Выбрать главу

Ik vraag me af of er echt een God is en zo ja, of Hij door nog iets ergers dan de tijd van ons is gescheiden en ons niet kan vinden.

(Pauze)

We kunnen de epidemie horen. In elk dorp wordt na een begrafenis de doodsklok geluid, negen slagen voor een man, drie voor een vrouw en een voor een zuigeling, gevolgd door een vol uur onafgebroken gelui. De klok van Esthcote heeft vanmorgen twee keer geklonken en Osney horen we sinds gisteren onafgebroken. De kerk in het zuidwesten, die ik de eerste dag hoorde, geeft nu helemaal geen geluid meer. Ik weet niet of de ziekte daar voorbij is of dat er niemand meer in leven is om de klok te luiden.

(Pauze)

Laat Rosemund alstublieft niet sterven. Laat Agnes alstublieft niet ziek worden. Laat Gawyn terugkomen.

28

Die nacht was de jongen ziek geworden die voor Kivrin op de vlucht was geslagen toen ze voor het eerst in het dorp was geweest. Zijn moeder stond Vader Roche op te wachten toen hij voor de ochtendmis naar de kerk ging. De jongen had een buil op zijn rug en Roche en zijn moeder hielden hem vast terwijl Kivrin hem doorprikte.

Ze deed het met tegenzin. Hij was al zwak van de scheurbuik en Kivrin wist niet of er slagaderen onder de schouderbladen lagen. Rosemund leek er helemaal niet op vooruit te zijn gegaan, hoewel Roche beweerde dat haar polsslag krachtiger was. Ze zag heel bleek, alsof al het bloed uit haar gezicht was getrokken, en ze lag roerloos op haar bed. En de jongen zag er niet naar uit dat hij enig bloedverlies kon verdragen.

Maar er kwam nauwelijks bloed uit de buil en hij kreeg al weer een blos op zijn wangen toen Kivrin het mes nog aan het schoonmaken was.

‘Laat hem thee van rozebottel en wilgebast drinken,’ zei Kivrin. Het zou in elk geval helpen tegen de scheurbuik. Ze hield het lemmet van het mes boven het vuur. De vlammen reikten niet hoger dan die eerste keer, toen ze te zwak was geweest om verder naar de open plek te zoeken. Het was niet genoeg om de jongen warm te houden en ze durfde de moeder niet te vragen hout te gaan sprokkelen uit vrees dat ze iemand anders zou aansteken. ‘We zullen u wat hout voor het vuur brengen,’ zei ze, al vroeg ze zich af waar ze dat vandaan moest halen.

Er was nog eten over van het feestmaal, maar de rest van de voorraden begon zienderogen te slinken. Het meeste brandhout was al opgestookt om Rosemund en de klerk warm te houden en ze kon niemand vragen de blokken klein te hakken die tegen de keukenmuur waren opgestapeld. De baljuw was ziek en de meier moest zijn vrouw en zoon verzorgen.

Kivrin ging wat van hun eigen brandhout halen en stukken schors voor het aanmaken en bracht alles naar de hut. Ze had de jongen het liefst naar de ridderzaal gebracht, maar Eliwys had haar handen vol aan de klerk en Rosemund en zag eruit alsof ze zelf elk moment een inzinking kon krijgen.

Eliwys had de hele nacht bij Rosemund gezeten, haar af en toe wat wilgethee te drinken gegeven en nieuw verband om de wond gedaan. Toen er geen doeken meer waren had ze haar witte kap afgedaan en die in stukken gescheurd. Ze had steeds naar de tussenmuur gekeken en herhaaldelijk was ze naar de deur gelopen, alsof ze iemand had horen komen. Met haar donkere haar, dat nu los over haar schouders viel, zag ze er niet ouder uit dan Rosemund.

Kivrin legde het brandhout op de grond naast de kooi. De rat was er niet meer, ongetwijfeld doodgemaakt, al kon het beest er ook niets aan doen. ‘De Heer zij geprezen,’ zei de vrouw. Ze knielde neer en stookte het vuur op met het nieuwe hout.

Kivrin onderzocht de jongen nog een keer. Uit de buil kwam nog steeds een heldere, waterige afscheiding, wat een goed teken was. Rosemund had de halve nacht gebloed en daarna was de buil weer gaan zwellen en hard geworden. Kivrin durfde hem niet nog eens door te prikken, bang dat het meisje te veel bloed zou verliezen.

Ze ging terug naar het grote huis en vroeg zich af of ze Eliwys moest gaan aflossen of proberen zelf hout te hakken. Roche kwam net uit de hut van de meier en vertelde dat twee andere kinderen eveneens ziek waren geworden.

Het waren de twee jongste zoons, die allebei longpest hadden. Ze lagen te hoesten en de moeder gaf af en toe wat waterig slijm op. De Heer zij geprezen.

Kivrin ging terug naar de zaal. Er hing nog steeds een nevel en in het gele licht leken de armen van de klerk helemaal zwart. Het haardvuur was al even flauw als dat in de hut. Kivrin bracht het laatste brandhout naar binnen en zei tegen Eliwys dat ze kon gaan rusten.

‘Nee,’ zei Eliwys. Ze keek naar de deur en voegde er afwezig aan toe: ‘Hij is al bijna drie dagen onderweg.’

Het was zeventig kilometer naar Bath, heen en terug minstens drie dagen rijden, als Gawyn in Bath tenminste een ander paard had kunnen krijgen. Hij zou vandaag terug kunnen zijn als hij heer Guillaume onmiddellijk had gevonden. Als hij van plan was om terug te komen, dacht Kivrin.

Eliwys draaide haar hoofd opnieuw om naar de deur, alsof ze iets had gehoord, maar alleen Agnes zat zachtjes tegen haar wagen te praten. Ze had er een doek overheen gelegd bij wijze van deken en deed of ze het te eten gaf. ‘Hij heeft de blauwe ziekte,’ zei ze tegen Kivrin.

Kivrin besteedde de rest van de dag aan huishoudelijke taken, water putten, bouillon trekken van het overgebleven vlees, de nachtpotten legen. De koe van de meier kwam loeiend en met een volle uier de voorhof op en liep achter haar aan, haar aanstotend tot Kivrin eindelijk besloot haar te melken. Roche zag kans hout te hakken tussen zijn bezoeken aan de meier en de zieke jongen door, maar Kivrin slaagde er nauwelijks in de grote blokken klein te krijgen. Ze wou dat ze had geleerd met een bijl om te gaan.

De meier kwam hen aan het eind van de dag opnieuw halen, nu voor zijn jongste dochter. Zij was de achtste zieke. Er leefden maar veertig mensen in het hele dorp. Een derde tot de helft van alle Europeanen zou aan de pest zijn gestorven en Gilchrist dacht dat die getallen overdreven waren. Een derde zou neerkomen op nog eens vijf zieken in Skendgate. Bij de helft zouden er nog twaalf bijkomen en de kinderen van de meier waren allemaal al besmet.

Kivrin bekeek ze aandachtig, de oudste dochter klein van stuk en even donker als haar vader, de jongste jongen met de scherpe trekken van zijn moeder, de broodmagere baby. Jullie zullen allemaal ziek worden, dacht ze, en dan komen er nog acht.

Ze leek geen enkel gevoel meer te kunnen opbrengen, ook niet toen de baby begon te huilen en het meisje hem op haar knie nam en een vuile vinger in zijn mond stopte. Nog dertien. Laat het er niet meer dan twintig worden, bad ze in stilte.

Het komt door het gebrek aan slaap, dacht ze, daar worden we allemaal gevoelloos door. Ze ging bij het vuur liggen en deed haar ogen dicht, maar ondanks alles kon ze de slaap niet vatten. Ze voelde zich zelfs niet moe meer. Nog acht zieken, dacht ze. De vrouw van de meier, de vrouw van de baljuw en haar kinderen. Nog vier. Laat het niet Agnes of Eliwys zijn. Of Roche.

De volgende morgen vond de priester de kokkin in de sneeuw voor haar hut. Ze was verstijfd van de kou en gaf bloed op. Negen, dacht Kivrin.

De kokkin was weduwe en had niemand om haar te verzorgen, daarom droegen ze haar naar de zaal en legden haar naast de klerk, die tot ieders verbazing en afschuw nog altijd leefde. Zijn hele lichaam zat onder de bloeduitstortingen, met paarsblauwe vlekken op zijn borst en armen en benen die bijna egaal zwart waren. Zijn wangen waren bedekt met donkere stoppels, die bijna ook al een symptoom leken te zijn, en de huid daaronder begon zwart te worden.

Rosemund zweefde nog steeds op het randje van de dood, wit en onbeweeglijk. Eliwys bleef stil bij haar zitten, alsof de geringste beweging of het minste geluid haar dochter het leven kon kosten. Kivrin liep op haar tenen van de een naar de ander.