‘Als heer Bloet me nu zag, zou hij het niet wagen mij aan te raken.’ Rosemund deed haar ogen dicht. ‘Dan zou hij ook eens bang zijn.’
Roche kwam binnen met beddegoed in zijn armen en ging meteen weer weg. Kivrin legde een paar dekens over Rosemund heen, stopte haar goed in en legde de bontsprei weer op het bed.
De klerk was nog steeds heel rustig, maar het ruisen in zijn borst was weer begonnen en af en toe hoestte hij. Zijn mond hing open en zijn tong was wit uitgeslagen.
Ik kan Rosemund niet laten sterven, dacht Kivrin, ze is pas twaalf. Er moest toch iets zijn wat ze kon doen. De pest werd veroorzaakt door een bacterie die niet bestand was tegen streptomycine en sulfapreparaten, maar dat waren middelen die ze niet zelf kon bereiden en ze wist ook niet waar het rendez-vous was.
En Gawyn was naar Bath vertrokken. Natuurlijk was hij gegaan. Eliwys had haar armen om hem heen geslagen en hij zou alles doen wat ze maar wilde, zelfs haar echtgenoot halen.
Ze probeerde uit te rekenen hoe lang Gawyn nodig zou hebben om uit Bath terug te komen. Het was zeventig kilometer, minstens anderhalve dag rijden. Heen en terug minstens drie dagen, als hij geen oponthoud kreeg, als hij heer Guillaume meteen kon vinden, als hij niet ziek werd. Volgens dokter Ahrens stierven pestlijders zonder behandeling binnen vier of vijf dagen, maar ze dacht niet dat de klerk het zo lang zou uithouden. Zijn temperatuur was weer gestegen.
Ze had het kistje van vrouwe Imeyne onder het bed geschoven om ruimte te maken voor Rosemund. Nu haalde ze het weer te voorschijn en bekeek de gedroogde kruiden en poeders. Tijdens de epidemie hadden de mensen extracten van johanneskruid, bitterzoet en andere huismiddeltjes gebruikt, maar die richtten net zo weinig uit als fijngestampte smaragden.
Vlooienkruid hielp misschien om de insekten te verjagen, maar in geen van de linnen zakjes kon ze de roze of paarse bloemetjes van die plant ontdekken.
Ze vroeg Roche naar de beek te gaan om wilgetakken te halen en daar brouwde ze een bittere thee van. Roche nam een slokje en trok een vies gezicht. ‘Wat zit erin?’ vroeg hij.
‘Aspirine,’ zei ze. ‘Hoop ik.’
Roche liet de klerk een kom leegdrinken. Hij was te ver heen om zich iets van de smaak aan te trekken en zijn temperatuur leek iets te dalen. Rosemund kreeg daarentegen steeds heviger koorts en aan het eind van de middag lag ze te rillen. Ze gloeide helemaal toen Roche wegging voor het avondgebed.
Kivrin haalde de dekens van haar af en probeerde haar armen en benen met fris water te besprenkelen, maar Rosemund sloeg haar hand boos weg. ‘Het is ongepast dat u mij zo aanraakt, heer,’ zei ze klappertandend. ‘Ik zal het tegen mijn vader zeggen als hij terugkomt.’
Roche keerde niet terug. Kivrin stak de talglampjes aan en stopte Rosemund weer in terwijl ze zich afvroeg waar de priester bleef.
Het meisje zag er slecht uit in het rokerige licht, haar gezicht was bleek en ingevallen. Ze lag te mompelen, waarbij ze regelmatig Agnes’ naam noemde. ‘Waar is hij?’ vroeg ze ineens angstig. ‘Hij had er al moeten zijn.’
Dat is waar, dacht Kivrin. De klok had al een halfuur geleden voor de vespers geluid. Misschien was hij in de keuken om soep te maken of was hij Eliwys gaan zeggen hoe Rosemund het maakte. Hij was niet ziek geworden. Maar ze stond toch op en klom op de bank om door het venster naar buiten te kijken. Het begon kouder te worden en de donkere lucht was bewolkt. De voorhof was verlaten, nergens was een licht te zien of geluid te horen.
Roche kwam de kamer in en ze sprong glimlachend van de bank af. ‘Waar bent u geweest?’ vroeg ze. ‘Ik maakte me…’ Ze zweeg.
Roche droeg zijn priesterkleed en had de laatste sacramenten bij zich. Nee, dacht ze, met een blik op Rosemund. Nee.
‘Ik ben bij Ulf de baljuw geweest,’ zei hij. ‘Ik heb hem de biecht afgenomen.’ Goddank, dacht ze, voordat ze er erg in had wat zijn woorden betekenden. De pest was in het dorp uitgebroken.
‘Weet u het zeker?’ vroeg ze. ‘Heeft hij builen?’
‘Ja.’
‘Hoe groot is zijn huisgezin?’
‘Hij heeft een vrouw en twee zoons,’ zei hij vermoeid. ‘Ik heb haar een doek laten omdoen en haar zoons weggestuurd om wilgebast te snijden.’
‘Goed,’ zei ze, al kon ze er niets goeds aan ontdekken. Of nee, dat was niet waar. De baljuw had tenminste geen longpest, dus er was een kans dat hij zijn vrouw en twee zoons niet zou aansteken. Maar van wie had hij zelf de ziekte gekregen? Ulf kon niet in de buurt van de klerk zijn geweest, dus het moest een van de bedienden zijn. ‘Zijn er nog meer zieken?’
‘Nee.’
Dat wilde nog niets zeggen. Roche werd pas geroepen als er iemand doodziek was of als de mensen erg bang waren. Er konden al drie of vier anderen in het dorp ziek zijn. Of tien.
Ze ging op de bank zitten en vroeg zich af wat ze moest doen. Niets, dacht ze. Je kunt helemaal niets doen. De pest verspreidde zich van de ene plaats naar de andere en roeide hele families, hele steden uit. Een derde tot de helft van Europa.
‘Nee!’ schreeuwde Rosemund ineens. Ze probeerde op te staan.
Kivrin en Roche gingen snel naar haar toe, maar ze was al weer gaan liggen. Ze schopte de dekens van zich af. ‘Je bent stout, Agnes, ik zal het tegen moeder zeggen,’ mompelde ze. ‘Laat me eruit.’
Het werd steeds kouder. Roche haalde nieuwe kolen voor de stoof en Kivrin klom op de bank om het stijve linnen weer voor het venster te spannen, maar het hielp weinig. Kivrin en Roche probeerden om beurten bij de stoof wat te slapen en zaten bij het ontwaken net zo hard te rillen als Rosemund.
De klerk rilde niet, maar hij stamelde dat hij het koud had. Het was net of hij had gedronken, zo slecht was hij te verstaan. Zijn voeten en handen waren koud en gevoelloos.
‘Het is te koud voor ze,’ zei Roche. ‘We moeten ze beneden bij het vuur leggen.’
Je snapt het niet, dacht ze. Alleen door de zieken in afzondering te houden was er een kans dat de ziekte beperkt zou blijven. Maar de pest was al tot het dorp doorgedrongen en ze vroeg zich af of Ulf de baljuw ook koude handen en voeten had en of hij genoeg brandhout had. Ze had zelf in een van die hutten bij het haardvuur gezeten. Daar kon een kat zich nog niet aan warmen.
Ook de katten stierven, dacht ze, en ze keek naar Rosemund. Het meisje lag heftig te rillen en ze zag er mager uit, alsof ze al half weggeteerd was.
‘Hier geven ze de geest,’ zei Roche.
‘Ik weet het.’ Ze begon de dekens op te pakken. ‘Laat Maisry beneden stro op de grond leggen.’
De klerk was in staat om zelf de trap af te lopen, gesteund door Kivrin en Roche, maar Rosemund moest naar beneden gedragen worden. Eliwys en Maisry legden stro neer bij de achtermuur. Agnes lag nog te slapen en Imeyne zat op dezelfde plaats als de vorige avond op haar knieën te bidden, haar handen stijf gevouwen voor haar gezicht.
Roche legde Rosemund neer en Eliwys stopte haar in. ‘Waar is mijn vader?’ vroeg het meisje schor. ‘Waarom is hij er niet?’
Agnes bewoog in haar slaap. Ze zou weldra wakker worden en Rosemund en de klerk lastig vallen. Kivrin probeerde iets te verzinnen om haar bezig te houden. De zoldering was te hoog om gordijnen aan op te hangen, zelfs onder de bovenkamer, bovendien waren alle dekens en doeken al in gebruik. Ze kantelde een paar van de banken en schoof ze tegen elkaar om een barricade te vormen. Roche en Eliwys hielpen haar met de schraagtafel, die ze op zijn kant tegen de banken zetten.
Eliwys ging terug naar Rosemund, die in slaap was gevallen. Het haardvuur wierp een rode gloed over haar gezicht.
‘U moet een doek voor uw gezicht doen,’ zei Kivrin.
Eliwys knikte, maar ze verroerde zich niet. Ze streek een lok uit het gezicht van haar dochter. ‘Ze was het liefste kind van mijn gemaal,’ zei ze.
Rosemund sliep tot halverwege de ochtend. Kivrin trok het joelblok half uit het vuur en legde er nieuw brandhout voor in de plaats. Ze ontblootte de voeten van de klerk om ze warm te houden.