Выбрать главу

De klerk was vrij snel naar de ziekenkamer gegaan en Kivrin had ervoor gezorgd dat zelfs Roche zo min mogelijk met hem in aanraking kwam. Ze hadden al het mogelijke gedaan en de longen van de klerk waren niet aangetast. Misschien was dat al voldoende om verdere besmetting te voorkomen. Kivrin moest zorgen dat er geen vreemden meer in het dorp werden toegelaten, misschien zou de epidemie Skendgate dan ongemoeid laten. Hele dorpen waren van de ziekte gevrijwaard en in sommige streken in Schotland was de pest helemaal niet uitgebroken.

Ze viel ongemerkt toch in slaap. Toen ze wakker werd begon het licht te worden en was Roche verdwenen. Ze keek naar het bed. De klerk lag volstrekt roerloos met opengesperde ogen. Hij is dood en Roche is een graf aan het graven, dacht ze, maar tegelijkertijd zag ze het laken op zijn borst licht op en neer gaan. Ze voelde zijn pols. Zijn hart klopte snel, maar zo zwak dat ze het nauwelijks kon voelen.

De klok begon te luiden en ze begreep dat Roche voor de ochtendmis naar de kerk was gegaan. Ze deed de doek voor haar gezicht en boog over de klerk heen. ‘Vader,’ zei ze zachtjes, maar hij scheen haar niet te horen. Ze legde een hand op zijn voorhoofd. De koorts was gezakt, maar zijn huid voelde abnormaal aan, droog als papier, en zijn armen en benen zaten onder de bloeduitstortingen. Zijn gezwollen tong stak uit zijn mond en had een walgelijk paarse kleur gekregen.

De stank van het ziekbed was bijna ondraaglijk. Kivrin ging op het bankje staan om het stijve linnen voor het venster weg te halen. Ze stak haar hoofd naar buiten om de koude, maar heerlijk frisse lucht op te snuiven.

De voorhof was verlaten, maar terwijl ze diep inademde zag ze Roche met een dampende kom in zijn handen uit de keuken komen. Hij liep naar de ridderzaal, waar vrouwe Eliwys in de deuropening verscheen. Ze zei iets tegen Roche, die bleef staan om zijn masker voor te doen voordat hij naar haar toe ging. Gelukkig, dacht Kivrin, hij heeft mijn waarschuwing begrepen. De priester ging naar binnen terwijl Eliwys naar de put liep.

Kivrin keek om zich heen om iets te vinden dat ze als waaier kon gebruiken. Ze pakte een van de doeken uit de keuken en stapte weer op de bank. Eliwys was de emmer aan het ophalen, maar ineens hield ze op en draaide zich om naar de poort. Gawyn liep de voorhof op, zijn paard aan de teugel meevoerend.

Hij bleef abrupt staan toen hij haar zag. Gringolet botste tegen hem aan en schudde geschrokken met zijn hoofd. Gawyn had nog dezelfde uitdrukking op zijn gezicht, vol hoop en verlangen, en Kivrin ergerde zich eraan. Hij weet nog niet eens wat er aan de hand is, dacht ze. Hij is net terug uit Courcy. Ze kreeg bijna medelijden met hem nu Eliwys het hem zou moeten vertellen.

Eliwys haalde de emmer op naar de rand van de put. Gawyn deed een stap in haar richting, met de teugel nog in zijn hand, en bleef staan.

Hij weet het al, dacht Kivrin. Hij weet het. De gezant van de bisschop is ook ziek geworden en Gawyn is teruggekomen om de anderen te waarschuwen. Plotseling besefte ze dat hij geen andere paarden had meegenomen. Dan is de monnik ook ziek geworden, dacht ze, en de rest is op de vlucht geslagen.

Gawyn keek naar Eliwys, die de zware emmer op de stenen rand van de put probeerde te tillen. Hij zou alles voor haar doen, dacht Kivrin, hij zou het tegen duizend struikrovers opnemen om haar te redden, maar tegen de pest kan hij niets beginnen.

Gringolet rook de stal en schudde ongeduldig met zijn hoofd. Gawyn legde een hand op de neus van het dier, maar het was te laat. Eliwys had hem al gezien.

Ze liet het touw los en de emmer viel met een zware plons in de put. Eliwys rende naar Gawyn toe en wierp zich in zijn armen. Kivrin sloeg een hand tegen haar mond.

Er werd zacht op de deur geklopt. Kivrin sprong van de bank en deed open. Het was Agnes.

‘Wil je me nu een verhaaltje vertellen?’ Het kind zag er verfomfaaid uit. Haar haar was sinds de vorige dag niet meer geborsteld en stak aan alle kanten onder haar linnen mutsje uit. Ze had bij het vuur geslapen, want er zaten grijze strepen van de as op haar mouw.

Kivrin durfde het meisje niet aan te raken. ‘Je kan niet binnenkomen,’ zei ze, de deur op een kier houdend. ‘Anders word je ook ziek.’

‘Er is niemand om mee te spelen,’ zei Agnes. ‘Moeder is weg en Rosemund slaapt nog.’

‘Je moeder is alleen maar water gaan halen,’ zei Kivrin op besliste toon. ‘Waar is je grootmoeder?’

‘Die zit te bidden.’ Ze stak een hand uit en Kivrin deinsde geschrokken terug.

‘Je mag me niet aanraken,’ zei ze scherp.

Agnes trok een verdrietig gezicht. ‘Waarom ben je boos op me?’

‘Ik ben niet boos op je,’ zei Kivrin op mildere toon. ‘Maar je mag niet naar binnen. De klerk is erg ziek.’ Ze deed geen moeite om Agnes uit te leggen wat besmetting was. ‘Als je bij hem in de buurt komt, kun je zelf ook ziek worden.’

‘Gaat hij dood?’ Agnes probeerde naar binnen te kijken.

‘Ik ben bang van wel.’

‘Jij ook?’

‘Nee,’ zei ze, en ze merkte dat ze geen angst meer voelde. ‘Rosemund zal zo wel wakker worden. Vraag maar of zij je een verhaal wil vertellen.’

‘Gaat Vader Roche dood?’

‘Nee. Ga met je kar spelen tot Rosemund wakker is.’

‘Wil je me een verhaal vertellen als de klerk dood is?’

‘Ja. En ga nu naar beneden!’

Agnes daalde met tegenzin drie treden af, waarbij ze zich aan de muur vasthield. ‘Gaan we allemaal dood?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei Kivrin. Ik zal alles doen om dat te voorkomen. Ze deed de deur dicht en leunde tegen het houtwerk.

De klerk lag nog steeds voor zich uit te staren, helemaal in beslag genomen door de strijd tegen een onbekende ziekte waar zijn afweersysteem niet tegen bestand was.

Er werd opnieuw geklopt. ‘Ga naar beneden, Agnes,’ zei Kivrin, maar het was Vader Roche. Hij had het brouwsel uit de keuken bij zich en een bak met kolen. Hij gooide de bak leeg in de stoof en blies het vuur aan.

Kivrin had de kom van hem aangenomen. Er zat een dikke lauwe soep in die afschuwelijk rook. Toch zat er iets in waardoor de koorts afnam.

Roche stond op en ging met haar naar het bed. Ze probeerden de klerk te laten eten, maar het meeste liep van zijn dikke tong weer uit zijn mond.

Er werd geklopt.

‘Agnes,’ zei Kivrin ongeduldig, ‘ik zei toch dat je hier niet mag komen?’ Ze sloeg het kussen wat op.

‘Grootmoeder vraagt of je wil komen.’

‘Is vrouwe Imeyne ziek?’ vroeg Roche. Hij ging naar de deur.

‘Nee, Rosemund.’

Kivrin keek geschrokken op.

Roche deed de deur open, maar Agnes kwam niet naar binnen. Ze bleef op de drempel staan en staarde naar zijn masker.

‘Is Rosemund ziek?’ vroeg Roche gespannen.

‘Ze is gevallen.’

Kivrin holde langs hen en ging de trap af.

Rosemund zat op een van de banken bij het vuur en vrouwe Imeyne boog zich over haar heen.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Kivrin.

‘Ik ben gevallen,’ zei Rosemund op verwonderde toon. ‘Op mijn arm.’ Ze tilde haar gebogen arm op.

Vrouwe Imeyne mompelde iets.

‘Wat zegt u?’ vroeg Kivrin, maar ze zag dat de oude vrouw stond te bidden. Ze keek de zaal in. Eliwys was er niet. Alleen Maisry zat angstig weggedoken bij de tafel en Kivrin dacht dat Rosemund misschien over de dienstmeid was gestruikeld.

‘Ben je uitgegleden?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei Rosemund afwezig. ‘Ik heb pijn in mijn hoofd.’

‘Ben je op je hoofd gevallen?’

‘Nee.’ Ze schoof haar mouw omhoog. ‘Ik kwam met mijn elleboog op de stenen.’

Kivrin schoof de wijde mouw over de elleboog van het meisje. Er was alleen een schram te zien, geen bloed. Rosemund hield haar arm vreemd gebogen en Kivrin vroeg zich af of hij gebroken kon zijn. Ze bewoog hem voorzichtig. ‘Doet dit pijn?’