Hij kreeg een vrouw aan de lijn. ‘H.F. Shepherd’s Limited.’
Dunworthy keek verbaasd naar de zakkalender in zijn hand. ‘Ik ben op zoek naar Ronald Andrews,’ zei hij. ‘Welk nummer is dit?’
‘24837,’ zei ze ongeduldig. ‘Er is hier geen Ronald Andrews.’
Hij legde boos neer. ‘Stomme telefoons.’ Hij toetste hetzelfde nummer in.
‘Maar hoe denkt u haar te vinden?’ vroeg Colin, die over zijn schouder naar de hoorn keek. ‘Ze is toch niet meer op dezelfde plaats? Het rendez-vous is pas over drie dagen.’
Dunworthy luisterde naar de zoemtoon en vroeg zich af wat Kivrin gedaan zou hebben zodra ze besefte in welk jaar ze was. Ongetwijfeld zou ze naar het rendez-vous zijn gegaan om daar te wachten. Als ze dat kon. Als ze niet ziek was. Als de inwoners van Skendgate haar er niet van beschuldigden de pest te hebben meegebracht.
‘H.F. Shepherd’s Limited,’ zei dezelfde vrouw.
‘Welk nummer is dit?’ riep Dunworthy.
‘24837,’ zei ze gergerd.
‘24837,’ herhaalde Dunworthy. ‘Dat nummer heb ik opgekregen.’
‘Nee, niet waar,’ zei Colin. Hij wees het nummer van Andrews op de zakkalender aan. ‘U heeft het verkeerde nummer gedraaid.’ Hij pakte de hoorn uit Dunworthy’s hand. ‘Laat mij het maar proberen.’ Hij toetste het goede nummer in en gaf de hoorn terug aan Dunworthy.
De zoemtoon klonk anders, verder weg. Dunworthy dacht aan Kivrin. De pest had niet overal tegelijk toegeslagen. De ziekte had rond de kerstdagen Oxford bereikt, maar dat zei helemaal niets over Skendgate.
Er werd niet opgenomen. Hij liet de telefoon tien, elf keer overgaan. Hij kon zich niet herinneren hoe de ziekte in Engeland was gekomen. Uit het oosten, over het Kanaal. Skendgate lag ten westen van Oxford, dus misschien was de pest daar pas later uitgebroken.
‘Waar is het boek?’ vroeg hij aan Colin.
‘Het boek? Voor uw neus.’
‘Het boek dat je van mij hebt gekregen. Waarom heb je het niet bij je?’
‘Hier?’ zei Colin verbijsterd. ‘Dat ding weegt een ton.’
Er werd nog steeds niet opgenomen. Dunworthy legde neer, pakte zijn agenda en ging op weg naar de deur. ‘Ik wil dat je het altijd en overal bij je hebt. Je weet toch dat we midden in een epidemie zitten?’
‘Voelt u zich wel goed, meneer Dunworthy?’
‘Ga het halen,’ zei Dunworthy.
‘Wat, nu meteen?’
‘Ga naar Balliol en haal je boek. Ik wil weten wanneer de pest in Oxfordshire is uitgebroken. Niet hier in de stad, maar in de omliggende dorpen. En van welke kant de ziekte is gekomen.’
‘Waar gaat u heen?’ vroeg Colin, die op een draf met hem meeliep.
‘Ik ga tegen Gilchrist zeggen dat ik in het lab moet zijn.’
‘Als hij al bang is voor de griep, dan is hij helemaal bang voor de pest,’ zei Colin.
Dunworthy deed de deur open en ging naar buiten. Het regende hard. De demonstranten stonden te schuilen onder de luifel. Een van hen kwam met een stencil op Dunworthy af. Colin had gelijk. Het zou niets uithalen Gilchrist te vertellen waar het virus vandaan kwam. Hij zou ervan overtuigd blijven dat het door het net was gekomen en bang zijn dat hij de pest zou binnenhalen als hij het lab openstelde.
Dunworthy zocht zijn pen. ‘Geef me een stuk papier.’
‘Een stuk papier?’ zei Colin. ‘Waarvoor?’
Dunworthy griste het stencil uit de hand van de betoger en begon iets op de achterkant te schrijven. ‘Basingame geeft toestemming om het laboratorium te gebruiken,’ zei hij.
Colin keek ernaar. ‘Dat gelooft hij nooit, meneer Dunworthy. Achter op een stencil?’
‘Haal dan een stuk papier voor me!’
Colin zette grote ogen op. ‘Ik ga al. Wacht u dan op me?’ zei hij op verzoenende toon. ‘U mag niet weggaan.’
Hij holde naar binnen en kwam meteen weer terug met een paar vellen printerpapier. Dunworthy pakte een van de vellen en bootste het handschrift van Basingame na. ‘Ga je boek halen en kom dan naar Brasenose.’
‘U vergeet uw jas.’
‘Daar heb ik geen tijd voor.’ Hij vouwde het papier twee keer op en stopte het in zijn zak.
‘Het regent. Kunt u niet beter een taxi nemen?’ zei Colin.
‘Er zijn geen taxi’s.’ Dunworthy liep weg.
‘Tante Mary vermoordt me nog!’ riep Colin hem na. ‘Ik mocht u niet laten weggaan voordat u uw injectie had gehad!’
Hij had inderdaad beter een taxi kunnen nemen. Het goot tegen de tijd dat hij bij Brasenose kwam en er stond een ijzige wind. Dunworthy was koud tot op het bot.
Gelukkig had de regen de demonstranten hier verjaagd. Voor de poort van Brasenose lagen alleen nog een paar natte pamfletten. De poort was afgesloten met een metalen schuifhek. De portier had zich teruggetrokken in zijn loge en het rolluik neergelaten.
‘Doe open!’ riep Dunworthy, aan het hek rammelend. ‘Doe onmiddellijk open!’
De portier trok het luik een eindje op en keek naar buiten. Zijn geschrokken uitdrukking ging over in strijdlust toen hij Dunworthy herkende. ‘Brasenose staat onder quarantaine,’ zei hij. ‘Verboden toegang.’
‘Doe onmiddellijk dit hek open,’ zei Dunworthy.
‘Dat zal helaas niet gaan, meneer. Ik mag van meneer Gilchrist niemand toelaten voordat de bron van het virus is gevonden.’
‘Die is gevonden,’ zei Dunworthy. ‘Doe open.’
De portier liet het luik neer en kwam even later naar het hek. ‘Was het de kerstversiering?’ vroeg hij. ‘Ze zeiden dat het virus daarin zat.’
‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Maak het hek open en laat me binnen.’
‘Ik weet niet of ik dat mag doen, meneer.’ De portier keek hem onzeker aan. ‘Meneer Gilchrist…’
‘Die heeft het niet meer voor het zeggen.’ Hij haalde het opgevouwen papier uit zijn zak en gaf het door de mazen van het hek aan de portier, die het in de regen begon te lezen.
‘Gilchrist is van zijn taak als waarnemend hoofd ontheven,’ zei Dunworthy. ‘Basingame heeft mij de leiding gegeven. Doe open.’
‘Basingame?’ zei de portier, naar de al half uitgesmeerde handtekening starend. ‘Ik pak mijn sleutels even.’
Hij nam het papier mee naar zijn hok. Dunworthy drukte zich rillend tegen het hek om zo min mogelijk last te hebben van de ijskoude regen.
Hij was bang geweest dat Kivrin ergens op de koude grond had moeten slapen, maar nu bleek dat ze in de hel terecht was gekomen. Mensen stierven van de kou omdat er niemand meer was om hout te hakken en de dieren stierven in de wei omdat ze niet meer naar de stal werden gebracht. Tachtigduizend doden in Siena, driehonderdduizend in Rome, meer dan honderdduizend in Florence. Half Europa.
De portier kwam eindelijk terug met een grote sleutelbos. ‘Een ogenblikje, meneer.’ Hij zocht de goede sleutel.
Kivrin zou ongetwijfeld naar het rendez-vous zijn teruggegaan zodra ze besefte dat ze zich in het jaar 1348 bevond. Dat betekende dat ze daar al een hele tijd moest hebben gewacht tot ze haar kwamen halen, ongerust omdat het zo lang duurde.
Als ze het tenminste zelf wist. Hoe zou ze moeten weten welk jaar het was? Badri had tegen haar gezegd dat er hooguit een paar dagen verschil zouden zijn. Aan de hand van de feestdagen kon ze de juiste datum hebben vastgesteld, maar het zou nooit in haar zijn opgekomen naar het jaar te vragen. Ze zou denken dat ze in 1320 was en intussen kwam de pest steeds dichterbij.
Het slot klikte open en Dunworthy schoof het hek opzij tot hij erlangs kon. ‘Neem de sleutels mee,’ zei hij. ‘Ik moet in het lab zijn.’
‘Dat is een andere sleutel,’ zei de portier, die weer naar zijn loge ging.
Het was koud bij de poort en de schuin neervallende regen maakte het nog kouder. Dunworthy bleef bij de deur van de loge staan om de warmte van binnen op te vangen en hij stak zijn handen diep in de zakken van zijn colbert.
Hij had zich zorgen gemaakt over dieven en moordenaars en al die tijd was Kivrin in 1348 geweest, het jaar waarin overal lijken lagen, waarin joden en vreemdelingen naar de brandstapel waren gebracht.