Выбрать главу

Hij stond op en gaf haar het formulier. ‘Ik heb alleen je handtekening maar nodig.’

Ze tekende het formulier zonder het te lezen en gaf het hem terug. ‘Ik ben vanmorgen bij Gilchrist geweest.’

Hij keek haar aan, te verrast en geroerd om iets te zeggen.

‘Ik hoopte dat ik hem kon ompraten. Ik zei dat het lab al opengesteld kan worden voordat iedereen gevaccineerd is. Het is voldoende de voornaamste besmettingshaarden uit te schakelen.’

‘En dat maakte niet de minste indruk op hem.’

‘Nee. Hij is er volstrekt van overtuigd dat het virus uit het verleden is gekomen.’ Mary zuchtte. ‘Hij heeft de cyclische mutaties van type-A myxovirussen in kaart gebracht. Daaruit blijkt dat een van de virussen in 1318 en 1319 een H9n2 was.’ Ze wreef weer over haar voorhoofd. ‘Hij stelt het lab pas weer open als iedereen ingeënt is en de quarantaine is opgeheven.’

‘En wanneer is dat?’ vroeg hij, hoewel hij het antwoord al dacht te weten.

‘De quarantaine blijft van kracht tot zeven dagen na voltooiing van de vaccinatie of tot er veertien dagen geen nieuwe gevallen bij zijn gekomen,’ zei ze, op een toon alsof het slecht nieuws was.

Twee weken zonder nieuwe gevallen. ‘Hoe lang duurt een landelijke inentingscampagne?’

‘Dat hoeft niet zo lang te duren, afhankelijk van de beschikbaarheid van het vaccin. Bij de Pandemie duurde het maar achttien dagen.’

Achttien dagen, als het vaccin in voldoende hoeveelheid kon worden aangemaakt. Dan zou het eind januari worden. ‘Dat is te laat,’ zei hij.

‘Ik weet het, daarom moeten we eerst de bron van het virus zien te vinden.’ Ze draaide zich om naar de monitor. ‘Ik denk dat we op het verkeerde spoor zitten.’ Ze bracht een andere kaart op het scherm. ‘Ik heb geprobeerd een verband te ontdekken, patiënten te vinden die met dieren in aanraking zijn geweest of op het platteland wonen. Dit is een lijst van secundaire contacten die de jacht als liefhebberij gemeen hebben. Maar de laatste tijd hebben ze geen andere dieren gezien dan de kalkoen of gans van het kerstdiner.’

Ze liet de lijst met primaire gevallen zien. Badri’s naam stond nog steeds bovenaan. Ze keek er een tijdje naar, even afwezig als Montoya naar haar botten kon staren.

‘Als arts moet je als eerste leren dat je er niets aan kunt doen als een van je patiënten overlijdt,’ zei ze. Hij vroeg zich af of ze aan Kivrin of Badri dacht.

‘Ik krijg dat laboratorium hoe dan ook open,’ zei hij.

‘Ik hoop het.’

De oplossing was niet te vinden in een van de lijsten. Ondanks alle vragen die ze aan de patiënten hadden gesteld en alle verkeerde sporen die ze hadden gevolgd, moest Badri nog steeds beschouwd worden als de bron van de besmetting. Vier tot zes dagen voor Kivrins vertrek moest hij ergens met het virus zijn besmet.

Dunworthy ging naar boven. De deur werd nu bewaakt door een ziekenbroeder, een lange, zenuwachtige jongen die amper zeventien jaar oud leek te zijn.

‘Waar is…’ Dunworthy zweeg toen hij besefte dat hij niet wist hoe de blonde zuster heette.

‘Zij is ook ziek geworden,’ zei de jongen. ‘Gisteren. Er zijn al twintig verpleegkundigen ziek en ze kunnen niemand meer oproepen. Ze vragen nu studenten om te helpen. Ik ben pas eerstejaars, maar ik heb mijn E.H.B.O.-diploma gehaald.’

Gisteren. Dat betekende dat er een hele dag voorbij was gegaan en dat niemand had opgeschreven wat Badri had gezegd. ‘Heeft hij nog iets gezegd toen u bij hem was?’ vroeg hij zonder hoop. Een eerstejaars. ‘Iets verstaanbaars?’

‘U bent toch meneer Dunworthy?’ zei de jongen, die hem steriele kleding gaf. ‘Eloise zei dat ik alles moest opschrijven.’

Dunworthy maakte het pakje open. Het witte schort was bij de hals afgezet met kleine zwarte kruisen. Hij vroeg zich af waar de nieuwe uniformen vandaan kwamen.

‘Ze was erg ziek en zei telkens dat het erg belangrijk was.’ De jongen ging hem voor naar de kamer en keek van de schermen naar Badri. Eindelijk iemand die naar de zieke kijkt, dacht Dunworthy.

Badri plukte met zijn vingers aan het laken. Zijn handen leken op die van de ridder uit het boek dat Dunworthy aan Colin had gegeven. Met zijn holle ogen keek hij niet naar de bezoekers en evenmin naar het laken, dat zijn rusteloze handen telkens weer zochten.

‘Ik had er wel over gelezen,’ zei de student, ‘maar dit is de eerste keer dat ik het meemaak. Het is een gebruikelijk verschijnsel in het terminale stadium van longaandoeningen.’ Hij ging naar de computer, tikte iets in en wees naar een van de monitoren. ‘Ik heb alles opgeschreven.’

Zelfs de onbegrijpelijke dingen had hij letterlijk overgenomen, met puntjes om de pauzes aan te geven en (sic) achter woorden waar hij niet zeker van was. ‘Half’ las Dunworthy. ‘Help (sic).’ ‘Waarom komt hij niet?’

‘Dat is nog van gisteren,’ zei de student. Hij verplaatste de cursor naar beneden. ‘Vanmorgen heeft hij af en toe nog iets gezegd, maar sindsdien niet meer.’

Dunworthy ging bij het bed zitten en pakte Badri’s hand. Zelfs met zijn handschoen aan voelde hij dat die ijskoud was. Hij keek naar een van de beeldschermen. Badri’s temperatuur was weer normaal en de rode blos was van zijn gezicht verdwenen. Zijn huid had de kleur van natte as gekregen.

‘Badri,’ zei hij. ‘Ik ben het, Dunworthy. Ik moet je iets vragen.’

Badri gaf geen antwoord. Zijn koude vingers voelden slap aan en zijn vrije hand bleef zinloos aan het laken plukken.

‘Dokter Ahrens denkt dat je misschien ziek bent geworden van een dier, een wilde eend of gans.’

De student keek belangstellend van Dunworthy naar Badri, alsof hij hoopte weer een ongewoon medisch verschijnsel te kunnen waarnemen.

‘Badri, weet je nog of je de laatste tijd met dieren in aanraking bent geweest?’

Badri probeerde zijn hand terug te trekken. Dunworthy keek fronsend naar hem, maar toen hij de hand losliet begon Badri met zijn uitgemergelde vingers alleen maar in zijn eigen hand en pols te knijpen.

Dunworthy schaamde zich ineens dat hij Badri met vragen zat te kwellen. De ingenieur hoorde hem niet eens, wist niet dat hij er was. Het kon hem ook niet meer schelen.

Hij legde Badri’s hand op het laken en klopte er zachtjes op. ‘Probeer maar wat te rusten,’ zei hij.

‘Ik weet niet of hij u kan verstaan,’ zei de student. ‘In dit stadium zijn ze niet meer volledig bij bewustzijn.’

‘Nee, ik weet het,’ zei Dunworthy, maar hij bleef bij het bed zitten.

De student controleerde zenuwachtig een infuus en stelde het iets bij. Na een gespannen blik op Badri wijzigde hij de toevoer nogmaals en ging tenslotte de kamer uit. Dunworthy bleef naar Badri kijken, die vruchteloos het laken probeerde beet te pakken. Het was alsof hij zich ergens aan wilde vastklampen. Af en toe mompelde hij iets onverstaanbaars. Dunworthy wreef zacht over zijn arm, op en neer. Na een tijdje kwamen de handen wat tot bedaren, hoewel Dunworthy niet wist of dat een goed teken was.

‘Kerkhof,’ zei Badri.

‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Nee.’

Hij bleef Badri over zijn arm wrijven, maar de ingenieur werd weer onrustiger. Dunworthy stond op. ‘Rust maar uit,’ zei hij en ging naar buiten.

De student zat aan de balie in een tekstboek te lezen.

‘Waarschuw me zodra…’ zei Dunworthy, maar hij kon de woorden niet over zijn lippen krijgen. ‘Laat het me weten.’

‘Waar kan ik u bereiken?’

Hij zocht een stuk papier en vond de lijst met ontbrekende medicijnen in zijn zak. Die was hij bijna nog vergeten. ‘Stuur maar een koerier naar Balliol,’ zei hij en ging terug naar de voorraadkamer.

‘Het is niet volledig ingevuld,’ zei het oude wijfje streng toen Dunworthy haar het formulier overhandigde.

‘De arts heeft getekend,’ zei hij. ‘U kunt het zelf verder invullen.’