Выбрать главу

Roche kwam over het pad aanlopen. ‘Ulric, de zoon van Hal,’ zei hij, terwijl hij met haar mee naar binnen ging, ‘en Walthef, de oudste zoon van de meier.’ Hij struikelde bijna over de bank bij de deur.

‘U bent uitgeput,’ zei Kivrin. ‘U moet gaan liggen.’

Aan de andere kant van de zaal stond Imeyne moeizaam op, alsof haar benen sliepen, en kwam naar hen toe.

‘Ik kan niet blijven,’ zei Roche. ‘Ik kom alleen een mes halen om bast te snijden.’ Maar hij ging bij het vuur zitten en staarde naar de vlammen.

‘Rust dan maar even uit,’ zei Kivrin. ‘Ik zal wat bier voor u halen.’ Ze duwde de bank opzij en ging op weg naar de deur.

‘U heeft deze ziekte over ons gebracht,’ zei vrouwe Imeyne.

Kivrin draaide zich om. De oude vrouw stond in het midden van de zaal en keek strak naar Roche. Ze hield het boek met twee handen tegen haar borst. De hanger bungelde tussen haar vingers. ‘Uw zonden hebben de plaag over ons afgeroepen.’

Ze keek naar Kivrin. ‘Op Sint Eusebius zei hij de mis voor Sint Maarten. Zijn kleed is vuil.’ Ze klonk even venijnig als toen ze tegen de zuster van heer Bloet had zitten klagen en ze telde zijn gebreken af op de kralen van haar hanger. ‘Hij breekt de kaarspitten door ze met zijn vingers uit te knijpen.’

Kivrin keek naar haar. Imeyne probeert alleen zichzelf vrij te pleiten, dacht ze. Zij was het die de bisschop om een nieuwe kapelaan had gevraagd en die bekend had gemaakt waar ze waren, maar ze kon niet aanvaarden dat ze verantwoordelijk was. Kivrin voelde niet het geringste medelijden. Je hebt het recht niet Roche iets te verwijten, dacht ze, hij heeft alles gedaan wat hij kon. Jij hebt alleen maar in een hoekje zitten bidden.

‘Deze plaag is niet de straf van God,’ zei ze koel tegen Imeyne. ‘Het is een ziekte.’

‘Hij kende het confiteor Deo niet,’ zei Imeyne, maar ze liep trekkebenend terug naar haar hoek en ging op haar knieën liggen. ‘Hij heeft de altaarkaarsen op het koorhek gezet.’

Kivrin ging naar Roche. ‘Niemand kan er iets aan doen,’ zei ze.

Hij staarde naar het vuur. ‘Als het de straf van God is, moet onze zonde verschrikkelijk zijn geweest.’

‘We hebben geen zonde begaan,’ zei ze. ‘Het is geen straf.’

Dominus!’ riep de klerk, die rechtop probeerde te gaan zitten. Hij hoestte weer en zijn hele lichaam schokte, maar hij gaf geen bloed of speeksel op. Rosemund werd wakker van het lawaai en begon zachtjes te kreunen. Het is dan misschien geen straf, dacht Kivrin, maar het lijkt er wel verdacht veel op.

Rosemund was niet opgeknapt van het slapen. Ze had weer verhoging en haar gezicht was ingevallen. De geringste beweging leek haar pijn te doen.

Ze redt het niet, dacht Kivrin. Ik moet iets doen.

Ze liet Roche bij de kinderen achter en haalde het kruidenkistje van Imeyne uit de bovenkamer. Imeyne zat in stilte te bidden toen Kivrin het voor haar neerzette en vroeg wat er in de linnen zakjes zat. De oude vrouw drukte haar gevouwen handen tegen haar gezicht en sloot haar ogen.

Kivrin herkende wel een paar kruiden. Dokter Ahrens had haar geneeskrachtige kruiden laten bestuderen. Er zat longkruid bij, smeerwortel en fijngestampte blaadjes wormkruid. Een van de zakjes bevatte kwiksulfide, wat je geen patiënt zou toewensen, een ander het bijna net zo gevaarlijke vingerhoedskruid.

Kivrin bracht water aan de kook en maakte een extract van alle kruiden die ze kende. Het aftreksel geurde even verrukkelijk als een zomerbries en smaakte niet slechter dan de wilgethee, maar haalde net zo weinig uit. Tegen de avond lag de klerk onafgebroken te hoesten en Rosemund had rode vlekken op haar buik en armen gekregen. Haar buil was net zo groot en hard als een ei geworden. Het meisje gilde het uit toen Kivrin hem aanraakte.

Tijdens de Zwarte Dood hadden dokters de builen met zalf ingesmeerd of doorgeprikt. Maar ze hadden ook aan aderlating gedaan en arsenicum als pijnstiller gebruikt, dacht Kivrin. Toch was de toestand van de klerk verbeterd nadat zijn buil was opengegaan en hij leefde nog steeds. Maar doorprikken zou ook het besmettingsgevaar vergroten en het risico met zich meebrengen dat het bloed werd geïnfecteerd.

Ze drenkte een paar doeken in lauw water, maar Rosemund gaf een schreeuw van pijn toen ze die op de buil legde, en koude omslagen hadden niet de minste uitwerking. Het helpt allemaal niets, dacht Kivrin terwijl ze de natte koude doek tegen de buil hield. Wat ik ook doe.

Ze moest de open plek zien te vinden, maar het bos was zo groot, er waren overal eikebomen en open plekken. Ze zou hem nooit terugvinden. En ze kon Rosemund niet aan haar lot overlaten.

Misschien zou Gawyn eerder terugkomen. Sommige steden hadden de poorten gesloten, dus misschien kon hij Bath niet binnenkomen of had hij van andere reizigers gehoord dat heer Guillaume dood was. Laat hem terugkomen, bad ze. Snel.

Kivrin deed Imeynes kistje weer open en proefde de inhoud van de zakjes. Het gele poeder was zwavel. Dat was bij epidemieën gebruikt om de lucht te zuiveren en ze herinnerde zich dat sommige zwavelverbindingen ook dodelijk waren voor bacteriën. Het was in elk geval veiliger dan het doorprikken van de builen.

Ze strooide wat van het poeder in het vuur, wat een gele damp veroorzaakte die ze ondanks haar masker in haar keel voelde schroeien. De klerk snakte naar adem en Imeyne begon in haar hoekje te kuchen.

De stank van rotte eieren verdween binnen enkele minuten, maar de gele rook bleef als een sluier in de zaal hangen en deed hun ogen tranen. Maisry rende hoestend in haar schort naar buiten en Eliwys nam Imeyne en Agnes mee naar de zolderkamer om eraan te ontsnappen.

Kivrin zette de deur open en zwaaide een van de keukendoeken heen en weer, en na een tijdje klaarde de lucht wat op, al was haar keel nog steeds uitgedroogd. De klerk bleef hoesten, maar Rosemund leek weer in slaap te vallen. Kivrin voelde de pols van het meisje, die heel zwak was.

‘Ik weet niet wat ik nog meer kan doen,’ zei Kivrin, met de hete en droge pols van het meisje in haar handen. ‘Ik heb alles geprobeerd.’

Roche kwam naar binnen en begon te hoesten.

‘Dat is zwavel,’ zei Kivrin. ‘Rosemund gaat achteruit.’

Roche keek naar het meisje, voelde haar pols en ging weer naar buiten. Kivrin zag er een goed teken in. Hij zou niet zo gauw zijn weggegaan als Rosemund er heel slecht aan toe was.

Een paar minuten later kwam hij terug in zijn priesterkleed en met de laatste sacramenten.

‘Wat is er?’ vroeg Kivrin. ‘Is de vrouw van de meier gestorven?’

‘Nee.’ Hij keek langs haar heen naar Rosemund.

‘O nee,’ zei Kivrin. Ze sprong overeind en versperde hem de weg. ‘Nee, dat mag niet.’

‘Ik moet haar de biecht afnemen,’ zei hij, nog steeds naar Rosemund kijkend.

Kivrin volgde zijn blik. ‘Rosemund gaat niet dood.’

Het meisje leek al dood te zijn met haar gebarsten lippen en haar starende ogen. Haar huid had een gele tint gekregen en was strak over haar gezicht gespannen. Nee, dacht Kivrin radeloos. Ik moet iets doen. Ze is pas twaalf jaar.

Roche ging naar Rosemund toe en het meisje tilde haar arm op alsof ze hem wilde afweren.

‘We moeten de buil doorsteken,’ zei Kivrin. ‘Het gif moet eruit.’

Ze verwachtte dat hij het meisje eerst de biecht wilde afnemen, maar dat was niet zo. Hij legde de sacramenten op de stenen vloer en ging een mes halen.

‘Een scherp mes,’ riep Kivrin hem na. ‘En neem wijn mee.’ Ze zette de pot met water weer op het vuur. Roche kwam terug met een mes, dat ze met water uit de emmer afspoelde. Met haar vingernagels krabde ze het vuil bij het gevest weg. Daarna wikkelde ze het heft in een plooi van haar schort en hield het lemmet in het vuur. Ten slotte gooide ze er kokend water, wijn en nog een keer water overheen.