Ze liet de grendel vallen en draaide zich om. ‘Hadden de anderen ook de pest?’ vroeg ze streng. ‘Was de gezant ziek?’ Ze moest aan zijn grauwe gezicht denken, aan de manier waarop hij rilde in zijn mantel. Hij zou ze allemaal aansteken: Bloet en zijn hooghartige zuster en de babbelende meisjes. En Gawyn. ‘U wist het al voordat u hier kwam, nietwaar? Geef antwoord!’
De klerk stak als een klein kind zijn armen naar haar uit. ‘Help me.’ Hij viel opzij, met zijn hoofd en schouder bijna naast het bed.
‘U verdient geen hulp. U hebt de ziekte hierheen gebracht.’
Er werd op de deur geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg ze boos.
‘Roche,’ riep de priester. Ze voelde zich opgelucht, blij dat hij was teruggekomen, maar ze verroerde zich niet. Ze keek naar de klerk, die nog schuin op het bed lag. Zijn open mond werd helemaal gevuld door zijn gezwollen tong.
‘Laat me binnen,’ zei Roche. ‘Ik moet hem de biecht afnemen.’
De biecht. ‘Nee,’ zei Kivrin.
Hij klopte nogmaals, luider.
‘Ik kan u niet binnenlaten,’ zei Kivrin. ‘Het is besmettelijk. Hij kan u aansteken.’
‘Hij ligt op sterven,’ zei Roche. ‘Hij moet biechten om in de hemel te komen.’
Hij gaat niet naar de hemel, dacht Kivrin. Hij heeft de pest hier gebracht.
De klerk deed zijn ogen open. Ze waren rood en opgezet en er klonk een zwakke ruis in zijn ademhaling. Hij gaat dood, dacht ze.
‘Katherine,’ zei Roche.
Hij gaat dood, ver van huis. Net als ik. Ook zij had een ziekte meegebracht en het was niet aan haar te danken dat er niemand aan was bezweken. Ze hadden haar allemaal geholpen, Eliwys, Imeyne en Roche. Ze had iedereen kunnen aansteken. Roche had haar de laatste sacramenten toegediend, hij had haar hand vastgehouden.
Kivrin tilde voorzichtig het hoofd van de klerk op en legde het op het kussen. Daarna ging ze naar de deur.
‘U kunt hem de biecht afnemen,’ zei ze, de deur op een kier openend, ‘maar ik moet eerst met u praten.’
Roche had zijn priesterkleed aangetrokken en zijn neusdoek afgedaan. In een mandje had hij het Heilig Oliesel en de teerspijs. Hij zette het mandje op de kist aan het voeteneind en keek naar de klerk, die steeds moeizamer ademde. ‘Hij moet biechten.’
‘Nee!’ zei Kivrin. ‘Ik moet u eerst iets vertellen.’ Ze haalde diep adem. ‘De klerk heeft builenpest,’ zei ze, aandachtig naar de woorden van de tolk luisterend. ‘Het is een verschrikkelijke ziekte, bijna altijd dodelijk. De pest wordt verspreid door rattevlooien, door de adem van de zieken, door de aanraking van hun kleren.’ Ze keek hem gespannen aan en vroeg zich af of hij er iets van begreep. Ook hij was gespannen en verward.
‘Het is een vreselijke ziekte,’ zei ze. ‘Erger dan tyfus en cholera. Er zijn in Italië en Frankrijk al honderdduizenden mensen aan gestorven en in sommige plaatsen is er niemand meer over om de doden te begraven.’
Zijn gezicht was ondoorgrondelijk. ‘U weet weer wie u bent en waar u vandaan komt,’ zei hij. Het was geen vraag.
Hij denkt dat ik voor de pest op de vlucht was toen Gawyn me in het bos vond, dacht ze. Straks gelooft hij nog dat ik de ziekte heb meegebracht. Maar er lag geen verwijt in zijn blik en ze wilde hem niet voorliegen.
‘Ja,’ zei ze en ze wachtte af.
‘Wat moeten we doen?’ vroeg hij.
‘We moeten de anderen hier weghouden. Ze moeten beneden blijven en niemand binnenlaten. Ook de dorpelingen moeten in huis blijven en ze mogen geen dode ratten aanraken. Er mag op het open veld niet meer gefeest of gedanst worden. De mensen mogen niet hier of in de kerk komen. Ze moeten zoveel mogelijk bij elkaar uit de buurt blijven.’
‘Ik zal het zeggen.’
De klerk maakte een gesmoord geluid en ze draaiden zich allebei om naar het bed.
‘Kunnen we niets voor de zieken doen?’ vroeg hij.
Ze probeerde zich te herinneren welke remedies de middeleeuwers hadden geprobeerd. Ze hadden met sterk ruikende bloemen rondgelopen en fijngestampte smaragd geslikt en bloedzuigers op de builen gezet, dingen die allemaal niets uithaalden. Volgens dokter Ahrens hadden ze ook niets kunnen doen. Alleen antimicrobia zoals tetracycline en streptomycine zouden effectief zijn geweest, maar die waren pas in de twintigste eeuw ontdekt.
‘We moeten hem laten drinken en hem warm houden.’
Roche keek naar de klerk. ‘God zal hem zeker helpen,’ zei hij.
Nee, dacht ze. God heeft niets gedaan. Half Europa. ‘God kan ons niet helpen tegen de Zwarte Dood,’ zei ze.
Roche knikte en pakte het Heilig Oliesel.
‘Doe uw masker voor.’ Kivrin pakte de laatste reep linnen en bond die voor zijn mond en neus. ‘U moet het altijd dragen als u hier bent.’ Ze hoopte dat hij niet zou merken dat ze zelf geen masker droeg.
‘Heeft God ons deze plaag gestuurd?’ vroeg Roche.
‘Nee,’ zei Kivrin. ‘Nee.’
‘De duivel dan?’
Het was verleidelijk om ja te zeggen. De meeste middeleeuwers geloofden dat de duivel verantwoordelijk was voor de Zwarte Dood. Daarom hadden ze handlangers van de duivel gezocht, joden en melaatsen gefolterd, oude vrouwen gestenigd, jonge meisjes verbrand.
‘Niemand heeft de plaag gestuurd,’ zei Kivrin. ‘Het is een ziekte, niemand kan er iets aan doen. God zou ons helpen als Hij kon, maar Hij…’ Ja, wat eigenlijk? God kan ons niet horen? Is weggegaan? Bestaat niet?
‘Hij kan niet komen,’ besloot ze zwakjes.
‘En wij moeten in Zijn naam optreden?’ zei Roche.
‘Ja.’
Roche knielde bij het bed neer, prevelde een gebed en keek haar aan. ‘Ik wist dat God u had gestuurd om ons te helpen,’ zei hij.
Ook zij knielde neer en vouwde haar handen.
‘Mittere digneris sanctum Angelum,’ bad Roche. ‘Zend ons Uw heilige engel en behoed een ieder die in dit huis verzameld is.’
‘Laat Roche niet ziek worden,’ zei Kivrin in de recorder. ‘Laat Rosemund niet ziek worden. Laat de klerk sterven voordat zijn longen zijn aangetast.’
De stem van Roche was even geruststellend als toen hij haar hand had vastgehouden en ze hoopte dat de klerk hem kon horen. De geestelijke was niet in staat om te biechten en zijn gezicht vertrok van pijn toen Roche de olie op zijn handpalmen streek. Zijn ademhaling werd onrustiger. Roche tilde zijn hoofd op en keek naar de klerk. Op zijn armen waren paarsblauwe vlekjes van bloeduitstortingen te zien.
Roche draaide zijn hoofd om naar Kivrin. ‘Zijn dit de laatste dagen?’ vroeg hij. ‘Het einde der tijden zoals de heilige apostelen hebben geprofeteerd?’
Ja, dacht Kivrin. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nee. Het zijn slechte tijden, verschrikkelijke tijden, maar niet iedereen zal omkomen. En hierna zal er een prachtige tijd aanbreken. De renaissance, sociale hervormingen en nieuwe muziek. Een prachtige tijd. Er zullen nieuwe medicijnen komen, zodat niemand meer hoeft te sterven aan pokken of longontsteking. En iedereen zal genoeg te eten hebben en een warm huis, zelfs in de winter.’ Ze dacht aan Oxford met Kerstmis, aan de versierde straten en winkels. ‘Overal zal licht zijn en klokken die niet geluid hoeven te worden.’
Haar woorden hadden een kalmerende uitwerking op de klerk. Hij haalde rustiger adem en leek in slaap te vallen.
‘U moet nu maar gaan,’ zei Kivrin. Ze bracht Roche naar het venster en gaf hem de kom met water. ‘U moet uw handen wassen als u hem hebt aangeraakt.’
Het water was bijna op. ‘We moeten de kommen en lepels afspoelen waarmee hij heeft gegeten,’ zei ze terwijl Roche zijn grote handen afspoelde. ‘En we moeten het linnen verband verbranden. De ziekte zit erin.’
Hij wreef zijn handen droog aan zijn kleed en ging naar beneden om Eliwys te zeggen wat ze moest doen. Even later kwam hij terug met een nieuwe lap linnen en een bak water. Kivrin scheurde het linnen in brede stroken en bond een ervan voor haar gezicht.