‘Welke dag is het?’ vroeg Dunworthy.
‘De twaalfde,’ zei Colin ongeduldig. ‘Dat heeft u me vanochtend al gevraagd, weet u nog?’
Dunworthy zette zijn bril op. ‘Nee.’
‘Weet u helemaal niet meer wat er gebeurd is?’
Ik weet dat ik Kivrin in de steek heb gelaten, dacht hij. Ik heb haar in 1348 laten stikken.
Colin schoof de stoel dichterbij en legde het boek op het bed. ‘De zuster zei dat het door de koorts kwam,’ zei hij, maar hij klonk toch een beetje verontwaardigd, alsof hij Dunworthy de schuld gaf. ‘Ik mocht niet bij u en ze wilde ook niet zeggen hoe u het maakte. Dat vind ik helemaal niet eerlijk. Ze laten je in de wachtkamer zitten zonder dat je iets kunt doen en als je iets vraagt krijg je te horen dat je bij de dokter moet zijn, die je dan niks wil vertellen. Ze doen net of je een kind bent. Vroeg of laat moet je toch weten wat er aan de hand is, of niet soms? Weet u wat de zuster vanmorgen deed? Ze wilde me wegsturen. Ze zei dat u erg ziek was geweest en dat ik u niet mocht storen. Alsof ik dat van plan was!’
Zijn gezicht was verontwaardigd, maar tegelijkertijd vermoeid en bezorgd. Dunworthy zag hem in gedachten door de gangen dwalen en in de wachtkamer zitten tot iemand hem iets kwam vertellen. Geen wonder dat hij er ouder uitzag.
‘En mevrouw Gaddson zei net dat ik u alleen goed nieuws mag vertellen, omdat u anders een terugval krijgt en doodgaat en dan is het mijn schuld.’
‘Mevrouw Gaddson is goed voor het moreel, zie ik,’ zei Dunworthy. Hij glimlachte. ‘Er is zeker geen kans dat zij ook ziek wordt?’
Colin keek hem verbaasd aan. ‘De epidemie is voorbij,’ zei hij. ‘De quarantaine wordt over een week opgeheven.’
Mary had dus toch gedaan gekregen dat het vaccin werd doorgelaten. Hij vroeg zich af of het voor Badri nog op tijd was gekomen en daarna wat er voor slecht nieuws was dat Colin niet mocht vertellen. Ik weet al wat het slechte nieuws is, dacht hij. De lokalisatie is gewist en Kivrin zit in 1348.
‘Vertel me eens wat goed nieuws,’ zei hij.
‘Nou, er is al twee dagen niemand meer ziek geworden,’ zei Colin. ‘En er zijn genoeg levensmiddelen aangevoerd, dus we kunnen weer behoorlijk eten.’
‘Ik zie dat je ook nieuwe kleren hebt.’
Colin keek naar zijn groene jack. ‘Dit is een cadeau van mijn moeder. Voor de kerst. Ze stuurde het op toen…’ Hij zweeg en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ze heeft ook een paar video’s gestuurd en neuspleisters.’
Dunworthy vroeg zich af of ze de cadeaus pas had opgestuurd toen de epidemie zo goed als voorbij was en wat Mary daarvan zou denken.
‘De rits gaat automatisch dicht,’ zei Colin, die opstond. ‘Je hoeft alleen maar op dit knopje te drukken. U hoeft nooit meer te zeggen dat ik mijn jas dicht moet doen.’
De zuster kwam ruisend binnen. ‘Heeft hij u wakker gemaakt?’ vroeg ze bars.
‘Ik zei het toch,’ mompelde Colin. ‘Nee, zuster. Ik heb zelfs de bladzijden heel stil omgeslagen.’
‘Hij heeft me niet wakker gemaakt en ik heb helemaal geen last van hem,’ zei Dunworthy, voordat de zuster nog meer kon vragen. ‘Hij heeft me alleen goed nieuws verteld.’
‘Je hoort meneer Dunworthy helemaal niets te vertellen. Hij moet rusten.’ Ze hing een infuuszakje met een heldere vloeistof aan de standaard. ‘Hij mag nog geen bezoek ontvangen.’ Ze duwde Colin naar de deur.
‘Als hij geen bezoek mag ontvangen, waarom mag mevrouw Gaddson dan wel bij hem?’ protesteerde Colin. ‘Zij maakt de patiënten nog zieker.’ Hij bleef bij de deur staan en keek woedend naar de zuster. ‘Ik kom morgen terug,’ zei hij tegen Dunworthy. ‘Moet ik iets voor u meebrengen?’
‘Hoe maakt Badri het?’ vroeg Dunworthy, op het ergste voorbereid.
‘Een stuk beter,’ zei Colin. ‘Hij heeft wel een terugval gehad, maar hij gaat goed vooruit. Hij heeft naar u gevraagd.’
‘Wacht even!’ zei Dunworthy, maar de zuster had de deur al dichtgedaan.
Mary had gezegd dat Badri er niets aan kon doen en natuurlijk had ze gelijk. Verwardheid was een van de eerste symptomen. Hij had zich zelf vergist bij het intoetsen van Andrews’ telefoonnummer en mevrouw Piantini had zich telkens verontschuldigd omdat ze zoveel fouten maakte bij het bespelen van haar handklok.
‘Sorry,’ mompelde hij. Het lag niet aan Badri, het lag aan hem. Hij had zo over de berekeningen van de eerstejaars zitten zeuren dat Badri tenslotte besloot zelf de coördinaten in te voeren.
Colin had zijn boek op het bed laten liggen. Dunworthy trok het naar zich toe. Het was ongelooflijk zwaar, zo zwaar dat hij het tegen de bedrand moest zetten om de bladzijden te kunnen omslaan. Hij moest zijn hoofd helemaal opzij draaien om iets te kunnen lezen, maar eindelijk vond hij wat hij zocht.
De Zwarte Dood had Oxford rond de kerstdagen bereikt. De universiteit was gesloten en de overlevenden waren naar de omliggende dorpen gevlucht, waardoor ze de pest hadden verspreid. Duizenden waren in de stad gestorven, huizen bleven verlaten achter en er waren niet genoeg mensen achtergebleven om de doden te begraven. De overlevenden sloten zichzelf op en zochten een zondebok.
Hij viel in slaap met zijn bril op zijn neus, maar hij werd wakker toen de zuster hem wilde afzetten. Het was de vriendin van William en ze keek hem glimlachend aan.
‘Neem me niet kwalijk.’ Ze legde de bril in de la. ‘Ik wilde u niet wakker maken.’
Dunworthy keek naar haar. ‘Colin zegt dat de epidemie voorbij is.’
‘Ja.’ Ze keek naar de schermen achter zijn hoofd. ‘De haard van het virus en het analogon werden tegelijkertijd gevonden. Het had niet langer moeten duren. Zelfs met antimicrobia en afweerversterking werd een sterftecijfer van 32 procent verwacht, zonder rekening te houden met het gebrek aan voorraden en personeel. We zitten nu op bijna 19 procent en er zijn nog heel wat kritieke gevallen.’
Ze pakte zijn pols en keek op een van de monitoren. ‘Uw temperatuur is iets gezakt. U mag van geluk spreken. Het analogon werkte niet bij iedereen. Dokter Ahrens zei…’ Ze zweeg en hij vroeg zich af wat Mary gezegd kon hebben. Dat hij het niet zou halen. ‘U mag van geluk spreken,’ herhaalde ze. ‘Ga maar weer slapen.’
Hij viel in slaap en toen hij zijn ogen weer opende, stond mevrouw Gaddson naast zijn bed, klaar om hem met haar bijbel te lijf te gaan.
‘De Here zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft,’ zei ze, zodra ze zag dat hij wakker was, ‘waarvan gij niet kunt genezen.’
‘Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd,’ mompelde Dunworthy.
‘Wat?’ vroeg mevrouw Gaddson bits.
‘Niets.’
Ze was haar tekst kwijt. Ze bladerde in de bijbel, op zoek naar kwalen, en begon weer te lezen: ‘Want God heeft Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden.’
Dat zou Hij nooit hebben gedaan als Hij had geweten wat er ging gebeuren, dacht Dunworthy. Herodes en de onnozele kinderen en Gethsemane.
‘Wilt u me voorlezen uit Mattheüs?’ vroeg hij. ‘Hoofdstuk 26, vers 39.’
Mevrouw Gaddson keek hem geërgerd aan, maar ze sloeg toch Mattheüs op. ‘En Hij ging een weinig verder en Hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan…’
God wist niet waar Zijn Zoon was, dacht Dunworthy. Hij had Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden en er was iets verkeerd gegaan met de lokalisatie, het net was gesloten en Hij kon niet meer bij hem komen, en ze hadden de zoon gearresteerd, een doornenkroon op zijn hoofd gezet en hem aan een kruis genageld.
‘Hoofdstuk 27,’ zei hij. ‘Vers 46.’
Met samengeperste lippen sloeg ze de bladzijde om. ‘Ik geloof niet dat dit geschikte plaatsen zijn om…’