Выбрать главу

Ze zal de ziekte alleen maar verspreiden of niet verder komen dan een ander dorp waar de pest al heerst. De ziekte is overal. We horen de klokken luiden, een beetje zoals voor de vesper maar dan uit de maat, alsof de klokkeluiders gek zijn geworden. Je kunt niet uitmaken of het negen of drie slagen zijn. Vanochtend liet de dubbele klok van Courcy een enkele slag horen. Zou het voor de baby zijn of voor een van de praatzieke meisjes?

Rosemund is nog steeds bewusteloos en haar pols is heel zwak. Agnes ligt te ijlen, ze woelt en schreeuwt het uit. Ze roept dat ik bij haar moet komen, maar als ze me ziet begint ze te schoppen en om zich heen te slaan.

Eliwys bekommert zich om haar en ook om vrouwe Imeyne, die telkens roept dat ik een duivelin ben en me vanmorgen bijna een blauw oog sloeg. De enige bij wie ik in de buurt mag komen is de klerk, voor wie ik niets meer kan doen. Ik geloof nooit dat hij de avond haalt. Hij ruikt zo vreselijk dat we hem in een hoek hebben moeten leggen. Zijn buil is weer gaan etteren.

(Pauze)

Gunni, de tweede zoon van de meier.

De vrouw met de littekens in haar hals.

Maisry’s vader.

Cob de misdienaar.

(Pauze)

Vrouwe Imeyne is er slecht aan toe. Roche wilde haar de laatste sacramenten toedienen, maar ze wilde niet bij hem biechten.

‘U moet zich met God verzoenen voor u sterft,’ zei Roche, maar ze keerde haar gezicht naar de muur. ‘Hij is de schuld van alles,’ zei ze.

(Pauze)

Eenendertig zieken. Meer dan 75 procent. Roche heeft vanmorgen een deel van het open veld gewijd, want op het kerkhof is bijna geen plaats meer.

Maisry is niet teruggekomen. Misschien is ze een verlaten hofstede binnengedrongen en ligt ze nu op de verhoging te slapen. Wie weet wordt ze nog de stammoeder van een adellijk huis als de epidemie voorbij is.

Misschien is dat het gebrek van onze eigen tijd, meneer Dunworthy. Wij stammen af van mensen als Maisry en de gezant en heer Bloet, terwijl iedereen die achterbleef om te helpen, zoals Roche, zelf ziek werd en doodging.

(Pauze)

Vrouwe Imeyne is bewusteloos en Roche geeft haar de laatste sacramenten. Daar heb ik op aangedrongen.

‘Het is de ziekte die haar zo laat praten. Haar ziel heeft zich niet van God afgewend,’ zei ik. Dat is niet waar en misschien verdient ze geen vergiffenis, maar ze verdient het ook niet om zo weg te rotten. Zij verwijt het God, ik verwijt het haar. Maar geen van beiden draagt schuld. Het is een ziekte.

De miswijn is op en er is geen olijfolie meer. Roche gebruikt nu olie uit de keuken, die smerig ruikt. Imeynes huid wordt zwart als hij haar slapen en handpalmen aanraakt.

Het is een ziekte.

(Pauze)

Agnes gaat achteruit. Het is hartverscheurend om haar naar adem te zien snakken. Ze roept telkens dat ik moet komen en dat ze het hier niet leuk vindt.

Zelfs Roche kan er niet tegen. ‘Waarom straft God ons zo?’ vroeg hij aan me.

‘Het is geen straf, het is een ziekte,’ zei ik, maar hij weet net zo goed als ik dat dat geen antwoord is.

Heel Europa weet het, net als de kerk. Die zal nog een paar eeuwen aan de macht blijven dank zij allerlei kunstgrepen, maar het feit blijft dat hun God dit heeft laten gebeuren. En dat hij niemand te hulp komt.

(Pauze)

De klokken zwijgen. Roche vroeg of de epidemie nu voorbij was. ‘Misschien komt God ons nu toch nog helpen,’ zei hij.

Dat denk ik niet. In Tournai hadden de geestelijken het luiden verboden omdat de mensen er bang van werden. Misschien had de bisschop van Bath hetzelfde gedaan.

Het was ook werkelijk om bang van te worden, maar de stilte is nog erger. Het lijkt wel het einde van de wereld.

30

Mary was al snel gestorven nadat zij ziek was geworden. Het virus had haar te pakken gekregen op dezelfde dag dat het vaccin arriveerde. Ze had vrijwel meteen longontsteking gekregen en op de tweede dag had haar hart het begeven. Op 6 januari, Driekoningen.

‘Je had het moeten zeggen,’ had Dunworthy gezegd.

‘Dat heb ik ook gedaan!’ had Colin geprotesteerd. ‘Weet u dat niet meer?’

Hij wist er niets meer van. Er was ook geen belletje gaan rinkelen toen mevrouw Gaddson blijkbaar gewoon maar in en uit mocht lopen of toen Colin zei dat hij hem geen slecht nieuws mocht vertellen. Hij had het niet eens vreemd gevonden dat ze hem niet kwam bezoeken.

‘Ik heb u verteld dat ze ziek was,’ had Colin gezegd, ‘en later dat ze was gestorven, maar u was zelf te ziek.’

Hij dacht aan Colin, die op de gang voor Mary’s kamer had staan wachten op het laatste nieuws en daarna bij hem was gekomen om het hem te vertellen. ‘Het spijt me, Colin.’

‘U was zelf ziek,’ zei Colin. ‘U kon er niets aan doen.’

Dat had Dunworthy ook tegen Taylor gezegd en ook zij had het niet geloofd. Hij dacht dat Colin het evenmin geloofde.

‘Het was niet zo erg,’ had Colin gezegd. ‘Iedereen was heel aardig, behalve die ouwe zuster. Ze wilde me niet eens bij u laten toen u aan de beterende hand was. En mevrouw Godsamme, natuurlijk. Die zei steeds tegen me dat God de onrechtvaardigen straft. Meneer Finch belde mijn moeder, maar die kon niet komen, daarom heeft hij alles voor de begrafenis geregeld. Hij was erg aardig. De Amerikanen ook. Ik kreeg steeds snoep van ze.’

‘Het spijt me,’ had Dunworthy toen gezegd en hij had het herhaald nadat Colin door de ouderwetse zuster naar buiten was gewerkt. ‘Het spijt me.’

Colin was sindsdien niet meer geweest en Dunworthy vroeg zich af of hij door de zuster uit het ziekenhuis was verbannen of dat hij hem, ondanks zijn woorden, toch niet kon vergeven.

Hij was ingestort en had Colin overgeleverd aan de genade van Gaddson en van de zuster en van de artsen die hem niets wilden vertellen. Hij was ziek geworden, even onbereikbaar als Basingame, die ergens aan een Schotse rivier op zalm zat te vissen. Wat Colin ook zei, hij vond dat Dunworthy er had moeten zijn om hem te helpen, ziek of niet.

‘U gelooft zeker dat Kivrin ook dood is,’ had Colin gezegd nadat Montoya was weggegaan. ‘Net als mevrouw Montoya?’

‘Ik ben bang van wel.’

‘Maar u zei dat ze de pest niet kon krijgen. Als ze nou nog leeft en bij het rendez-vous op u staat te wachten?’

‘Ze heeft influenza, Colin.’

‘Maar u ook en toch bent u niet doodgegaan. Misschien leeft zij ook nog. Kunt u niet aan Badri vragen of hij iets weet? Misschien kan hij de machine weer aan de gang krijgen of zoiets.’

‘Je begrijpt het niet. Het net is geen zaklantaren die je aan en uit kunt zetten. De lokalisatie is gewist.’

‘Maar misschien kan hij alles overnieuw doen. Een nieuwe lokalisatie voor dezelfde tijd.’

Voor dezelfde tijd. Zelfs met bekende coördinaten zou het dagen duren om een nieuwe reis voor te bereiden. En Badri had de coördinaten niet, hij kende alleen de datum. Op grond daarvan kon hij wel nieuwe coördinaten berekenen. En dan moesten ze nog maar hopen dat ze op de goede plek terecht zouden komen, dat Badri geen andere gegevens had verknoeid, dat de paradoxen zo’n tweede reis zouden toestaan.

Hij kon het onmogelijk allemaal uitleggen, duidelijk maken dat Kivrin ongetwijfeld aan influenza zou zijn gestorven in een tijd waarin aderlating als voornaamste behandeling gold. ‘Dat zal niet gaan, Colin,’ had hij gezegd, ineens te moe om wat dan ook uit te leggen. ‘Het spijt me.’

‘Dus u laat haar gewoon maar stikken, ook als ze misschien niet dood is? U wilt het Badri niet eens gaan vragen?’