Выбрать главу

‘Daar is in de winter niemand.’

‘Als ik Montoya goed ken, klampt ze iedereen aan die er langs komt.’

‘Volgens haar kwam er nooit een mens. Witney is erg afgelegen.’

‘Toch moet ze iemand hebben gezien. Ze is daar al een week en de incubatietijd is maar twaalf tot achtenveertig uur.’

‘Daar is de ziekenwagen!’ zei Colin.

Mary holde naar buiten, op de voet gevolgd door Dunworthy en Colin. Twee broeders met maskers voor tilden de stretcher met Montoya op een brancard. Dunworthy herkende een van de mannen, die Badri naar het ziekenhuis had gebracht.

Colin keek geïnteresseerd naar Montoya, die met gesloten ogen op de stretcher lag. Haar hoofd rustte op een paar kussens en haar gezicht was net zo rood als dat van mevrouw Breen. Colin boog zich over haar heen en ze hoestte midden in zijn gezicht.

Dunworthy greep hem in zijn kraag en trok hem naar achteren. ‘Ben je gek geworden? Wil je soms ook ziek worden? Waarom draag je je masker niet?’

‘Er zijn geen maskers meer.’

‘Je hoort hier helemaal niet te zijn. Ik wil dat je meteen teruggaat naar Balliol en…’

‘Dat kan niet. Ik moet ervoor zorgen dat u uw injectie krijgt.’

‘Ga daar dan maar zitten.’ Dunworthy bracht hem naar een stoel in de ontvangstruimte. ‘En blijf uit de buurt van de patiënten.’

‘Denk erom dat u niet stiekem weggaat,’ vermaande Colin hem. Hij ging zitten, haalde de toverbal uit zijn zak en veegde hem af aan zijn mouw.

Dunworthy ging terug naar de brancard. ‘Lupe,’ zei Mary, ‘we moeten je iets vragen. Wanneer ben je ziek geworden?’

‘Vanmorgen,’ zei Montoya. Ze had een hese stem en Dunworthy begreep ineens dat zij het was die hem had opgebeld. ‘Ik kreeg vannacht erge hoofdpijn’ — ze haalde een modderige hand over haar voorhoofd — ‘maar ik dacht dat het kwam omdat ik te lang had doorgewerkt.’

‘Wie was er bij je?’

‘Niemand,’ antwoordde Montoya verbaasd.

‘Is er ook niemand uit Witney geweest om levensmiddelen of zo te brengen?’

Montoya schudde haar hoofd heel kort, alsof de beweging haar pijn deed. ‘Nee. Ik had alles bij me.’

‘En niemand heeft je met het opgraven geholpen?’

‘Nee. Ik heb Dunworthy gevraagd de Gezondheidsraad te bellen om ontheffing voor mijn studenten te krijgen, maar dat heeft hij niet gedaan.’ Mary keek naar Dunworthy en Montoya volgde haar blik. ‘Of is er al iemand onderweg?’ vroeg ze aan hem. ‘Ze zullen het nooit vinden als ze niet iemand sturen.’

‘Wat niet vinden?’ Hij vroeg zich af of Montoya lag te ijlen.

‘Bijna alles staat onder water.’

‘Wat moeten ze vinden?’

‘Kivrins recorder.’

Plotseling zag hij Montoya met het kistje vol modder en botten bij de graftombe staan. Het waren polsbeentjes geweest en Montoya had geen benen spoor, maar een kleine recorder tegen het licht gehouden. Kivrins recorder.

‘Ik heb nog niet alle graven opengelegd,’ zei Montoya, ‘en het regent nog steeds. Er moet onmiddellijk iemand heen.’

‘Graven?’ zei Mary, die zonder begrip naar Dunworthy keek. ‘Wat bedoelt ze toch?’

‘Ze was op zoek naar Kivrins lichaam op een middeleeuws kerkhof,’ zei hij bitter. ‘Ze heeft de recorder gevonden die je in Kivrins pols had gezet.’

Mary luisterde niet naar hem. ‘Haal Badri’s contactlijsten voor me,’ zei ze tegen de dienstdoende arts. Ze keek weer naar Dunworthy. ‘Badri heeft toch meegeholpen?’

‘Ja.’

‘Wanneer was dat?’

‘Op 18 en 19 december,’ zei hij.

‘Op het kerkhof?’

‘Ja. Hij hielp Montoya met het openen van een graftombe.’

‘Een tombe,’ zei Mary, alsof dat alles verklaarde. Ze boog zich over Montoya heen. ‘Uit welke tijd stamt die tombe?’

‘Uit 1318,’ zei Montoya.

‘En ben je daar van de week ook nog mee bezig geweest?’

Montoya knikte zwak. ‘Ik word zo draaierig als ik mijn hoofd beweeg,’ zei ze verontschuldigend. ‘Ik moest het skelet weghalen. Er was water in de tombe gekomen.’

‘Op welke dag was dat?’

Montoya fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik weet het niet meer. De dag voordat de klokken werden geluid, geloof ik.’

‘De eenendertigste,’ zei Dunworthy. Hij boog zich over Montoya heen. ‘En daarna?’

Ze schudde haar hoofd weer.

‘De computer is klaar,’ zei de tweede arts.

Mary liep snel naar de balie en ging achter het toetsenbord zitten. Ze tikte iets in, staarde naar het scherm en begon opnieuw te tikken.

‘En?’ zei Dunworthy.

‘Hoe waren de omstandigheden op het kerkhof?’

‘Omstandigheden?’ zei hij verwonderd. ‘Modderig. Montoya had zeildoek opgehangen, maar de regen stroomde nog naar binnen.’

‘Warm?’

‘Ja. Het was er muf, zei ze. En ze had een paar elektrische kachels aangesloten. Maar wat is er nou toch?’

Ze liet een vinger over het scherm glijden. ‘Virussen zijn buitengewoon taaie organismen,’ zei ze. ‘Ze kunnen lange tijd inactief zijn en daarna weer werkzaam worden. Er zijn levende virussen in Egyptische mummies aangetroffen.’ Haar vinger bleef op een datum rusten. ‘Dat dacht ik al. Badri werd op de vierde dag ziek nadat hij in Witney was geweest.’

Ze keek naar de dienstdoende arts. ‘Er moeten onmiddellijk een paar mensen naar Witney. Vraag de Gezondheidsraad om een ontheffing. Misschien hebben we de bron van het virus gevonden.’ Ze riep een andere lijst op, liet haar vinger over de namen glijden en tikte weer iets anders in. ‘We hadden vier primaire gevallen van wie niet bekend was of ze met Badri in aanraking waren geweest. Twee van hen zijn in Witney geweest, vier dagen later werden ze ziek. Een derde werd drie dagen later ziek.’

‘Dus het virus komt daar vandaan?’ zei Dunworthy.

‘Ja.’ Ze trok een spijtig gezicht. ‘Ik vrees dat Gilchrist toch nog gelijk krijgt. Het virus is echt uit het verleden gekomen. Uit de graftombe van de ridder.’

‘Kivrin heeft ook meegeholpen,’ zei hij.

Nu was het Mary’s beurt om zonder begrip naar hem te kijken. ‘Wanneer?’

‘De zondag voordat ze wegging. De negentiende.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Dat heeft ze me verteld. Ze wilde haar handen zo vuil mogelijk maken om beter bij de middeleeuwen te passen.’

‘O god,’ zei Mary. ‘Als ze vier dagen eerder aan het virus is blootgesteld, had ze haar injecties nog niet gehad. Misschien heeft het virus de tijd gehad om zich te vermenigvuldigen en haar ziek te maken.’

Dunworthy greep haar bij een arm. ‘Maar dat is onmogelijk. Het net zou haar niet doorlaten als ze een gevaar voor de middeleeuwers vormde.’

‘Ze vormde ook geen gevaar,’ zei Mary. ‘Als het virus inderdaad uit de graftombe afkomstig is en de ridder er in 1318 aan is gestorven, moeten de middeleeuwers al antistoffen hebben gehad. Ze waren immuun.’ Ze ging snel naar Montoya. ‘Heeft Kivrin meegeholpen met het opgraven van de tombe?’

‘Ik weet het niet,’ zei Montoya. ‘Toen was ik hier om met Gilchrist te praten.’

‘Wie was er die zondagmiddag nog meer in Witney?’

‘Niemand. Iedereen was met de kerstdagen naar huis gegaan.’

‘Hoe wist ze dan wat ze moest doen?’

‘De vrijwilligers lieten briefjes achter om aan te geven wat ze aan het doen waren.’

‘Wie waren er die ochtend bij?’ vroeg Mary.

‘Badri,’ zei Dunworthy, die naar de lift rende.

Hij duwde de deur van de Isolatie open en ging regelrecht naar Badri’s kamer. De zuster zat weer met haar gezwollen voeten op een monitor en keek verrast op. ‘U mag niet zomaar naar binnen,’ riep ze, maar hij was al doorgelopen.

Badri zat half overeind tegen een kussen. Hij zag er heel slap en bleek uit, alsof met de ziekte alle kleur uit zijn huid was verdwenen, maar hij keek op toen Dunworthy naar binnen stormde en wilde iets zeggen.