Выбрать главу

De vlekken op de muren van Taien waren lijken, verkrampt in hun laatste doodsstrijd, opgezwollen door de zon. Ze waren naast elkaar opgehangen, een lugubere kring die waarschijnlijk om de hele stad liep. De vogels waren glanzende zwarte raven en aasgieren met smerige koppen en nekken. Sommige raven bleven gulzig in de lijken pikken en trokken zich weinig van de nieuwkomers aan. De ziekelijk zoete stank van bederf en een bijtende brandlucht hingen in de droog te. De met ijzeren banden beslagen poorten stonden wijd open naar een ruimte van bouwvallen, met roet besmeurde stenen huizen on der ingestorte daken. Alleen de vogels bewogen. Net als Mar Ruois.

Hij probeerde het van zich af te schudden, maar in gedachten zag hij de stad nadat die was heroverd, zijn immense torens zwart en ingestort, de resten van enorme branden op ieder kruispunt waar de bewoners die geweigerd hadden de Schaduw te volgen, levend in de vlammen waren geworpen. Hij wist wiens geheugen het moest zijn, hoewel hij het niet met Moiraine had besproken.

Ik ben Rhand Altor. Lews Therin Telamon is al drieduizend jaar dood. Ik ben mezelf!

Dat was een strijd die hij van plan was te winnen. Als hij bij Shayol Ghul zou moeten sterven, wilde hij als zichzelf sterven. Hij dwong zichzelf aan iets anders te denken.

Een halve maand was verstreken na Rhuidean. Een halve maand, hoewel de Aiel er van zonsopgang tot zonsondergang flink de pas in hadden gezet, wat zelfs de paarden uitputte. Maar Couladin was al een week op mars voor hij het had vernomen. Als het hen niet was gelukt op hem in te lopen, zou hij de tijd krijgen Cairhien te ver woesten voordat Rhand er kon zijn. Nog lang voor de Shaido konden worden verslagen. Ook deze gedachte stemde hem niet blij. ‘Aan de linkerzijde houdt iemand tussen de rotsen ons in het oog,’ zei Lan kalm. Hij leek volledig op te gaan in het bekijken van de resten van Taien. ‘Geen Aiel, anders zou ik er geen glimpje van hebben opgevangen.’

Rhand was blij dat hij Egwene en Aviendha bij de Wijzen had achtergelaten. De stad gaf hem een tweede reden, maar de toeschouwer paste in zijn oorspronkelijke plan, toen hij nog hoopte dat Taien aan zijn lot had kunnen ontsnappen. Egwene droeg nog steeds dezelfde Aielkleren als Aviendha en de Aiel zouden niet erg welkom zijn in Taien. Dat zou onder de overlevenden nog minder het geval zijn. Hij keek om toen de karavaan op korte afstand achter hem op de berghelling tot stilstand kwam. Hij hoorde de voerlieden onder el kaar mompelen toen ze de stad en wat er aan de muren hing duidelijk konden zien. Kadere, zijn forse gestalte vandaag geheel in het wit, depte met een grote doek zijn haviksneus. Hij leek onverstoord en klemde alleen peinzend zijn lippen op elkaar. Rhand rekende er eigenlijk op dat Moiraine nieuwe voerlieden zou moeten zoeken als ze de pas uit kwamen. Kadere en zijn groep zouden waarschijnlijk de eerste de beste kans aangrijpen om ervandoor te gaan. En hij zou hen moeten laten gaan. Het was niet juist – het was onrechtvaardig – maar hij diende Asmodean te beschermen. Hoe lang deed hij nu al wat noodzakelijk was en niet wat rechtvaardig was? In een eerlijke wereld zouden ze precies hetzelfde zijn. Hij moest erom lachen, een schor fluitend geluid. Hij had niet veel meer weg van de vroegere dorpsjongen, maar soms kwam die even tot leven. De anderen keken hem aan en hij bedwong de neiging hen te zeggen dat hij nog niet krankzinnig was.

Het duurde lang voor er twee mannen zonder jas en een vrouw tussen de rotsen verschenen, alle drie haveloos, vervuild en blootsvoets. Ze kwamen weifelend naderbij en hielden de hoofden bezorgd scheef. Hun ogen schoten van ruiter naar ruiter, naar de wagens en weer te rug, alsof ze er bij de eerste schreeuw vandoor zouden gaan. Inge vallen wangen en onzekere stappen spraken van honger. ‘Het Licht zij dank,’ zei een van de mannen eindelijk. Hij had grijs haar – geen van drieën was jong – en had diepe rimpels in zijn gezicht. Zijn ogen bleven even op Asmodean rusten, met het vele kant rond de polsen en de hals, maar de leider van deze karavaan zou geen muildier berijden en een banier dragen. Hij greep angstig Rhands stijgbeugel beet. ‘Het Licht zij geprezen dat u levend uit die verschrikkelijke landen bent gekomen, heer.’ Het kon zijn vanwege de blauwzijden jas van Rhand, met het borduurwerk van goud op de schouders, of vanwege de banier, of gewoon vleierij. De man had geen enkele reden aan te nemen dat zij geen kooplieden waren, al droegen ze dure kleren. ‘Die bloeddorstige wilden zijn weer in beweging gekomen. Een nieuwe Aiel-oorlog. Voor we het wisten kwamen ze ’s nachts de muren over en doodden iedereen die een hand durfde te heffen en stalen alles wat niet zat vastgemetseld.’

‘Midden in de nacht?’ zei Mart scherp. Met zijn hoed diep omlaag getrokken, nam hij nog steeds aandachtig de bouwvallen op. ‘Stonden jullie schildwachten te slapen? Jullie hadden zo dicht bij de vijand toch wel schildwachten uitgezet? Zelfs voor Aiel zou het moei lijk zijn geweest hier ongezien binnen te komen als jullie goed de wacht hielden.’ Lan schonk hem een goedkeurende blik. ‘Nee, heer.’ De grijze man keek ogenknipperend naar Mart, maar gaf Rhand antwoord. Marts groene jas was mooi genoeg voor een hoge heer, maar stond open en hij leek erin te hebben geslapen. ‘Wij... we hadden alleen een schildwacht bij iedere poort. Het is al zo lang geleden dat iemand ooit een van die wilden heeft gezien. Maar dit maal... Wat ze niet hebben gestolen, hebben ze verbrand. Ze joegen ons de hongerdood in. Smerige beesten! Het Licht zij dank dat u ons komt redden, mijn heer, anders zouden we allen hier gestorven zijn.

Ik Keet Tal Nethin. Ik ben... was zadelmaker. Een goede, mijn heer. Dit is mijn zuster Aril en haar man, Ander Corl. Hij maakt uitste kende laarzen.’

‘Ze hebben ook mensen meegevoerd, mijn heer,’ zei de vrouw schor. Ze was wat jonger dan haar broer en was vroeger misschien knap geweest, maar kwellende zorgen hadden lijnen in haar gezicht geëtst die volgens Rhand nooit meer zouden verdwijnen. Haar man had een lege blik in zijn ogen alsof hij eigenlijk niet wist waar hij was. ‘Mijn dochter en mijn zoon, mijn heer. Ze hebben alle jongeren mee gevoerd, iedereen boven de zestien, en sommigen die wel tweemaal zo oud waren of nog meer. Ze zeiden dat het gaisen waren of zoiets en ze kleedden hen midden op straat uit en leidden ze spiernaakt weg. Mijn heer, kunt u...’ Haar stem stierf weg, haar ogen knepen zich samen toen al dit onmogelijke haar overweldigde en ze zwaai de heen en weer. De kans was klein dat ze haar kinderen ooit zou terugzien.

In een oogwenk was Moiraine uit haar zadel en stond ze naast Aril. De uitgemergelde vrouw zuchtte luid toen de handen van de Aes Sedai op haar rustten, en ze rilde tot in haar tenen. Haar verbaasde ogen richtten zich vragend op Moiraine, maar die hield haar slechts vast alsof ze steun bood.

Opeens snakte haar man naar adem, starend naar de vergulde riem gesp van Rhand, het geschenk van Aviendha. ‘Zijn armen droegen dezelfde tekens. Net zo. Ze liepen helemaal rond zijn arm, als een steenslang.’

Tal keek Rhand onzeker aan. ‘De leider van de wilden, mijn heer. Hij... had net zulke tekens op zijn armen. Hij droeg dezelfde vreemde kleren als de anderen, maar bij hem waren de mouwen afgeknipt om ervoor te zorgen dat iedereen ze zag.’

‘Een geschenk dat ik in de Woestenij heb ontvangen,’ zei Rhand. Hij liet met opzet zijn handen stil op de zadelknop liggen. De mouwen verborgen zijn eigen draken, behalve de koppen die, voor wie goed keek, op de handen zichtbaar waren. Aril vergat zich te verbazen over wat Moiraine had gedaan en alledrie leken op het punt te staan weg te hollen. ‘Hoelang is het geleden dat ze verder zijn getrokken?’

‘Zes dagen, heer,’ zei Tal, niet op zijn gemak. ‘Ze hebben in één dag en één nacht gedaan wat ze hebben gedaan en waren de volgende dag verdwenen. Wij wilden ook weg, maar waren bang hen tegen te komen als ze terugkwamen. Ze zullen bij Selean toch wel zijn te ruggekeerd?’ Dat was de stad aan de andere kant van de pas. Rhand betwijfelde of Selean er op dit moment beter voor stond. ‘Hoeveel overlevenden zijn er, behalve jullie drie?’