De geestelijke mompelde iets en Rosemund keek angstig naar hem. ‘Komt hij weer bij?’ vroeg ze aan Eliwys.
‘Nee.’ Eliwys pakte Rosemund bij de hand en bracht haar naar de deur. ‘Breng je zuster naar het haardvuur en blijf bij haar,’ zei ze tegen Agnes.
Agnes nam Rosemund bij de arm en ging met haar de kamer uit. ‘Als de klerk doodgaat, begraven we hem op het kerkhof,’ zei Agnes. ‘Net als Blackie.’
De klerk zag er al halfdood uit met zijn starende ogen. Vader Roche knielde bij hem neer en hees hem over zijn schouder, even gemakkelijk als Kivrin Agnes over haar schouder had getild. Kivrin sloeg snel de deken terug en Roche legde de klerk in bed.
‘We moeten de koorts uit zijn hoofd verdrijven,’ zei vrouwe Imeyne, die verder ging met haar zalfje. ‘Hij heeft koorts gekregen van het eten.’
‘Nee,’ zei Kivrin, die naar de klerk keek. Hij lag op zijn rug, met zijn armen langs zijn lichaam en zijn handpalmen naar boven gekeerd. Zijn dunne hemd was half opengescheurd en zijn linkerarm was helemaal bloot. Kivrin zag een rode bult onder zijn oksel. ‘Nee,’ fluisterde ze.
De bult was vuurrood en bijna zo groot als een ei. Hoge koorts, een gezwollen tong, aandoening van het zenuwstelsel, builen onder de oksel.
Kivrin week terug van het bed. ‘Het kan niet waar zijn. Het moet iets anders zijn.’ Een steenpuist of een zweer. Ze stak haar hand uit en trok de mouw weg van de zwelling.
Vader Roche pakte de rusteloos bewegende handen van de klerk en legde ze op de deken. Kivrin betastte de buil, die hard was. De huid eromheen was paars- en zwartgevlekt.
‘Dat kan niet waar zijn,’ zei ze. ‘Het is pas 1320.’
‘Dit verdrijft de koorts wel.’ Imeyne stond op, de kom met zalf in haar handen. ‘Doe zijn hemd opzij, dan kan ik de zalf op zijn huid smeren.’ Ze ging naar het bed.
‘Nee!’ zei Kivrin. Ze maakte een afwerend gebaar. ‘Blijf daar! U mag hem niet aanraken!’
‘Wat is dat voor praat?’ zei Imeyne. Ze keek naar Roche. ‘Hij heeft alleen maar buikkramp.’
‘Het is geen buikkramp!’ zei Kivrin, naar Vader Roche kijkend. ‘Laat hem los. Hij heeft geen koorts, hij heeft de pest.’
Vader Roche, Imeyne en Eliwys keken haar even stompzinnig aan als Maisry.
Ze weten niet eens wat de pest is, dacht Kivrin radeloos, de Zwarte Dood bestaat nog niet eens. De pest was in 1333 in China begonnen en had Engeland pas in 1348 bereikt. ‘Maar dit is de pest,’ zei Kivrin. ‘Hij heeft alle symptomen. Hij heeft builen, een gezwollen tong en bloeduitstortingen.’
‘Hij heeft alleen maar buikkramp.’ Imeyne duwde Kivrin opzij.
‘Nee!’ zei Kivrin, maar Imeyne bleef al stokstijf staan, de kom met zalf in haar handen.
‘God zij met ons,’ zei Imeyne. Ze deinsde terug van het bed.
‘Is het de blauwe ziekte?’ vroeg Eliwys angstig.
Plotseling drong het tot Kivrin door. De familie was hier niet gekomen vanwege het proces, niet omdat heer Guillaume onmin had met de koning. Guillaume had hen hierheen gestuurd vanwege de ziekte die in Bath heerste.
Agnes had gezegd dat de kindermeid was gestorven, net als broeder Hubard, de kapelaan van Imeyne. Gestorven aan de blauwe ziekte. En heer Bloet had gezegd dat het proces was verdaagd omdat de rechter ziek was. Daarom had Eliwys niemand naar Courcy willen sturen, daarom was ze zo kwaad geweest toen Imeyne Gawyn naar de bisschop had gezonden. Omdat de ziekte in Bath heerste. Maar hoe was dat mogelijk? De Zwarte Dood had Bath pas in de herfst van 1348 bereikt.
‘Welk jaar is het?’ vroeg Kivrin.
De vrouwen keken haar zwijgend aan. Imeyne had nog steeds de zalf in haar uitgestoken hand. Kivrin keek naar Vader Roche. ‘Welk jaar is het?’
‘Voelt u zich niet goed, vrouwe Katherine?’ vroeg hij gespannen. Hij pakte haar bij haar pols, alsof hij bang was dat ze net als de klerk een aanval zou krijgen.
Ze rukte haar hand los. ‘Welk jaar is het?’
‘Het is het eenentwintigste jaar van Edward de Derde,’ zei hij.
Edward de Derde, niet de Tweede. Ze kon zich niet zo gauw herinneren wanneer die koning aan de macht was geweest. ‘Ik wil weten welk jaar het is,’ zei ze.
‘Anno domini,’ zei de klerk. Hij likte zijn lippen met zijn gezwollen tong. ‘Het is het jaar duizend driehonderd en achtenveertig.’
Derde boek
Vandaag eigenhandig vijf van mijn kinderen in één enkel graf gelegd… Geen doodsklokken, geen tranen. Dit is het einde van de wereld.
24
Dunworthy had twee dagen nodig om te proberen alle ingenieurs en Schotse gidsen te bereiken en een nieuwe ziekenzaal in Bulkeley-Johnson in te richten. Nog eens vijftien gestrande reizigers waren ziek geworden. Onder hen ook mevrouw Taylor, die negenenveertig slagen voor het einde van een optreden in elkaar was gezakt.
‘Ze ging zo van haar stokje en liet het touw los,’ zei Finch. ‘De klok galmde en het touw vloog alle kanten op. Ik kreeg het bijna om mijn nek. Ze wilde nog doorgaan toen ze weer bijkwam, maar toen was het natuurlijk te laat. Misschien wilt u eens met haar praten, meneer Dunworthy. Ze is erg aangeslagen. Ze kan zichzelf niet vergeven dat ze de anderen in de steek heeft gelaten. Maar het is haar schuld niet, je hebt nu eenmaal niet alles in de hand.’
‘Nee,’ zei Dunworthy.
Hij was er niet in geslaagd een ingenieur te bereiken, laat staan om er een naar Oxford te laten komen. Basingame had hij evenmin gevonden. Hij en Finch hadden elk hotel in Schotland gebeld en daarna elk pension en vakantiehuis. William had de rekeningafschriften van Basingame opgeduikeld, maar de rector had geen aas of laarzen in een of ander Schots dorpje gekocht en de laatste betalingen dateerden van vijftien december.
De telefoon werd steeds onbetrouwbaarder. Het beeld was weer uitgevallen en meestal hoorde hij de computerstem al zeggen dat de lijn buiten gebruik was voordat hij een nummer had ingetikt.
Terwijl hij het koppig bleef proberen, op ambulances wachtte en luisterde naar de klaagzangen van mevrouw Gaddson, drukte zijn zorg om Kivrin als een zware last op hem. Andrews had niet teruggebeld of was er niet in geslaagd verbinding te krijgen. Badri’s geraaskal over de dood werd door de verpleegkundigen netjes opgeschreven. Dunworthy bekeek de blaadjes terwijl hij bij de telefoon zat te wachten op antwoord van een ingenieur of een gids. Er waren een paar woorden die Badri telkens herhaalde: ‘Zwart’, ‘laboratorium’, ‘Europa’.
De telefoon werd onbruikbaar. De computerstem onderbrak hem al na het eerste cijfer en een paar keer klonk er helemaal geen zoemtoon toen hij de hoorn opnam. Hij liet de telefoon voor wat hij was en concentreerde zich op de lijsten met contacten. William was erin geslaagd beslag te leggen op de vertrouwelijke medische gegevens van de eerste zieken. Een van hen had bij de tandarts een röntgenfoto van zijn gebit laten maken, maar dat bleek pas op de vierentwintigste te zijn gebeurd, na het uitbreken van de ziekte.
Dunworthy ging naar het ziekenhuis om de patiënten te vragen of ze huisdieren hadden of onlangs nog op eendejacht waren geweest. Overal in de gangen stonden stretchers met zieken erop, zelfs voor de deuren. Dunworthy zag geen kans om bij de lift te komen en nam de trap.
De blonde vriendin van William zat bij de deur van de Isolatie met een lang wit schort en een masker voor. Ze stak haar hand op. ‘U kunt helaas niet naar binnen.’
Badri is dood, dacht hij. ‘Is er iets met Chaudhuri?’ vroeg hij.
‘Nee. Ik geloof eerder dat hij iets rustiger is. Maar we zijn door onze steriele kleding heen. Londen heeft beloofd morgen een nieuwe voorraad te sturen, maar we hebben niet genoeg meer voor bezoekers.’ Ze haalde een stuk papier uit haar zak en gaf het aan Dunworthy. ‘Ik heb nog iets opgeschreven. Het meeste kan ik niet verstaan. Hij noemt vaak uw naam en die van… Kivrin heet ze, geloof ik.’