Выбрать главу

De klerk was wakker geworden en vroeg herhaaldelijk om water, zodat ook de tweede bak al snel leeg was. Kivrin hield de kom aan zijn lippen en probeerde Roche zoveel mogelijk bij de zieke weg te houden.

Roche ging naar de kerk om de klok te luiden voor de vesper. Kivrin deed de deur achter hem dicht. Van beneden klonk geen enkel geluid. Misschien ligt iedereen te slapen, dacht ze. Als ze maar niet ziek zijn. Imeyne had zich met haar zalf over de klerk heen gebogen, Agnes had dicht bij het bed gestaan, Rosemund was met de klerk op de grond gevallen.

Gespannen begon ze heen en weer te lopen. Het is al te laat, dacht ze, ze zijn allemaal blootgesteld. Wat was de incubatietijd? Twee weken? Nee, dat was de tijd die het vaccin nodig had om werkzaam te worden. Twee of drie dagen? Ze kon het zich niet herinneren. Met wie was de klerk nog meer in contact geweest? Ze had niet op hem gelet tijdens het eten en drinken, ze had alleen op Gawyn gelet. Ze wist alleen nog dat hij Maisry op schoot had genomen.

Ze ging weer naar de deur en deed die open. ‘Maisry!’ riep ze.

Ze kreeg geen antwoord, maar dat betekende nog niets. Maisry zou wel ergens liggen te slapen of hield zich schuil en bovendien had de klerk de builenpest, die door vlooien werd overgebracht. Er was een kans dat hij niemand had aangestoken, maar zodra Roche terugkwam liet ze hem alleen met de klerk en nam de stoof mee om nieuwe kolen te halen en om te zien hoe de anderen het maakten.

Rosemund en Eliwys zaten bij het vuur te borduren en vrouwe Imeyne las voor uit haar getijdenboek. Agnes duwde haar wagentje over de tegels en praatte ertegen. Maisry lag op een van de banken bij de tafel op de verhoging. Zelfs in haar slaap had ze een nukkig gezicht.

Agnes botste met haar wagentje tegen een voet van Imeyne. De oude vrouw keek haar aan. ‘Als je niet stil kunt spelen, pak ik het van je af, Agnes,’ zei ze. Het scherpe verwijt, de glimlach die Rosemund haastig verborg, de roze gloed van hun gezichten in het licht van de haard, alles was even geruststellend voor Kivrin. Het had een heel gewone avond in de ridderzaal kunnen zijn.

Eliwys zat een linnen doek aan repen te snijden en ze keek telkens in de richting van de deur. Imeyne zat met een wat bezorgde stem te prevelen en Rosemund keek ongerust naar haar moeder. Eliwys stond op en ging naar de deur. Kivrin vroeg zich af of ze iets had gehoord, maar even later kwam Eliwys terug en ging verder met haar werk.

Kivrin daalde zo stil mogelijk de treden af, maar niet stil genoeg. Agnes liet haar wagentje los en sprong op. ‘Kivrin!’ riep ze opgetogen.

‘Pas op!’ Kivrin hield haar met haar vrije hand op een afstand. ‘Dit ding is heet.’

De stoof was natuurlijk afgekoeld, anders was ze niet naar beneden gekomen om nieuwe kolen te halen, maar Agnes ging een eindje achteruit.

‘Waarom heb je een doek voor je gezicht?’ vroeg het meisje. ‘Wil je me een verhaaltje vertellen?’

Eliwys was ook opgestaan en Imeyne zat naar haar te kijken. ‘Hoe maakt de klerk van de bisschop het?’ vroeg Eliwys.

Heel slecht, dacht ze, maar dat wilde ze niet zeggen. ‘De koorts is wat verminderd. U mag niet te dicht bij me komen. De ziekte zit misschien in mijn kleren.’

Imeyne gebruikte haar reliek als bladwijzer en sloot haar getijdenboek. Iedereen was opgestaan en keek naar Kivrin.

Een stuk van het joelblok lag nog op het vuur. Kivrin gebruikte een plooi van haar kleed om het deksel van de stoof te lichten en gooide de grijze kolen in het vuur. Een wolkje as steeg op en een van de kolen ketste af op het hout en rolde over de vloer.

Agnes lachte en ze keken allemaal naar het stuk kool, dat onder een van de banken tot stilstand kwam. Alleen Eliwys had zich omgedraaid naar de deur.

‘Is Gawyn al terug met de paarden?’ zei Kivrin. Ze had meteen spijt van haar vraag. Eliwys’ gekwelde gelaatsuitdrukking sprak boekdelen en Imeyne draaide zich om en staarde haar kil aan.

‘Nee,’ zei Eliwys zonder haar aan te kijken. ‘Denkt u dat de andere geestelijken ook ziek waren?’

Kivrin dacht aan het grauwe gezicht van de bisschop, aan de verontruste uitdrukking van de cisterciënzer. ‘Ik weet het niet.’

‘Het wordt kouder,’ zei Rosemund. ‘Misschien blijft Gawyn overnachten.’

Eliwys gaf geen antwoord. Kivrin knielde bij het vuur neer en stookte het op met de zware pook. Ze probeerde vruchteloos een paar gloeiende kolen met de pook in de stoof te schuiven; het lukte pas toen ze het deksel gebruikte.

‘U heeft de ziekte hier gebracht,’ zei Imeyne.

Kivrin keek geschrokken op, maar Imeyne keek naar Eliwys, niet naar haar. ‘Door uw zonden is deze plaag over ons gekomen.’

Eliwys draaide zich om, maar Kivrin zag geen angst of woede op haar gezicht. Ze keek ongeïnteresseerd naar haar schoonmoeder, alsof ze met haar gedachten elders was.

‘De Heer straft overspeligen en heel hun huis,’ zei Imeyne. Ze zwaaide met haar getijdenboek. ‘Door uw zonde is de pest over ons gekomen.’

‘U heeft zelf de gezant van de bisschop laten komen,’ zei Eliwys koel. ‘U was niet tevreden over Vader Roche. U heeft om een nieuwe kapelaan gevraagd en hij heeft de ziekte meegebracht.’ Ze draaide zich met een ruk om en ging naar de deur.

Imeyne bleef een ogenblik geschokt staan voordat ze terugging naar de bank. Ze ging op haar knieën liggen, sloeg haar boek open en liet de kralen afwezig door haar vingers glijden.

‘Wil je me nu een verhaaltje vertellen?’ vroeg Agnes aan Kivrin.

Imeyne zette haar ellebogen op de bank en drukte haar handen tegen haar voorhoofd.

‘Ik wil weten hoe het met de maagd in het bos afloopt,’ zei Agnes.

‘Morgen,’ zei Kivrin. ‘Morgen vertel ik je een verhaal.’ Ze nam de stoof mee naar boven.

De klerk was er slechter aan toe. Hij lag te woelen en reciteerde op luide toon zinnen uit de mis voor de doden. Hij vroeg telkens om water en Roche en Kivrin moesten om beurten naar de put in de voorhof om een emmer te vullen.

Kivrin liep op haar tenen de trap af, met de emmer en een kaars in haar handen. Agnes en de anderen waren in slaap gevallen, behalve vrouwe Imeyne. De oude vrouw lag nog steeds op haar knieën te bidden, stijf rechtop en onverzoenlijk. U heeft de plaag over ons gebracht.

Kivrin ging naar buiten. De voorhof lag in het donker. Ze hoorde twee klokken luiden, niet precies in de maat, en ze vroeg zich af of het voor het avondgebed was of voor een begrafenis. Bij de put stond een andere emmer, half gevuld, maar ze gooide hem leeg op de stenen en vulde hem met vers water. Ze zette de emmer bij de keukendeur en ging naar binnen om iets te eten te halen. Op de tafel lagen een paar grote doeken. Kivrin legde brood en een stuk koud vlees op een ervan, bond hem dicht en nam het eten met de rest van de doeken mee naar de ziekenkamer. Samen met Roche at ze bij de gloeiende stoof en al na de eerste hap voelde ze zich beter.

Ook de klerk was er wat beter aan toe. Hij viel weer in slaap en hij begon te zweten. Kivrin veegde zijn warme huid droog met een van de ruwe doeken uit de keuken. Hij zuchtte alsof het hem goed deed en dommelde weer in. Zijn koorts was afgenomen toen hij ontwaakte. Samen met Roche duwde ze de kist naar het bed en zette er een talglampje op. Om beurten waakten ze bij de klerk en rustten uit op de bank bij het venster. Het was te koud om echt te kunnen slapen, maar Kivrin sloot haar ogen en doezelde wat. Telkens wanneer ze naar de klerk keek, leek zijn toestand verbeterd te zijn.

Bij haar studie had ze geleerd dat zieken soms overleefden als hun builen werden doorgeprikt. Er kwam geen bloed of etter meer uit de buil onder zijn oksel en de ruis was uit zijn ademhaling verdwenen. Misschien zou hij toch niet sterven.

Sommige historici geloofden dat de Zwarte Dood niet zoveel mensen het leven had gekost als algemeen werd aangenomen. Volgens Gilchrist waren de statistieken uit angst en gebrek aan inzicht schromelijk overdreven, maar zelfs als de getallen correct waren, had de pest niet in alle dorpen even erg huisgehouden. In sommige plaatsen waren maar een of twee zieken geweest, in andere was helemaal niemand gestorven.