Hij besloot de vespers als volgt. ‘Lieve Jezus, ik weet dat u ons alle mogelijke hulp stuurt, maar ik vrees dat het niet voldoende is tegen deze zwarte plaag. Uw heilige dienares Katherine zegt dat het een ziekte is, maar hoe is dat mogelijk? Want de plaag gaat niet van mens tot mens, maar is overal tegelijkertijd.’
En dat is ook zo.
Ulf de baljuw is dood.
En Sibbe, dochter van de meier.
Joan, dochter van de meier.
De kokkin, wier naam ik niet ken.
Walthef, oudste zoon van de meier.
Meer dan de helft van de dorpelingen is ziek. Laat Eliwys het alstublieft niet krijgen. Of Roche.
29
Hij riep om hulp, maar er kwam niemand, en hij dacht dat alle anderen gestorven waren en hij de laatst overgeblevene was, net als John Clyn in het klooster van de minderbroeders: ‘Ik, wachtend op mijn dood…’
Hij kon de knop van het alarm niet vinden. Op het nachtkastje stond een kleine bel, maar hij had geen kracht in zijn vingers en het ding viel uit zijn hand op de grond. Het maakte een afschuwelijk kabaal, waar geen eind aan leek te komen, als een Great Tom in een nachtmerrie, en toch kwam er niemand.
Maar toen hij een tijd later wakker werd, stond de bel weer op het kastje, dus moest er iemand geweest zijn terwijl hij sliep. Hij tuurde wazig naar de bel en vroeg zich af hoe lang hij had geslapen. Heel lang.
Het was licht buiten, maar het licht wierp geen schaduwen. Het kon middag of halverwege de ochtend zijn. Er was geen klok in de kamer en hij was te zwak om zich om te draaien en op de beeldschermen aan de muur te kijken. Het raam was te hoog om veel te kunnen zien, behalve dat het regende. Het had geregend toen hij naar Brasenose ging, dus het zou nog dezelfde dag kunnen zijn. Misschien was hij alleen maar flauwgevallen en hadden ze hem ter observatie opgenomen.
‘Al deze vervloekingen zullen over u komen,’ klonk een stem.
Dunworthy deed zijn ogen open en zocht op het kastje naar zijn bril, maar die lag er niet. ‘Ik zal schrik over u doen komen en wegkwijning en brandende plagen.’
Het was mevrouw Gaddson. Ze zat op de stoel naast zijn bed uit de bijbel voor te lezen. Ze had geen masker of steriele kleding aan, hoewel de bijbel nog in polyteen was verpakt. Dunworthy keek er bijziend naar.
‘En wanneer gij vergaderd zijt in uw plaatsen, zal Ik de pest onder u zenden.’
‘Welke dag is het?’ vroeg Dunworthy.
Ze zweeg, keek hem bevreemd aan en ging onverstoorbaar verder. ‘En gij zult overgeleverd worden in de hand uwer vijanden.’
Hij kon hier nog niet erg lang zijn. Gaddson was bij andere patiënten geweest toen hij Badri ging opzoeken. Misschien was het nog dezelfde middag en had Mary nog geen tijd gehad om Gaddson eruit te gooien.
‘Kunt u slikken?’ vroeg de ouderwetse zuster van de voorraadkamer. ‘Het is tijd voor uw koortspil,’ zei ze met haar gebarsten stem. ‘Kunt u slikken?’
Hij deed zijn mond open en ze legde de capsule op zijn tong. Haar schort kraakte toen ze naar voren boog om hem een glas water voor te houden.
‘Gaat het?’ vroeg ze, terwijl hij zijn hoofd weer neerlegde.
De capsule was in zijn keel blijven steken, maar hij knikte. Elke beweging deed pijn.
‘Goed, dan kan dit weg.’ Ze maakte iets los van zijn bovenarm.
‘Hoe laat is het?’ vroeg hij, terwijl hij probeerde de capsule binnen te houden.
‘Tijd voor uw slaapje.’ Ze keek kippig naar de schermen achter zijn hoofd.
‘Welke dag is het?’ vroeg hij, maar ze was al naar buiten gewaggeld. ‘Welke dag is het?’ vroeg hij aan mevrouw Gaddson, maar ook zij was weggegaan.
Hij kon hier nog niet lang hebben gelegen. Hij had hoofdpijn en koorts, wat volgens de brochure vroege symptomen van influenza waren. Misschien waren er pas een paar uur verstreken en was het nog dezelfde middag. Hij was wakker geworden toen ze hem in bed hadden gelegd, voordat ze hem een koortspil hadden kunnen geven of een alarmknop hadden kunnen installeren.
‘Tijd voor uw koortspil,’ zei een stem. Het was de knappe blonde zuster die zoveel belangstelling voor William Gaddson had getoond.
‘Die heb ik al gehad.’
‘Dat was gisteren,’ zei ze. ‘Vooruit, mond open.’
Haar collega in Badri’s kamer had gezegd dat ze zelf griep had gekregen. ‘Ik dacht dat u ziek was,’ zei hij.
‘Ja, maar ik ben alweer op de been. U wordt ook gauw weer beter.’ Ze tilde zijn hoofd wat op om hem te laten drinken.
‘Welke dag is het?’ vroeg hij.
‘De elfde,’ zei ze na een aarzeling. ‘Ik moest er zelf even over nadenken. Bijna alle collega’s waren ziek en als je dag en nacht doorwerkt, raak je de tel kwijt.’ Ze tikte iets in op de computer en keek fronsend naar de monitoren.
Eigenlijk had hij het al geweten voordat ze het zei, voordat hij het knopje had gezocht. In zijn delirium waren al die koortsige dagen en nachten tot één regenachtige middag samengesmolten, maar zijn biologische klok had de uren en dagen bijgehouden en daardoor had hij het al geweten. Hij had het rendez-vous gemist.
Er was geen rendez-vous geweest, dacht hij verbitterd. Gilchrist had het net gesloten. Het maakte niet uit of hij ziek was of niet, het net was gesloten en hij had niets kunnen beginnen.
De elfde januari. Hoe lang had Kivrin op het rendez-vous gewacht? Eén of twee dagen, misschien wel drie voordat ze begon te denken dat ze zich in de datum of in de plek had vergist? Had ze de hele nacht langs de weg van Oxford naar Bath gezeten, in haar nutteloze witte mantel gewikkeld, bang om vuur te maken dat wolven of dieven kon aantrekken? Of boeren die voor de pest op de vlucht waren. En wanneer was het eindelijk tot haar doorgedrongen dat niemand haar zou komen halen?
‘Heeft u nog iets nodig?’ vroeg de zuster. Ze maakte aanstalten hem een injectie te geven.
‘Is dat een slaapmiddel?’ vroeg hij.
‘Ja.’
‘Gelukkig,’ zei Dunworthy. Hij sloot dankbaar zijn ogen.
Hij had misschien een minuut geslapen, of een dag, of een maand. Het licht was nog precies hetzelfde toen hij wakker werd, net als de regen en de afwezigheid van schaduw. Colin zat op de stoel naast het bed in zijn boek over de riddertijd te lezen en te snoepen. Ik kan niet lang hebben geslapen, dacht Dunworthy, de toverbal is nog onder ons.
‘O, fijn,’ zei Colin. Hij sloeg het boek met een klap dicht. ‘Dat ouwe mens zei dat ik alleen mocht blijven als ik u niet wakker maakte. Dat heb ik toch niet gedaan? U zult toch zeggen dat u helemaal zelf wakker bent geworden?’
Hij haalde de toverbal uit zijn mond, keek ernaar en stak hem in zijn zak. ‘Heeft u haar al gezien? Ik geloof dat ze in de middeleeuwen is geboren. Ze is bijna net zo necrotisch als mevrouw Gaddson.’
Dunworthy keek bijziend naar hem. Hij droeg een ander jack, groen, waartegen de grijsgeruite sjaal nog somberder afstak. Colin zag er ook ouder door uit, alsof hij gegroeid was terwijl Dunworthy had geslapen.
Colin keek hem fronsend aan. ‘U herkent me toch wel? Ik ben Colin.’
‘Ja, natuurlijk herken ik je. Waarom heb je geen masker voor?’
Colin grinnikte. ‘Dat hoef ik niet. U bent trouwens niet besmettelijk meer. Wilt u uw bril hebben?’
Dunworthy knikte voorzichtig, om de pijn in zijn hoofd niet te voelen.
‘Dit is voor het eerst dat u me herkent.’ Hij rommelde in de la van het nachtkastje en gaf Dunworthy zijn bril. ‘U was heel erg ziek. Ik dacht dat u het niet zou redden. U zei steeds Kivrin tegen me.’