Выбрать главу

‘Dat is te gevaarlijk.’ Kivrin had medelijden met hem. ‘We zullen je eten meegeven voor jou en je paard.’

Roche ging naar de keuken en Kivrin moest ineens aan Agnes denken. ‘Heb je een klein meisje op de weg gezien?’ vroeg ze. ‘Een kind van vijf jaar, met een rode kapmantel?’

‘Nee,’ zei de jongen, ‘maar er zijn veel mensen op de weg. Ze zijn op de vlucht voor de ziekte.’

Roche kwam de keuken uit met een knapzak. Kivrin liep naar de stal om haver voor het paard te halen. Plotseling kwam Eliwys naar buiten rennen, bijna struikelend over haar rokken. Haar haren wapperden achter haar aan.

‘Nee!’ riep Kivrin, maar Eliwys had de hengst al bij de teugel gepakt.

‘Waar kom je vandaan?’ Ze greep de jongen bij zijn mouw. ‘Heb je Gawyn gezien, de privé van mijn gemaal?’

De jongen keek haar angstig aan. ‘Ik kom van Bath met een boodschap van de bisschop.’ Hij trok aan de teugels en het paard hinnikte en schudde met zijn hoofd.

‘Wat voor boodschap?’ zei Eliwys hysterisch. ‘Van Gawyn?’

‘Ik ken de man niet van wie u spreekt.’

Kivrin ging terug. ‘Vrouwe Eliwys…’

‘Gawyn rijdt op een zwart paard en het zadel is met zilver afgezet.’ Eliwys pakte de teugel weer. ‘Hij is naar Bath gegaan om mijn gemaal te halen, die als getuige optreedt voor het assizenhof.’

‘Niemand gaat naar Bath,’ zei de jongen. ‘Iedereen vlucht er juist vandaan.’

Eliwys zakte door haar knieën en viel bijna tegen de flank van het paard.

‘Er is geen gerechtshof meer,’ zei de knaap. ‘De doden liggen op straat en wie naar hen kijkt, sterft eveneens. Sommigen zeggen dat dit het einde van de wereld is.’

Eliwys liet de teugel los en deed een stap naar achteren. Ze draaide zich om en keek hoopvol naar Kivrin en Roche. ‘Dan zullen ze weldra hier zijn. Weet je zeker dat je hem onderweg niet hebt gezien? Hij berijdt een zwarte hengst.’

‘Die waren er zoveel.’ Hij spoorde zijn paard aan, maar Eliwys ging niet uit de weg.

Roche reikte hem de etenszak aan. De jongen bukte zich om hem te pakken en liet zijn paard keren. Eliwys ging nog steeds niet opzij, al werd ze bijna onder de voet gelopen.

Kivrin stapte naar voren en pakte de teugel. ‘Ga niet terug naar de bisschop,’ zei ze.

Hij trok de teugels naar zich toe. Kivrin leek hem nog meer angst aan te jagen dan Eliwys.

Ze liet niet los. ‘Ga naar het noorden, daar heerst de ziekte nog niet.’

Hij rukte de teugels los, gaf zijn paard de sporen en galoppeerde door de poort de weg op.

‘Ga niet over de hoofdweg,’ riep Kivrin hem na. ‘Spreek niemand aan.’

Eliwys was stokstijf blijven staan.

‘Kom,’ zei Kivrin tegen haar. ‘We moeten Agnes zoeken.’

‘Mijn gemaal en Gawyn zijn eerst naar Courcy gegaan om heer Bloet te waarschuwen,’ zei Eliwys. Ze liet zich door Kivrin naar binnen brengen.

Kivrin liet haar bij het vuur plaatsnemen en ging naar de schuur. Agnes was er niet, maar ze vond wel haar eigen mantel die ze daar op kerstavond had laten liggen. Ze gooide hem over haar schouders en klom naar de hooizolder. Daarna keek ze in het bierhuis en Vader Roche in de andere bijgebouwen, maar ze vonden het meisje niet. Tijdens het gesprek met de bode was er een koude wind opgestoken en er leek sneeuw in de lucht te zitten.

‘Misschien is ze toch binnen,’ zei Roche. ‘Hebt u achter de stoelen op de verhoging gekeken?’

Kivrin ging weer naar binnen. Ze keek achter de stoelen en onder het bed in de bovenkamer. Maisry lag nog op dezelfde plaats te murmelen en Kivrin moest zich bedwingen om haar geen schop te geven. Ze vroeg vrouwe Imeyne, die bij de muur op haar knieën lag, of ze Agnes gezien had.

De oude vrouw sloeg geen acht op haar. Ze liet de ketting door haar vingers glijden en prevelde een gebed.

Kivrin schudde haar bij haar schouder. ‘Heeft u haar naar buiten zien gaan?’

Vrouwe Imeyne draaide haar hoofd om. Haar ogen schitterden. ‘Zij is de schuld.’

‘Agnes?’ zei Kivrin verontwaardigd. ‘Wat kan zij er nou aan doen?’

Imeyne schudde haar hoofd en keek langs Kivrin naar Maisry. ‘God straft ons voor haar zonden.’

‘Agnes is zoek en het wordt al donker,’ zei Kivrin. ‘We moeten haar vinden. Heeft u haar weg zien gaan?’

‘Schuldig,’ fluisterde Imeyne, en ze draaide haar hoofd weer naar de muur.

Het begon laat te worden en de wind floot in het portaal. Kivrin rende naar buiten en volgde het pad naar het dorp.

Het was net als toen ze de open plek had gezocht. Er was geen mens te zien op het besneeuwde veld en de wind rukte aan haar kleren terwijl ze naar de kerk holde. Ver weg in het noordoosten hoorde ze langzaam een klok luiden, een doodsklok.

Agnes was altijd gek geweest op de klokketoren. Kivrin ging naar binnen en riep haar naam, hoewel ze al had gezien dat er niemand in de toren was. Ze ging weer naar buiten en bleef even staan. Ze keek naar de hutten en probeerde te bedenken waar Agnes heen kon zijn gegaan.

Niet naar een van de huisjes, tenzij ze het koud had gekregen. Blackie. Ze had het graf van haar hondje willen zien. Kivrin had haar niet verteld dat ze hem in het bos had gelegd. Agnes had gezegd dat Blackie op het kerkhof begraven moest worden. Kivrin zag niemand op de begraafplaats, maar ze ging toch door het hek naar binnen.

Agnes was er wel geweest. De afdrukken van haar kleine laarzen liepen van het ene graf naar het andere en verdwenen achter de kerk. Kivrin keek naar de heuvel en naar de bosrand. Als Agnes nu eens het bos in was gegaan? Dan zouden ze haar nooit meer terugvinden.

Ze holde de hoek om en volgde de voetstappen, die langs de kerk naar de ingang leidden. Kivrin deed de deur open. Het was bijna helemaal donker binnen en nog kouder dan op de winderige begraafplaats. ‘Agnes!’ riep ze.

Er kwam geen antwoord, maar ze hoorde een vaag geluid bij het altaar, alsof er een rat over de stenen vloer liep. ‘Agnes?’ Ze tuurde in het duister achter de tombe en in de zijpaden. ‘Ben je daar?’

‘Kivrin?’ vroeg een trillend stemmetje.

Ze rende naar voren. ‘Agnes! Waar ben je?’

Het kind zat bij het beeld van Sinte Katherine, tussen de kaarsen op de grond weggedoken in haar rode kapmantel. Ze klemde zich tegen de ruwe stenen rokken van de heilige aan en keek met grote angstige ogen om zich heen. Haar gezicht was rood en betraand. ‘Kivrin!’ riep ze, en ze wierp zich in haar armen.

‘Wat doe je hier, Agnes?’ vroeg Kivrin, boos en opgelucht tegelijk. Ze drukte het meisje tegen zich aan. ‘We hebben je overal gezocht.’

Agnes verborg haar natte gezicht tegen Kivrins hals. ‘Ik had me verstopt,’ zei ze. ‘Ik was met Kar mijn hondje aan het zoeken en toen ben ik gevallen.’ Ze wreef haar neus af. ‘Ik heb je de hele tijd geroepen, maar je kwam niet.’

‘Ik wist niet waar je was, lieverd.’ Kivrin streek over haar hoofd. ‘Waarom ben je naar de kerk gegaan?’

‘Om me te verstoppen voor de boze man.’

‘Welke boze man?’ vroeg Kivrin fronsend.

De zware kerkdeur ging open en Agnes sloeg haar armpjes stijf om Kivrins nek. ‘Daar is de boze man,’ fluisterde ze doodsbang.

‘Vader Roche!’ riep Kivrin. ‘Ik heb haar gevonden. Ze is hier.’ De deur ging dicht en ze hoorde zijn voetstappen. ‘Het is Vader Roche maar,’ zei ze tegen Agnes. ‘Hij heeft je ook gezocht. We wisten niet waar je naartoe was gegaan.’

Agnes verzachtte haar greep een beetje. ‘Maisry zei dat de boze man me zou komen halen.’

Roche bleef hijgend bij hen staan en Agnes verborg haar gezicht weer. ‘Is ze ziek?’ vroeg Roche gespannen.

‘Ik geloof het niet,’ zei Kivrin. ‘Maar ze is half bevroren. Sla mijn mantel maar om haar heen.’