Выбрать главу

Gawyn reed als laatste weg en liet zijn paard steigeren om indruk op Eliwys te maken. Hij verdween uit het gezicht en Kivrin voelde zich geweldig opgelucht dat ze haar niet mee naar Godstow hadden genomen. Ze maakte zich niet eens zorgen over het vertrek van Gawyn. Het was nog geen halve dag rijden naar Courcy. Hij kon tegen de avond alweer terug zijn.

Iedereen leek opgelucht te zijn, maar ook een beetje katterig en uitgeput door het gebrek aan slaap. Niemand maakte aanstalten de tafels op te ruimen, die nog vol stonden met vuile borden en halflege schalen. Eliwys liet zich op de hoge stoel zakken, met haar armen slap neerhangend, en keek afwezig naar de rommel. Na een paar minuten riep ze Maisry, die zich niet liet zien. Eliwys liet haar hoofd tegen de bewerkte rugleuning zakken en sloot haar ogen.

Rosemund ging haar slaapplaats opzoeken en Agnes kwam bij Kivrin naast het vuur zitten. Het meisje legde haar hoofd in Kivrins schoot en speelde lusteloos met haar bel.

Alleen vrouwe Imeyne wilde van geen rust weten. ‘Ik wil mijn nieuwe kapelaan horen bidden,’ zei ze. Ze ging de trap op en klopte op de deur.

Zonder haar ogen open te doen wierp Eliwys tegen dat de klerk rust nodig had, maar Imeyne klopte nogmaals hard op de deur. Ze wachtte even en klopte opnieuw, maar er gebeurde niets. Ze kwam naar beneden en knielde onder aan de trap neer om uit haar getijdenboek te lezen en tegelijkertijd de deur in de gaten te houden, zodat ze de klerk meteen kon aanklampen zodra hij uit de bovenkamer kwam.

Agnes tikte met een vinger tegen haar bel en geeuwde.

‘Waarom ga je niet bij je zuster liggen?’ stelde Kivrin voor.

‘Ik ben niet moe.’ Agnes ging rechtop zitten. ‘Je zou me nog vertellen wat er met de maagd gebeurde die van haar vader niet naar het bos mocht.’

‘Alleen als je gaat liggen.’ Kivrin ging verder met haar verhaal en al na twee zinnen was Agnes in slaap.

Het was al laat in de middag toen Kivrin aan Blackie dacht. Iedereen lag te slapen, zelfs Imeyne had haar wake opgegeven en was naar boven gegaan. Maisry was onder een van de tafels gaan liggen en snurkte luid.

Kivrin schoof haar benen voorzichtig onder Agnes’ hoofd vandaan en ging naar buiten om het hondje te begraven. De voorhof was verlaten. Het vreugdevuur op het open veld smeulde nog na, maar er stonden geen mensen meer omheen. Ook de dorpelingen hadden zich te rusten gelegd.

Kivrin haalde Blackie van de hooizolder en ging naar de stal om een houten spade te pakken. Alleen de pony van Agnes stond nog in de stal en Kivrin vroeg zich fronsend af hoe de klerk in Courcy moest komen. Misschien had de gezant toch niet gelogen en was de klerk inderdaad de nieuwe kapelaan, of hij het wilde of niet.

Kivrin ging met de spade en het verstijfde lichaam van het hondje naar de achterzijde van de kerk. Ze legde Blackie op de grond en begon de ijzige sneeuw weg te scheppen.

De grond was letterlijk keihard. De houten spade drong er niet doorheen, zelfs niet toen ze er met twee voeten op ging staan. Ze ging de heuvel op tot bij de bosrand, waar ze de sneeuw wegschepte en Blackie onder het dichte bladerdek aan de voet van een es legde.

Requiescat in pace,’ zei Kivrin, zodat ze tegen Agnes kon zeggen dat Blackie een christelijke begrafenis had gekregen. Ze ging de heuvel weer af.

Kwam Gawyn nu maar terug, dan kon ze hem naar de open plek vragen terwijl de anderen lagen te slapen. Langzaam liep ze terug over het veld en luisterde of ze zijn paard kon horen. Gawyn zou wel over de hoofdweg komen. Ze zette de spade tegen de omheining van het varkenskot en liep langs de muur van het riddergoed naar de poort. Er was geen hoefgetrappel te horen.

Het begon langzaam te schemeren. Als Gawyn niet gauw kwam, zou het te donker zijn om naar het bos te gaan. Over een halfuur zou Vader Roche de klok luiden en iedereen wakker maken voor de vesper. Maar Gawyn zou hoe dan ook eerst naar de stal gaan om zijn paard weg te brengen, ze zou hem daar kunnen aanschieten en vragen of hij haar de volgende ochtend naar het bos wilde brengen.

Of misschien kon hij het haar zo ook wel duidelijk maken, of een kaartje tekenen waarmee ze zelf de weg kon vinden. Dan was ze in het bos niet aan hem overgeleverd en hoefde ze ook niet bang te zijn dat vrouwe Imeyne hem op een nieuwe opdracht zou uitsturen voordat hij de gelegenheid kreeg haar de plaats te wijzen.

Ze bleef bij de poort staan tot ze het koud kreeg, waarna ze langs de muur terugging naar het varkenskot. Op de voorhof was nog niemand te zien, maar bij de deur van de grote zaal trof ze Rosemund, die haar mantel had aangetrokken.

‘Waar ben je geweest?’ vroeg het meisje. ‘Ik heb je overal gezocht. De klerk…’

Kivrin keek haar geschrokken aan. ‘Wat is er met hem? Gaat hij weg?’ Hij was natuurlijk uit zijn roes ontwaakt en vrouwe Imeyne had hem overgehaald haar naar Godstow te brengen.

‘Nee,’ zei Rosemund, die met haar mee naar binnen ging. De grote zaal was leeg. Eliwys en Imeyne waren blijkbaar naar de bovenkamer gegaan. Rosemund legde haar mantel met de broche van heer Bloet af. ‘Hij is ziek. Vader Roche vroeg naar je.’ Ze ging de trap op.

‘Ziek?’ zei Kivrin.

‘Ja. Grootmoeder heeft hem door Maisry wat te eten laten brengen.’

Om hem aan het werk te krijgen, dacht Kivrin. ‘En Maisry merkte dat hij ziek was?’

‘Ja. Hij heeft koorts.’

Hij heeft een kater, dacht Kivrin fronsend. Hoewel Roche toch zeker wel kon zien of iemand te veel gedronken had, ook al zou Imeyne dat niet willen geloven.

Ze kreeg een vreselijke ingeving. Hij had in haar ziekbed gelegen. Als ze hem nu eens had aangestoken?

‘Welke symptomen heeft hij?’ vroeg ze.

Rosemund deed de deur open.

De kamer was bijna te klein. Vader Roche stond bij het bed. Eliwys keek over zijn schouder mee, met een hand op Agnes’ hoofd. Maisry stond angstig af te wachten bij het venster. Vrouwe Imeyne lag op haar knieën aan het voeteneind van het bed, naast haar kistje met kruiden, waaruit ze een naar mosterd en prei stinkend zalfje bereidde. Maar nog sterker was de afschuwelijke stank die de zieke verspreidde.

Agnes was de enige in de kamer die niet bang leek te zijn. Ze keek eerder belangstellend, net als ze bij Blackie had gedaan. Kivrin dacht even dat ze de klerk had aangestoken en dat hij was gestorven, maar dat was idioot. Ze was hier al bijna twee weken en in die tijd was geen van de anderen ziek geworden, zelfs Vader Roche en Eliwys niet, die toch de hele tijd aan haar ziekbed hadden gezeten.

Ze keek naar de klerk. Hij lag op de deken met alleen een lang onderhemd aan. De rest van zijn kleren lag bij zijn voeten en zijn paarse mantel hing op de grond. Zijn hemd van gele zijde hing open, maar Kivrin had geen oog voor zijn onbehaarde borst of voor het hermelijnbont waarmee zijn mouwen waren afgezet. Hij zag er doodziek uit. Zo erg ben ik er nooit aan toe geweest, dacht Kivrin, zelfs niet toen ik op sterven lag.

Ze ging naar het bed. Ze stootte een halfvolle wijnkruik om en de klerk schrok van het geluid. Een tweede kruik, met de stop er nog op, stond bij het hoofdeinde op de grond.

‘Hij heeft te zwaar gegeten,’ zei vrouwe Imeyne, die met haar vijzel en stenen kom in de weer was, maar Kivrin zag dat het geen voedselvergiftiging was. En ondanks de wijnkruiken was het ook geen kwestie van overmatig drankgebruik. Hij was ziek, heel erg ziek.

Hij lag met zijn tong uit zijn mond hijgend adem te halen, net als die arme Blackie. Zijn tong was rood en enigszins gezwollen. Zijn gezicht was nog roder en er lag een verwrongen trek op, alsof hij doodsbang was.

Kivrin vroeg zich af of hij vergiftigd kon zijn. De gezant had in zijn haast om weg te komen bijna Agnes onder de voet gelopen en hij had Eliwys op het hart gedrukt de klerk met rust te laten. In de veertiende eeuw schrokken geestelijken er toch niet voor terug rivalen te vergiftigen? Onverklaarbare sterfgevallen deden zich voor in kloosters en kathedralen. Sterfgevallen die anderen goed uitkwamen.