‘Heeft Kivrin meegeholpen met de graftombe van de ridder?’ vroeg Dunworthy bars.
‘Kivrin?’ herhaalde Badri bijna onhoorbaar.
De zuster gooide de deur open. ‘Meneer Dunworthy, u mag hier absoluut niet naar binnen zonder…’
‘Op zondag,’ zei Dunworthy. ‘Je moest een briefje achterlaten om haar te laten weten wat ze moest doen. Heeft ze bij de tombe gewerkt?’
‘Meneer Dunworthy, zonder masker mag u…’
Mary kwam binnen en trok haar handschoenen aan. ‘James, je weet toch dat je hier steriele kleding moet dragen?’
‘Ik heb hem nog gewaarschuwd, dokter,’ zei de zuster, ‘maar hij liep gewoon door…’
‘Heb je Kivrin laten weten dat ze aan de graftombe moest werken?’ herhaalde Dunworthy.
Badri knikte zwakjes.
‘Ze is aan het virus blootgesteld,’ zei Dunworthy tegen Mary. ‘Op zondag. Vier dagen voordat ze vertrok.’
‘O nee,’ fluisterde Mary.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Badri. Hij probeerde rechtop te gaan zitten. ‘Waar is Kivrin?’ Hij keek van Dunworthy naar Mary. ‘U heeft haar toch teruggehaald toen u wist wat er aan de hand was? Ja toch zeker?’
‘Wat er aan de hand was?’ herhaalde Mary. ‘Wat bedoel je?’
‘U moet haar terughalen,’ zei Badri. ‘Ze is niet in 1320. Ze is in 1348.’
25
‘Dat is onmogelijk,’ zei Dunworthy.
‘1348?’ zei Mary verbijsterd. ‘Dat kan niet waar zijn. Dat is het jaar van de Zwarte Dood.’
Ze kan niet in 1348 zijn, dacht Dunworthy. Volgens Andrews was het maximale verschil vijf jaar. En Badri had de coördinaten van Puhalski nagerekend.
‘1348?’ herhaalde Mary. Hij zag haar naar de schermen boven Badri’s hoofd kijken, alsof ze hoopte dat hij nog lag te ijlen. ‘Weet je het zeker?’
Badri knikte. ‘Ik wist dat er iets mis was zodra ik het tijdsverschil zag.’ Hij klonk al even verbijsterd als Mary.
‘Maar ze kan onmogelijk in 1348 terecht zijn gekomen,’ merkte Dunworthy op. ‘Andrews heeft de parameters voor me nagetrokken. Hij zei dat de maximale verschuiving niet meer dan vijf jaar kon zijn.’
Badri schudde zijn hoofd. ‘Het lag niet aan de verschuiving, die bedroeg maar vier uur. Dat was te weinig. Het verschil had op zo’n reis minstens achtenveertig uur moeten zijn.’
De verschuiving was niet te groot, maar te klein geweest. Dunworthy had Andrews alleen naar het maximale verschil gevraagd, niet naar het minimale.
‘Ik weet niet wat er is gebeurd,’ zei Badri. ‘Ik had zo’n hoofdpijn, de hele tijd dat ik met het net bezig was.’
‘Dat kwam door het virus,’ zei Mary. Ze zag er ontdaan uit. ‘Hoofdpijn en verwardheid zijn de eerste symptomen.’ Ze liet zich op de stoel naast het bed zakken. ‘1348.’
1348. Dunworthy kon het maar niet begrijpen. Hij was bang geweest dat Kivrin influenza had, dat ze het rendez-vous zou missen, en al die tijd had ze in 1348 gezeten. Het jaar waarin de pest Oxford had bereikt, rond de kerstdagen.
‘Toen ik zag hoe gering de verschuiving was, begreep ik direct dat er iets mis was,’ zei Badri. ‘Daarom bekeek ik de coördinaten en…’
‘Je zei dat je Puhalski’s berekeningen had gecontroleerd,’ zei Dunworthy verwijtend.
‘Hij was maar een eerstejaars, hij had nog nooit zo’n reis gedaan. En Gilchrist had geen flauw benul wat hij aan het doen was. Ik wilde u nog waarschuwen. Was ze niet meer op de plaats van het rendez-vous?’ Hij keek naar Dunworthy. ‘Waarom hebt u haar niet teruggehaald?’
‘We wisten nergens van,’ zei Mary, die nog steeds helemaal van streek op de stoel zat. ‘Je kon helemaal niet uit je woorden komen. Je ijlde.’
‘De pest heeft vijftig miljoen mensen het leven gekost,’ zei Dunworthy. ‘Half Europa is eraan gestorven.’
‘James,’ zei Mary.
‘Dat wilde ik u zeggen,’ zei Badri. ‘Daarom kwam ik u halen. We hadden Kivrin moeten terughalen voordat ze van het rendez-vous kon weggaan.’
Dat had hij dus willen zeggen. Hij was op een draf naar de pub gekomen. Hij was zonder jas de stromende regen in gehold en had de voorbijgangers met hun boodschappentassen en hun paraplu’s opzij geduwd om zo snel mogelijk bij Dunworthy te zijn, doornat en klappertandend van de kou. Er is iets mis.
Ik wilde u nog waarschuwen. Dat had hij ook gedaan. ‘Half Europa is eraan gestorven,’ had hij gezegd. ‘Het waren de ratten. Welk jaar is het?’ Badri had het geprobeerd.
‘Als het niet aan de verschuiving lag, moet er een fout met de coördinaten zijn gemaakt,’ zei Dunworthy, die de bedrand vastgreep.
Badri drukte zich als een in het nauw gedreven dier tegen het kussen.
‘Je zei dat Puhalski’s coördinaten klopten.’
‘James!’ zei Mary vermanend.
‘Dat is de enige andere mogelijkheid!’ riep hij. ‘Anders zou het net de reis hebben afgebroken. Je zei dat je het twee keer had nagerekend. Je zei dat je geen fouten kon ontdekken.’
‘Dat was ook zo,’ zei Badri. ‘Maar ik vertrouwde het nog niet. Ik was bang dat hij een fout met de siderische berekening had gemaakt, want die zou niet zo gauw te ontdekken zijn.’ Zijn gezicht werd asgrauw. ‘Ik heb de berekening zelf gedaan, op de dag van Kivrins vertrek.’
Op de dag van Kivrins vertrek. Toen hij verging van de hoofdpijn. Toen hij al koorts had en in de war was. Dunworthy zag hem weer achter het toetsenbord zitten en fronsend naar de monitoren kijken. Ik stond erbij en ik keek ernaar, dacht hij. Ik was erbij toen hij Kivrin naar de Zwarte Dood stuurde.
‘Ik weet niet wat er fout is gegaan,’ zei Badri. ‘Ik heb zeker…’
‘Hele dorpen zijn uitgeroeid,’ zei Dunworthy. ‘Er waren zoveel doden dat er niet genoeg mensen over waren om ze allemaal te begraven.’
‘Laat hem met rust, James,’ zei Mary. ‘Hij kan er niets aan doen. Hij was ziek.’
‘Ziek?’ zei hij. ‘Hij heeft Kivrin aangestoken. En zij zit in de middeleeuwen.’
‘James,’ zei Mary.
Hij wilde niet naar haar luisteren. Hij rukte de deur open en rende de kamer uit.
Colin zat in de gang op een stoel te wippen. ‘O, daar bent u,’ zei hij.
Dunworthy liep snel langs hem heen.
‘Waar gaat u heen?’ De voorpoten van de stoel kwamen met een klap op de grond. ‘Tante Mary zei dat u pas weg mag als u uw injectie hebt gehad.’ Hij viel zijwaarts van zijn stoel en krabbelde meteen weer overeind. ‘Waarom heeft u geen steriele kleren aan?’
Dunworthy duwde de gangdeur open.
Colin holde achter hem aan. ‘Tante Mary zei dat ik u absoluut niet mag laten weggaan.’
‘Ik heb geen tijd voor injecties,’ zei Dunworthy. ‘Ze is in 1348.’
‘Tante Mary?’
Hij sloeg de hoek om.
‘Kivrin?’ vroeg Colin, dravend om hem bij te houden. ‘Dat kan toch niet? Toen was het toch de Zwarte Dood?’
Dunworthy liep de trap af en ging naar de telefooncel. Hij zocht de zakkalender die hij van Colin had gekregen.
‘Hoe gaat u haar terughalen?’ vroeg Colin. ‘Het laboratorium is verzegeld.’
Dunworthy vond de kalender en begon erin te bladeren. Hij had het nummer van Andrews ergens opgeschreven.
‘U mag er toch niet in van meneer Gilchrist? Hij zei dat u niet naar binnen mocht.’
Het telefoonnummer stond op de laatste pagina. Dunworthy nam de hoorn van de haak.
‘En wie moet u helpen als u toch in het lab kunt? Badri?’
‘Andrews,’ zei Dunworthy kortaf. Hij begon het nummer te toetsen.
‘Ik dacht dat hij niet wilde komen, vanwege het virus.’
Dunworthy bracht de hoorn naar zijn oor. ‘Ik laat Kivrin daar niet zitten.’