Выбрать главу

Roche maakte onhandig haar mantel los en sloeg die over de schouders van Agnes.

‘Ik had me verstopt voor de boze man,’ zei Agnes tegen hem.

‘Welke boze man?’

‘De boze man die Kivrin in de kerk achternazat,’ zei Agnes. ‘Maisry zegt dat je de blauwe ziekte krijgt als hij je vindt.’

‘Er is helemaal geen boze man,’ zei Kivrin, die zich voornam Maisry een flinke aframmeling te geven. Ze ging staan en Agnes hield zich stevig aan haar vast.

Roche zocht op de tast de zijdeur en deed die open. Blauwgrijs licht viel naar binnen.

‘Maisry zei dat hij Blackie te pakken heeft gekregen,’ zei Agnes rillend. ‘Maar mij niet. Ik heb me verstopt.’

Kivrin dacht aan het slappe lijfje van Blackie in haar handen, aan het bloed rond zijn mond. O nee, dacht ze, en liep snel in de richting van het grote huis. Agnes rilde omdat ze al die tijd in de ijskoude kerk was geweest, maar haar gezicht gloeide tegen Kivrins huid. Dat komt alleen maar van het huilen, dacht Kivrin. Ze vroeg of het meisje hoofdpijn had.

Agnes maakte alleen een beweging met haar hoofd zonder iets te zeggen. Kivrin liep nog sneller door, op de voet gevolgd door Roche, langs het huis van de meier naar de voorhof.

‘Ik ben niet in het bos geweest,’ zei Agnes toen ze bij de ingang van de ridderzaal kwamen. ‘De ongehoorzame maagd wel.’

‘Ja.’ Kivrin droeg haar naar het vuur. ‘Maar het was niet zo erg. Haar vader vond haar in het bos en bracht haar weer naar huis. En ze leefden nog lang en gelukkig.’ Ze liet Agnes op de bank zakken en maakte haar mantel open.

‘En ze ging nooit meer naar het bos.’

‘Nooit meer.’ Kivrin trok haar natte laarsjes en maillot uit en legde haar eigen mantel dicht bij het vuur op de grond. ‘Ga maar liggen, dan breng ik je een kom hete soep.’ Agnes ging gehoorzaam liggen en Kivrin wikkelde haar in de mantel.

Ze ging een kom soep halen, maar Agnes wilde niets hebben en viel bijna meteen in slaap.

‘Ze is de hele middag buiten geweest,’ zei ze op bozige toon tegen Eliwys en Roche, ‘en nu heeft ze kou gevat.’ Maar toen Roche voor het avondgebed was weggegaan, betastte ze Agnes’ armen en lendenen. Ze draaide het meisje zelfs om en bekeek de huid tussen de schouderbladen, waar de jongen een buil had gehad.

Roche luidde de klok niet. Hij kwam terug met een gerafelde sprei die blijkbaar van zijn eigen bed afkomstig was en legde Agnes daarop.

Kivrin hoorde wel de klokken van andere kerken, van Oxford en Godstow en van het dorp in het zuidwesten. De dubbele klok van Courcy zweeg. Ze keek gespannen naar Eliwys, maar die had er geen aandacht voor. Ze keek over Rosemund heen naar de deur.

De klokken van Courcy begonnen pas te luiden toen de andere zwegen. Het was een vreemd geluid, gedempt en traag. Kivrin keek naar Roche. ‘Is dat een doodsklok?’

‘Nee,’ zei hij, zonder zijn blik van Agnes af te wenden. ‘Het is een heilige dag.’

Ze had de dagen niet meer bijgehouden. De gezant was op kerstochtend vertrokken en later die dag had ze ontdekt dat het de pest was. Sindsdien scheen er een eindeloze tijd te zijn verstreken, maar het waren slechts vier dagen.

Ze had juist met de kerstdagen willen komen omdat de datum dan gemakkelijk vast te stellen zou zijn, zelfs als ze tussen ongeletterde boeren terecht zou komen, en ze het rendez-vous onmogelijk kon mislopen. Gawyn is naar Bath gegaan om hulp te halen, meneer Dunworthy, dacht ze, en de bisschop heeft alle paarden meegenomen en ik wist niet waar de open plek was.

Eliwys was opgestaan en luisterde even. ‘Zijn dat de klokken van Courcy?’ vroeg ze aan Roche.

‘Ja,’ zei hij. ‘Vrees niet. Het is Onnozele-kinderendag.’

Heel toepasselijk, dacht Kivrin, naar Agnes kijkend. Het meisje sliep en rilde niet meer, hoewel ze nog erg warm aanvoelde.

De kokkin riep iets en Kivrin ging naar haar toe. De vrouw probeerde van haar bed op te staan. ‘Ik moet naar huis,’ zei ze.

Kivrin kalmeerde haar en gaf haar wat te drinken. De emmer was bijna leeg, ze pakte hem op en ging op weg naar de deur.

‘Ik wil dat Kivrin bij me komt,’ zei Agnes, die rechtop was gaan zitten.

Kivrin zette de emmer op de grond en knielde bij het meisje neer. ‘Hier ben ik al,’ zei ze.

Agnes keek haar aan met een rood gezicht, dat vertrokken was van woede. ‘De boze man zal me vinden als Kivrin niet komt,’ zei ze. ‘Ik wil naar Kivrin!’

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(073453–074912)

Ik ben het rendez-vous misgelopen. Door alle zorgen om Rosemund en het verdwijnen van Agnes was ik de tel kwijtgeraakt en ik wist ook niet waar de open plek was.

U moet wel doodsbenauwd zijn, meneer Dunworthy. U denkt vast dat ik tussen rovers en moordenaars terecht ben gekomen. En dat is ook zo. Ze hebben Agnes te pakken gekregen.

Ze heeft koorts, maar geen builen, en hoesten of spugen doet ze ook niet. Alleen die hoge koorts. Ze herkent me niet en roept steeds dat ik bij haar moet komen. Roche en ik hebben geprobeerd de koorts te verlagen door koude omslagen, maar dat heeft niet geholpen.

(Pauze)

Vrouwe Imeyne is ziek geworden. Vader Roche vond haar vanochtend op de grond in haar hoek. Misschien heeft ze daar de hele nacht gelegen. De laatste twee dagen wilde ze niet meer gaan slapen en bleef op haar knieën zitten bidden om God te vragen haar en de andere gelovigen te sparen.

Dat heeft Hij niet gedaan. Ze heeft longpest. Ze hoest en geeft bloed op.

Ze wil niet dat Roche of ik iets voor haar doen. ‘Zij is de schuld van alles,’ zei ze tegen Roche, naar mij wijzend. ‘Dat is niet het haar van een maagd. Kijk maar naar haar kleren.’

Mijn kleren zijn de buis en leren broek van een jongen die ik in een kist in de bovenkamer heb gevonden. Mijn eigen kleed is geruïneerd sinds vrouwe Imeyne over me heen kotste en mijn hemd is aan stukken gescheurd om als doeken en verband te gebruiken.

Roche probeerde haar wat wilgethee te laten drinken, maar die spuugde ze weer uit. ‘Ze is niet in het bos overvallen, dat is een leugen,’ zei ze. ‘Ze is hierheen gestuurd om ons te vermoorden.’

Roche veegde het met bloed vermengde speeksel van haar mond af. ‘Het is de ziekte die u zulke dingen laat geloven,’ zei hij mild.

‘Ze is gestuurd om ons te vergiftigen,’ zei Imeyne. ‘Kijk maar wat ze met de kinderen van mijn zoon heeft gedaan. En nu wil ze mij ook vergiftigen, maar ik neem van haar niets te eten of te drinken aan.’

‘Stil,’ zei Roche ferm. ‘U mag geen kwaad spreken van iemand die u probeert te helpen.’

Ze schudde heftig met haar hoofd. ‘Ze wil ons allemaal doden. U moet haar verbranden. Ze is een dienares van de duivel.’

Ik had Roche nog nooit kwaad gezien. Hij begon bijna weer op een moordenaar te lijken. ‘U weet niet wat u zegt,’ zei hij. ‘God heeft haar gezonden om ons te helpen.’

Was het maar waar dat ik iets voor hen kon doen, maar dat is niet zo. Agnes schreeuwt dat ik moet komen, Rosemund ligt maar roerloos op haar deken en de klerk wordt helemaal zwart, en ik kan voor niemand iets doen. Niets.

(Pauze)

Het hele huisgezin van de meier is aangetast. De jongste zoon, Lefric, was de enige met een buil en ik heb hem hier laten komen om die door te prikken. Voor de anderen kan ik niets doen, die hebben longpest.

(Pauze)

De baby van de meier is dood.

(Pauze)

De klokken van Courcy worden geluid. Negen slagen. Voor wie zou het zijn? Voor de gezant van de bisschop? Voor de dikke monnik die meehielp onze paarden te stelen? Of voor heer Bloet? Ik hoop het laatste.

(Pauze)

Wat een verschrikkelijke dag. Vanmiddag zijn de vrouw van de meier en de jongen die voor me op de loop ging gestorven. De meier is bezig een graf te graven, hoewel de grond keihard bevroren is. Met Rosemund en Lefric gaat het slechter. Rosemund kan nauwelijks nog slikken en haar polsslag is zwak en onregelmatig. Agnes is er minder erg aan toe, maar ze blijft hoge koorts houden. Roche heeft het avondgebed hier in de zaal gezegd.