Выбрать главу

Hij keek naar het blaadje en knikte.

‘Sommige woorden zijn te herkennen, maar de rest is ijlpraat.’

Ze had Badri’s uitspraken fonetisch opgeschreven en de herkenbare woorden onderstreept. ‘Dat kan niet’, had hij gezegd. ‘Ratten’. ‘Ik ben zo bang’.

Zondagochtend was meer dan de helft van alle gestrande reizigers ziek en de anderen deden hun best om hen te verzorgen. Dunworthy en Finch richtten geen nieuwe ziekenzalen in, want er waren geen veldbedden meer. Ze lieten de patiënten in hun eigen bed liggen of verhuisden ze met bed en al naar kamers in Salvin, zodat de verzorgers zich niet de benen uit het lijf hoefden te lopen.

De koorleden werden een voor een geveld en ondergebracht in de oude bibliotheek. Mevrouw Taylor was nog in staat om te lopen en stond erop hen te gaan bezoeken. ‘Dat is wel het minste wat ik kan doen,’ zei ze tegen Dunworthy, zwaar hijgend na de korte wandeling door de gang, ‘nadat ik ze zo in de steek heb gelaten.’

Dunworthy hielp haar op het luchtbed dat William had opgepompt en legde een laken over haar heen. ‘De geest is gewillig, maar het vlees is zwak,’ zei hij.

Hij voelde zich zelf ook zwak, hondsmoe door het gebrek aan slaap en de voortdurende tegenslagen. Tussen het theezetten en het omspoelen van po’s door was hij er eindelijk in geslaagd een ingenieur van Magdalen te bereiken.

‘Ze ligt in het ziekenhuis,’ had haar moeder gezegd, met een zorgelijke en vermoeide uitdrukking op haar gezicht.

‘Wanneer is ze ziek geworden?’ had Dunworthy gevraagd.

‘Op eerste kerstdag.’

Dat kon een goed teken zijn. Misschien was de ingenieur de haard. ‘Welke symptomen heeft uw dochter?’ had hij hoopvol gevraagd. ‘Hoofdpijn? Koorts? Duizeligheid?’

‘Nee, ze heeft blindedarmontsteking.’

Tegen maandagochtend was drie kwart van alle gasten ziek geworden. Zoals Finch al had voorspeld, waren er geen schone lakens en neusmaskers meer. Erger was dat ze ook door hun antimicrobia en aspirine heen waren. Finch gaf hem een lijst van alles wat ze te kort kwamen. ‘Ik heb geprobeerd het ziekenhuis te bellen, maar de telefoons zijn buiten werking.’

Dunworthy ging zelf naar het ziekenhuis om de spullen te halen. De ingang van de eerstehulp was bijna geblokkeerd door ambulances, taxi’s en demonstranten. Een van de betogers droeg een groot bord: ‘De regering laat ons hier verrekken.’ Dunworthy liep bijna tegen Colin op toen hij naar binnen ging. De jongen was weer eens kletsnat en zijn gezicht was rood van de kou. Zijn jack hing open.

‘De telefoon doet het niet meer,’ zei hij. ‘Ik ben nu koerier.’ Hij haalde een stel verfrommelde papieren uit zijn zak. ‘Moet ik voor u nog naar iemand toe?’

Ja, dacht hij. Naar Andrews. Naar Basingame. Naar Kivrin.

‘Nee,’ zei hij.

Colin stopte de al vochtige papieren weer terug. ‘Dan ga ik maar. Als u tante Mary zoekt, zij is op de eerstehulp. Er is net een heel gezin binnengebracht, alle vijf ziek. De baby was dood.’ Hij holde naar buiten, de drukke straat in.

Dunworthy baande zich een weg naar de dienstdoende arts, die hem vertelde hoe hij bij de voorraadkamer moest komen. De stretchers in de gangen waren inmiddels wat ordelijker neergezet, zodat er in het midden een smal pad overbleef. Een vrouw in roze ziekenhuiskleding boog zich over een van de patiënten.

‘De Here zal de pest aan u doen kleven,’ zei ze. Hij besefte tot zijn schrik dat het mevrouw Gaddson was, maar gelukkig had ze het te druk om hem op te merken.

De pestilentie, herhaalde hij in stilte en hij moest aan Badri denken. Aan de ratten die half Europa het leven hadden gekost.

Kivrin kan niet in de Zwarte Dood zijn, dacht hij terwijl hij een hoek omsloeg. Volgens Andrews was de maximale verschuiving vijf jaar. In 1325 was de pest zelfs in China nog niet uitgebroken. De ingenieur had gezegd dat het net de reis niet automatisch zou afbreken als er een fout was met het tijdsverschil of met de coördinaten, maar Badri had de berekeningen van Puhalski gecontroleerd en geen vergissingen ontdekt.

Hij vond de afdeling waar hij moest zijn. Er zat niemand achter de balie. Hij drukte op de bel.

Dunworthy had Badri meer dan eens naar de coördinaten gevraagd, maar de laatste keer had de ingenieur koortsachtig met zijn vingers op het laken zitten te tikken, alsof hij achter zijn computer zat. Dat kan niet goed zijn. Er is iets mis.

Hij drukte nogmaals op de bel en een zuster kwam uit de voorraadkamer. Ze was blijkbaar opgeroepen om tijdens de epidemie bij te springen, want ze was zeker negentig jaar oud. Haar witte uniform was vergeeld en kraakte van het stijfsel toen ze zijn lijst aanpakte.

‘Is de aanvraag ingediend door een arts?’

‘Nee,’ zei hij.

Ze gaf hem een formulier van drie pagina’s. ‘Alle aanvragen moeten worden ingediend door een arts of zaalhoofd.’

‘We hebben geen zaalhoofd,’ zei hij driftig. ‘We hebben vijftig zieken in twee slaapzalen en geen medicijnen.’

‘U moet toch een handtekening van een bevoegd arts hebben.’

‘De bevoegde arts is bezig met haar eigen zieken. Ze heeft wel wat anders aan haar hoofd dan handtekeningen uit te delen. We zitten midden in een epidemie!’

‘Dat weet ik ook wel,’ zei de zuster koel. ‘Elke aanvraag moet door de behandelende arts worden getekend.’ Ze liep krakend weg.

Hij ging terug naar de eerstehulp. Mary was er niet meer. De dienstdoende arts stuurde hem naar de Isolatie, maar ook daar was ze niet. Dunworthy overwoog Mary’s handtekening na te bootsen, maar hij wilde haar ook spreken om te zeggen dat hij geen ingenieur kon vinden en er niet in geslaagd was zonder Gilchrist in het lab te komen. Hij kon niet eens een gewoon aspirientje krijgen en het was al 3 januari.

Eindelijk vond hij Mary in het lab. Ze was aan de telefoon, die weer werkte, alleen het scherm vertoonde niets dan sneeuw. Mary keek naar een monitor aan de muur, waarop het boomdiagram was te zien met Badri’s contacten. ‘Wat is de moeilijkheid precies?’ hoorde hij haar zeggen. ‘U had gezegd dat het hier twee dagen geleden zou zijn.’

Ze luisterde naar het antwoord van haar onzichtbare gesprekspartner.

‘Hoezo teruggestuurd?’ zei ze op ongelovige toon. ‘Ik zit hier met duizend patiënten!’

Ze zweeg en tikte iets in. Op de monitor verscheen een ander diagram.

‘Stuur het dan nog een keer op!’ riep ze. ‘Ik heb het dringend nodig! Er liggen mensen op sterven! Ik wil dat het… Hallo? Bent u daar nog?’ Het scherm werd zwart. Mary draaide zich om naar Dunworthy en wenkte hem verder te komen.

‘Bent u daar nog?’ herhaalde ze. ‘Hallo?’ Boos verbrak ze de verbinding. ‘De telefoon doet het niet, de helft van het personeel is ziek geworden en een of andere idioot heeft het bestaan het vaccin terug te sturen omdat hij bang was voor besmetting!’

Ze liet zich op een stoel zakken en wreef over haar jukbeenderen. ‘Sorry,’ zei ze. ‘Het is een rotdag geweest. Vanmiddag bleken drie zieken bij aankomst te zijn overleden. Een van hen was een baby van zes maanden.’

Het takje hulst zat nog steeds op haar witte jas, die helemaal verkreukeld was. Mary zag er afgepeigerd uit, met diepe groeven rond haar mond en ogen. Misschien wist ze zelf niet eens meer wanneer ze voor het laatst had geslapen.

Ze wreef met twee vingers over haar voorhoofd. ‘Je raakt er nooit aan gewend dat je soms niets meer voor iemand kan doen,’ zei ze.

‘Nee.’

Ze keek hem aan alsof ze hem nu pas voor het eerst zag. ‘Kan ik je ergens mee helpen, James?’

Ze had niet geslapen, ze stond bijna overal alleen voor en ze had drie sterfgevallen meegemaakt. Ze had al genoeg aan haar hoofd zonder zich zorgen te maken om Kivrin.