Tijdens de Zwarte Dood was de paus op aanraden van zijn lijfarts tussen twee laaiende haardvuren gaan zitten en hij was niet ziek geworden. Sommige historici meenden dat de pestbacillen door de hitte gedood waren. Waarschijnlijk was hij gespaard omdat hij bij zijn hoogst besmettelijke kudde uit de buurt was gebleven, maar het was de moeite van het proberen waard. Alles was de moeite van het proberen waard, dacht ze, naar Rosemund kijkend. Ze legde nog meer hout op het vuur.
Vader Roche ging naar de kerk voor de metten, hoewel het daar eigenlijk al te laat voor was. Agnes werd wakker van het klokgelui. Ze holde naar de barricade. ‘Wie heeft de banken omgegooid?’
‘Je mag hier niet voorbij,’ zei Kivrin, die zelf op een afstand bleef. ‘Je moet bij je grootmoeder blijven.’
Agnes klom op een van de banken en keek over de rand van de tafel. ‘Ik zie Rosemund,’ zei ze. ‘Is ze dood?’
‘Ze is erg ziek,’ zei Kivrin streng. ‘Daarom mag je niet in de buurt komen. Ga maar met je wagentje spelen.’
Agnes sloeg een been over de tafelrand. ‘Ik wil naar Rosemund kijken.’
‘Nee!’ riep Kivrin. ‘Ga bij je grootmoeder zitten!’
Agnes keek haar verbaasd aan en begon te snikken. ‘Ik wil naar Rosemund!’ griende ze, maar ze ging toch bokkig naast Imeyne zitten.
Roche kwam binnen. ‘De oudste zoon van Ulf is ziek,’ zei hij. ‘Hij heeft builen.’
Die ochtend kwamen er nog twee zieken bij en in de middag een derde, onder wie de vrouw van de meier. Zij was de enige die geen builen of gezwollen lymfklieren had.
Kivrin en Roche gingen naar haar toe. Ze gaf haar baby de borst en haar ingevallen gezicht was nog scherper geworden. Ze hoestte niet en Kivrin hoopte dat de builen nog geen tijd hadden gehad om zich te ontwikkelen. ‘Draag een doek voor uw gezicht,’ zei ze tegen de meier. ‘Geef de baby melk van de koe en hou de kinderen bij haar weg.’ Dat was natuurlijk onbegonnen werk met zes kinderen in twee kamers. Laat het geen longpest zijn, bad ze. Laat ze niet allemaal aangestoken worden.
Agnes maakte het gelukkig goed. Ze was niet meer bij de barricade geweest sinds Kivrin haar had afgesnauwd. Ze had een tijdje bij haar grootmoeder gezeten, af en toe een vuile blik naar Kivrin werpend die onder andere omstandigheden komisch zou zijn geweest, en was ten slotte haar wagentje van de zolder gaan halen. Ze richtte er een feestmaal voor aan op de tafel op het podium.
Rosemund was wakker. Ze vroeg Kivrin met schorre stem om water en nadat ze had gedronken viel ze meteen weer in slaap. Zelfs de klerk was ingedommeld en het geruis in zijn borst was niet zo luid meer. Kivrin ging dankbaar naast Rosemund zitten.
Ze zou Roche moeten gaan helpen met het verzorgen van de zieke kinderen, of er in elk geval op toezien dat hij zijn masker droeg en zijn handen waste, maar ze voelde zich ineens te moe om op te staan. Als ik maar even tot rust kon komen, dacht ze, dan zou ik misschien iets kunnen bedenken.
‘Ik wil naar Blackie,’ zei Agnes.
Kivrin was bijna in slaap gevallen en keek geschrokken op.
Agnes had haar rode mantel aangetrokken en de kap opgeslagen en stond niet ver van de barricade. ‘Je hebt beloofd dat je me zou laten zien waar je hem hebt begraven.’
‘Ssst, maak je zuster niet wakker.’
Agnes begon te huilen, maar niet zo luid als anders wanneer ze haar zin niet kreeg. Zij is ook bekaf, dacht Kivrin. De hele dag aan haar lot overgelaten, Rosemund ziek, Roche en ik voortdurend in de weer en iedereen gespannen en bang. Het arme kind.
‘Je hebt het beloofd,’ zei Agnes met trillende lippen.
‘Ik kan je nu niet naar Blackie brengen,’ zei Kivrin zacht, ‘maar ik zal je een verhaaltje vertellen.’ Ze hield een vinger tegen haar lippen. ‘Maar heel zacht, dan worden Rosemund en de klerk niet wakker.’
Agnes wreef over haar natte neus. ‘Vertel je me dan hoe het met de maagd in het woud afliep?’ zei ze, intens fluisterend.
‘Ja.’
‘Mag mijn wagentje ook luisteren?’
‘Ja,’ fluisterde Kivrin, en Agnes rende naar de verhoging om haar kar te pakken. Ze nam hem mee naar de barricade en begon over de banken te klimmen.
‘Ga daar maar tegen de tafel zitten,’ zei Kivrin, ‘dan blijf ik aan deze kant.’
‘Dan kan ik je niet horen,’ zei Agnes. Haar gezichtje betrok weer.
‘Natuurlijk wel, als je maar stil bent.’
Agnes stapte van de bank en ging met haar rug tegen de tafel zitten. Ze zette haar wagentje naast haar op de grond. ‘Je moet heel stil zijn,’ zei ze ertegen.
Kivrin keek snel even bij haar patiënten voordat ze tegen de tafel ging zitten. Ze voelde zich weer even uitgeput als daarstraks.
‘Er was eens…’ begon Agnes.
‘Er was eens een schone maagd, in een land ver hiervandaan. Ze woonde dicht bij een groot bos…’
‘Haar vader zei, “Je mag niet naar het bos,” maar ze was ongehoorzaam en wilde niet luisteren,’ zei Agnes.
‘Ze was ongehoorzaam en wilde niet luisteren,’ zei Kivrin. ‘Ze trok haar mantel aan…’
‘Haar rode kapmantel,’ zei Agnes. ‘En ze ging naar het woud, ook al had haar vader gezegd dat het niet mocht.’
Ook al had haar vader gezegd dat het niet mocht. ‘Ik red me wel,’ had ze tegen meneer Dunworthy gezegd. ‘Ik kan voor mezelf zorgen.’
‘Ze had niet naar het bos moeten gaan, of wel?’ vroeg Agnes.
‘Ze wilde weten hoe het eruitzag. Ze wilde maar een klein eindje het bos in.’
‘Ze had niet moeten gaan,’ zei Agnes op besliste toon. ‘Ik zou thuis zijn gebleven. Het is donker in het bos.’
‘Heel erg donker en je hoort allerlei angstaanjagende geluiden.’
‘Wolven,’ zei Agnes. Het meisje schoof dichter naar de tafel toe om vlak bij Kivrin te zijn. Ze trok haar knieën op en hield haar wagentje tegen zich aan.
‘De maagd vond het helemaal niet leuk in het bos en ze wilde weer naar huis gaan, maar in het donker kon ze het pad niet meer vinden en plotseling sprong er iets op haar af!’
‘Een wolf,’ zei Agnes ademloos.
‘Nee,’ zei Kivrin, ‘het was een beer. En de beer zei: “Wat doe jij in mijn woud?”’
‘De maagd werd bang,’ zei Agnes met een angstig stemmetje.
‘Ja. “O, eet me alstublieft niet op, meneer beer,” zei de maagd. “Ik ben verdwaald en kan de weg naar huis niet meer vinden.” De beer was een aardige beer, al zag hij er ook heel gevaarlijk uit en hij zei: “Ik zal je helpen de weg te vinden.” “Maar hoe dan?” zei de maagd. “Het is zo donker.” “We vragen het aan de uil,” zei de beer. “Hij kan goed zien in het donker.”’
Onder het vertellen verzon ze hoe het verhaal verder moest gaan en vreemd genoeg ontleende ze er zelf troost aan. Agnes onderbrak haar niet meer en na een tijdje richtte Kivrin zich op om over de tafel te gluren. “‘Weet jij de weg uit het woud?” vroeg de beer aan de kraai. “Ja,” zei de kraai.’
Agnes was tegen de tafel in slaap gevallen. Haar mantel hing als een waaier om haar heen en ze klemde het karretje tegen haar borst.
Kivrin had haar het liefst toegedekt, maar dat durfde ze niet. Alle dekens zaten onder de bacillen. Ze keek naar vrouwe Imeyne, die met haar gezicht naar de muur in de hoek zat te bidden. ‘Vrouwe Imeyne,’ riep ze zacht, maar de oude dame keek niet op of om.
Kivrin legde nog wat hout op het vuur en ging weer zitten met haar hoofd tegen de tafel. “‘Ik zal je laten zien hoe je uit het woud komt,” zei de kraai, maar hij vloog zo snel weg over de boomtoppen dat ze hem niet konden volgen.’
Ze moest in slaap zijn gevallen, want het vuur brandde lang niet meer zo fel toen ze haar ogen opende en ze had pijn in haar nek. Rosemund en Agnes lagen nog te slapen, maar de klerk was wakker. Hij riep iets onverstaanbaars tegen haar. Zijn hele tong was nu wit uitgeslagen en zijn adem stonk zo erg dat Kivrin haar hoofd moest afwenden. Zijn buil was weer opengegaan en er kwam een donker, stroperig vocht uit dat naar rottend vlees stonk. Kivrin zat bijna te kokhalzen terwijl ze een ander verband aanlegde. Ze gooide het oude weg in een hoek van de zaal en ging naar buiten. Ze spoelde haar handen af met ijzig water uit de put en snoof intussen de frisse lucht op.