‘Lees voor,’ zei hij.
‘Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachthani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!’
Kivrin had geen idee wat er was gebeurd. Ze zou denken dat ze zich in de dag of in de plaats had vergist, dat ze tijdens de epidemie de datum niet in de gaten had gehouden of dat er iets verkeerd was gegaan met het net. Dat ze haar in de steek hadden gelaten.
‘Ja?’ zei mevrouw Gaddson. ‘Nog meer verzoekjes?’
‘Nee.’
Ze ging terug naar het Oude Testament. ‘Want zij zullen vallen door het zwaard, door de hongersnood, en door de pest,’ las ze. ‘Die ver weg is, zal vallen door de pest.’
Ondanks alles viel hij weer in slaap en toen hij ontwaakte was die eindeloze middag voorbijgegaan. Het regende nog wel, maar er waren schaduwen in de kamer en hij hoorde een klok vier uur slaan. De blonde zuster hielp hem naar de badkamer te gaan. Het boek was weg en hij vroeg zich af of Colin ongemerkt op bezoek was geweest, maar hij zag het in de la liggen toen de zuster zijn pantoffels pakte. Hij liet haar de rugsteun omhoog zetten zodat hij kon gaan zitten en toen ze weg was zette hij zijn bril op en pakte het boek uit de la.
De pest had zo willekeurig en gewelddadig toegeslagen dat de middeleeuwers niet aan een gewone ziekte konden geloven. Ze hadden melaatsen, oude vrouwen en zwakzinnigen ervan beschuldigd het water te vergiftigen en vloeken uit te spreken. Iedere vreemdeling en iedereen die maar enigszins uit de toon viel, was meteen verdacht. In Sussex waren twee reizigers gestenigd. In Yorkshire was een jonge vrouw naar de brandstapel gesleept.
‘O, daar is het,’ zei Colin, die de kamer binnenkwam. ‘Ik dacht dat ik het kwijt was.’
Hij had zijn groene jack aan en was doorweekt. ‘Mevrouw Taylor liet me de klokken van het koor naar de kerk van de Heilige Hervormden brengen en het stortregent.’
Dunworthy voelde zich geweldig opgelucht toen hij haar naam hoorde en hij besefte dat hij helemaal niet naar de anderen had gevraagd, bang voor het antwoord.
‘Dus ze maakt het goed?’
Colin drukte op de knop en het jack sprong open, waardoor een regen van druppels door de kamer vloog. ‘Ja. Ze hebben op de vijftiende een optreden.’ Hij stak zijn nek uit om te zien wat Dunworthy aan het lezen was.
Dunworthy deed het boek dicht en gaf het hem terug. ‘En de andere koorleden? Mevrouw Piantini?’
Colin knikte. ‘Die ligt nog in het ziekenhuis. Ze is helemaal uitgemergeld.’ Hij sloeg het boek open. ‘U was zeker aan het lezen over de Zwarte Dood?’
‘Ja,’ zei Dunworthy. ‘Finch is toch niet ziek geweest, hoop ik?’
‘Nee. Hij heeft mevrouw Piantini vervangen als tenor. Hij maakt zich erg druk. Londen was vergeten wc-papier mee te sturen en we zijn er bijna doorheen. Hij kreeg er ruzie over met mevrouw Godsamme.’ Hij legde het boek op het bed. ‘Wat gebeurt er nu met uw meisje?’
‘Ik weet het niet,’ zei Dunworthy.
‘Kunt u haar niet terughalen?’
‘Nee.’
‘De Zwarte Dood was verschrikkelijk,’ zei Colin. ‘De mensen konden hun doden niet eens begraven. Ze legden ze gewoon op grote stapels.’
‘Ik kan niet bij haar komen, Colin. De lokalisatie is gewist toen Gilchrist het net sloot.’
‘Dat weet ik wel, maar kunnen we niet iets anders doen?’
‘Nee.’
‘Maar…’
‘Ik zal dokter vragen of het bezoek niet wat minder kan,’ zei de zuster streng. Ze pakte Colin bij zijn kraag en werkte hem naar buiten.
‘Begin dan maar met mevrouw Gaddson,’ zei Dunworthy, ‘en zeg tegen dokter Ahrens dat ik haar wil spreken.’
Mary liet zich niet zien, maar wel Montoya, die blijkbaar rechtstreeks van haar opgraving kwam. Haar broekspijpen zaten onder de modder, net als haar donkere krullen. Colin was bij haar en ook zijn groene jasje was besmeurd.
‘We zijn naar binnen geslopen toen dat mens even niet keek,’ zei Colin.
Montoya was sterk vermagerd. Haar vingers waren heel dun en haar horloge hing los om haar pols.
‘Hoe voelt u zich?’ vroeg ze.
‘Beter,’ loog hij, naar haar handen kijkend. Er zat modder onder haar nagels. ‘En u?’
‘Beter,’ zei ze.
Na haar ontslag uit het ziekenhuis was ze natuurlijk regelrecht naar de opgraving gegaan om de recorder te zoeken. En nu was ze meteen teruggekomen.
‘Ze is zeker dood?’ vroeg hij.
Haar handen lieten de bedrand los. ‘Ja.’
Kivrin was dus toch op de goede plaats terechtgekomen. De plaatscoördinaten waren hoogstens een paar kilometer verschoven en ze had de weg van Oxford naar Bath gevonden, ze had Skendgate gevonden. En ze was er gestorven aan de influenza die ze al voor haar vertrek had opgelopen, of aan honger of aan de pest, of aan wanhoop. Ze was al zevenhonderd jaar dood.
‘U heeft hem dus gevonden,’ zei hij, bij wijze van constatering.
‘Wat gevonden?’ vroeg Colin.
‘Kivrins recorder.’
‘Nee,’ zei Montoya.
Hij voelde geen opluchting. ‘Dat komt nog wel.’
Haar trillende vingers pakten de rand weer. ‘Kivrin kwam zelf met het idee,’ zei ze. ‘Voor ze wegging. Zij wilde dat de recorder op een benen spoor zou lijken, zodat hij bewaard zou blijven als zij het niet overleefde. Ze zei nog dat u zich zorgen maakte om niets, maar als het kon zou ze zich op het kerkhof laten begraven, dan…’ Haar stem beefde. ‘Dan hoefden wij niet half Engeland op te graven.’
Dunworthy kneep zijn ogen dicht.
‘Maar u wéét toch niet of ze dood is als u de recorder niet heeft gevonden?’ riep Colin uit. ‘U zei dat u niet eens wist waar ze was. Hoe weet u dan dat ze dood is?’
‘We hebben in Skendgate proeven met ratten gedaan. Vijftien minuten blootstelling aan het virus is al voldoende om besmet te raken. Er is 75 procent kans dat Kivrin is geïnfecteerd en gezien de beperkte medische verzorging in de veertiende eeuw is het wel zeker dat er complicaties bij zijn gekomen.’
Beperkte medische verzorging? Bloedzuigers en strychnine werden gebruikt om mensen te verdoven en de middeleeuwers hadden nog nooit gehoord van sterilisatie of bacteriën of T-cellen. Ze kenden niets anders dan smerige zalfjes, gebeden en aderlatingen. En wat hadden die uitgehaald?
‘Zonder goede behandeling is de kans op overlijden 49 procent,’ zei Montoya. ‘Volgens Mathematica…’
‘Mathematica,’ zei Dunworthy verbitterd. ‘Heb je die cijfers van Gilchrist?’
Montoya keek fronsend naar Colin. ‘Er is 75 procent kans dat Kivrin het virus heeft gekregen en 68 procent dat ze door de pest is aangetast. De morbiditeit van builenpest is 91 procent en het sterftecijfer…’
‘Ze heeft de pest niet gekregen,’ zei Dunworthy. ‘Daar is ze tegen ingeënt. Heeft dokter Ahrens of Gilchrist dat niet gezegd?’
Montoya keek weer naar Colin.
‘Ik mocht het hem niet vertellen,’ zei Colin met opgeheven kin.
‘Wat niet? Is Gilchrist ziek?’ Hij herinnerde zich dat hij naar de monitor had gekeken en in Gilchrists armen in elkaar was gezakt. Misschien had hij hem aangestoken.
‘Gilchrist is drie dagen geleden gestorven,’ zei Montoya.
Dunworthy keek naar Colin. ‘Wat mocht je nog meer niet vertellen?’ vroeg hij bars. ‘Wie is er nog meer gestorven?’
Montoya stak een magere hand op om Colin het zwijgen op te leggen, maar het was te laat.
‘Tante Mary,’ zei Colin.
Maisry is weggelopen. Roche en ik hebben haar overal gezocht, bang dat ze ziek was geworden en ergens in een hoekje was gaan liggen, maar de meier zei dat hij haar in het bos had zien verdwijnen toen hij een graf voor Walthef aan het delven was. Ze had de pony van Agnes meegenomen.