidean, en misschien zou het de wereld niet zoveel vrees aanjagen als de Drakenbanier, de banier van Lews Therin, die hij op de Steen van Tyr had achtergelaten. Weinigen zouden dit teken kennen.