Agnes begreep dat ze stil moest zijn, maar dat kon ze absoluut niet opbrengen. Ze liep te jammeren, klampte zich vast aan de barricade en dreinde voortdurend dat Kivrin haar naar Blackie of naar haar pony moest brengen, iets te eten moest halen of het verhaal over de ongehoorzame maagd in het woud moest afmaken.
‘Hoe loopt het af?’ zeurde ze op een toon die Kivrin het bloed onder de nagels vandaan haalde. ‘Wordt ze opgegeten door de wolven?’
‘Ik weet het niet,’ snauwde Kivrin voor de vierde keer. ‘Ga bij je grootmoeder zitten.’
Agnes keek geringschattend naar vrouwe Imeyne, die nog altijd met haar gezicht naar de muur zat te bidden. Ze was de hele nacht niet van haar plaats geweest. ‘Grootmoeder wil niet met me spelen.’
‘Ga dan maar met Maisry spelen.’
Dat deed ze, maar al na vijf minuten werd ze zo vervelend dat Maisry er genoeg van kreeg. Agnes kwam huilend naar Kivrin en zei dat Maisry haar geknepen had.
‘Gelijk heeft ze,’ zei Kivrin, en stuurde ze allebei naar de zolderkamer.
Ze ging even bij de jongen kijken, die genoeg hersteld was om rechtop te kunnen zitten. Toen ze terugkwam lag Maisry opgerold in de hoge stoel te slapen.
‘Waar is Agnes?’ vroeg Kivrin.
Eliwys keek afwezig om zich heen. ‘Ik weet het niet. Ze waren boven.’
Kivrin ging naar de verhoging. ‘Maisry, word wakker. Waar is Agnes?’
Maisry knipperde stom met haar ogen.
‘Je had haar niet alleen mogen laten,’ zei Kivrin. Ze klom over de ladder naar boven, maar daar was Agnes niet. Het kind was ook niet in de ziekenkamer.
Maisry was uit de stoel gekomen en zat nu doodsbang tegen de muur gedrukt. ‘Waar is ze?’ vroeg Kivrin streng.
Maisry drukte een hand tegen haar oor en keek haar met open mond aan.
‘Pas maar op,’ zei Kivrin. ‘Ik sla je oor eraf als je niet zegt waar ze is.’
Maisry verborg haar gezicht in haar rokken.
‘Waar is ze?’ riep Kivrin. Ze trok het meisje naar zich toe. ‘Jij moest op haar passen! Ik had haar aan je toevertrouwd!’
Maisry begon te janken als een dier.
‘Hou op!’ zei Kivrin. ‘Ik wil weten waar ze is!’ Ze duwde Maisry in de richting van de deur.
‘Wat is er?’ vroeg Roche, die net naar binnen kwam.
‘Agnes is weg. We moeten haar gaan zoeken. Misschien is ze het dorp ingegaan.’
Roche schudde zijn hoofd. ‘Ik heb haar niet gezien. Ze is zeker in een van de bijgebouwen.’
‘De stal!’ zei Kivrin opgelucht. ‘Ze zei dat ze naar haar pony wilde kijken.’
Ze was niet in de stal. ‘Agnes!’ riep Kivrin in de naar mest stinkende donkere ruimte. ‘Agnes!’ De pony hinnikte en probeerde uit zijn box te komen. Kivrin vroeg zich af wanneer het dier voor het laatst was gevoerd en waar de honden waren. ‘Agnes?’ Ze keek in elk van de boxen en achter de trog, overal waar een klein kind zich kon verstoppen. Of in slaap vallen.
Misschien is ze in de schuur, dacht Kivrin. Ze ging weer naar buiten en knipperde met haar ogen tegen het schelle daglicht. Roche kwam net uit de keuken. ‘Hebt u haar gevonden?’ vroeg ze, maar hij hoorde haar niet. Hij keek naar de poort en hield zijn hoofd schuin, alsof hij ingespannen luisterde.
Kivrin hoorde helemaal niets. ‘Wat is er?’ vroeg ze. ‘Hoort u haar huilen?’
‘Het is de heer,’ zei hij, en rende naar de poort.
O nee, hij begint ook al te ijlen, dacht ze. Ze holde achter hem aan. Hij was blijven staan om de poort open te maken. ‘Vader Roche!’ riep Kivrin. Op hetzelfde moment hoorde ze het paard.
Het hoefgetrappel klonk luid op de harde grond en kwam snel naderbij. Roche bedoelde heer Guillaume, dacht Kivrin. Eliwys’ gemaal is eindelijk gekomen. Met plotselinge hoop bedacht ze dat het misschien meneer Dunworthy wel was.
Roche tilde de zware grendel op en schoof hem weg.
We hebben streptomycine en chloor nodig en hij moet Rosemund naar een ziekenhuis brengen. Ze moet een bloedtransfusie hebben.
Roche duwde tegen de poort.
En vaccins, dacht ze buiten zinnen. Hij moet pillen meebrengen. Waar is Agnes? Hij moet Agnes in veiligheid brengen.
De ruiter was vlakbij toen haar gezond verstand weer de overhand kreeg. ‘Nee!’ zei ze, maar het was te laat. De poort stond al open.
‘Hij mag hier niet komen!’ riep Kivrin, verward om zich heen kijkend naar iets waarmee ze hem kon waarschuwen. ‘Straks wordt hij ook nog ziek!’
Ze had de spade bij het lege varkenskot laten staan nadat ze Blackie had begraven. Ze holde weg. ‘Laat hem niet binnen!’ riep ze.
Roche stak zijn armen in de lucht, maar de ruiter was al door de poort.
De priester liet zijn armen zakken. ‘Gawyn!’ zei hij. De zwarte hengst leek wel op Gringolet, maar de ruiter was een jonge knaap. Hij kon niet ouder zijn dan Rosemund en zijn gezicht en kleren zaten onder de modder. Ook zijn paard was besmeurd en had het schuim op de lippen. De jongen snakte naar adem en zijn neus en oren waren rood van de kou. Hij begon af te stijgen en staarde hen aan.
‘Je mag hier niet komen,’ zei Kivrin, langzaam sprekend om niet in modern Engels te vervallen. ‘Er heerst ziekte in het dorp.’ Ze tilde de spade op en stak hem dreigend in zijn richting.
De jongen zette zich af op de stijgbeugel en ging weer in het zadel zitten.
‘De blauwe ziekte,’ voegde Kivrin eraan toe, maar de jongen knikte al.
‘Het heerst overal.’ Hij draaide zich om naar zijn zadeltas. ‘Ik heb een boodschap bij me.’ Hij haalde een leren omslag te voorschijn. Roche wilde hem aannemen.
‘Nee!’ zei Kivrin. Ze deed een stap naar voren en zwaaide met de spade. ‘Gooi hem op de grond! Je mag ons niet aanraken.’
De jongen haalde een rol perkament uit de map en gooide die voor Roche op de grond.
De priester raapte de rol op en maakte het lint los. ‘Hoe luidt de boodschap?’ vroeg hij aan de jongen. Natuurlijk, dacht Kivrin, hij kan niet lezen.
‘Ik weet het niet,’ zei de jongen. ‘Het is een brief van de bisschop van Bath. Ik moet hem naar alle parochies brengen.’
‘Zal ik hem voor u lezen?’ vroeg Kivrin.
‘Misschien is er nieuws van de heer,’ zei Roche. ‘Misschien heeft hij oponthoud.’
‘Ja,’ zei Kivrin, terwijl ze de brief van hem aannam, maar ze wist wel beter.
De brief was in het Latijn gesteld, met sierlijke letters die moeilijk te ontcijferen waren, maar dat maakte niet uit. Ze had de brief al eens gezien. In de bibliotheek van de universiteit.
Ze legde de spade over haar schouder en vertaalde hardop:
‘De besmettelijke ziekte die zich in onze dagen over het gehele land heeft verspreid, heeft menige parochie in ons bisdom beroofd van zijn pastoor of priester.’
Ze keek naar Roche. Nee, dacht ze, hier niet. Dat zal ik niet laten gebeuren.
‘Aangezien er geen priesters bereid worden gevonden…’ De meesten waren dood of op de vlucht geslagen en niemand was bereid hun plaats in te nemen, zodat de mensen stierven zonder dat hen de laatste biecht werd afgenomen.
Ze las verder. Ze keek nauwelijks naar de zwarte letters, maar zag de vaalbruine tekens van het exemplaar in de bibliotheek voor zich. Ze had het een pompeus en belachelijk epistel gevonden. ‘De mensen stierven als vliegen,’ had ze tegen Dunworthy gezegd, ‘en de bisschop maakte zich alleen maar zorgen over het protocol!’ Maar nu ze de brief voorlas aan de uitgeputte jongen en Vader Roche, las ze tussen de regels door ook de uitputting en radeloosheid van de bisschop.
‘Als de zieken niet door een priester bijgestaan kunnen worden,’ vervolgde ze, ‘laat hen dan elkaar de biecht horen. Met deze brief dragen wij u op in de barmhartigheid van Jezus Christus.’
Noch de jongen, noch Roche zei iets toen ze klaar was. Ze vroeg zich af of de knaap wist wat hij bij zich had. Ze rolde de brief op en gaf hem terug.
‘Ik heb drie dagen gereden,’ zei de jongen, die gebogen in het zadel zat. ‘Kan ik hier niet een tijd rusten?’