Выбрать главу

‘Colin…’

‘Tante Mary heeft alles voor u gedaan. Zij heeft u niet laten barsten!’

‘En wat heeft dit te betekenen?’ had de krakende zuster gevraagd. ‘Als je de patiënt blijft lastig vallen, jongeman, zal ik je moeten wegsturen.’

‘Ik ga zelf al,’ had Colin gezegd, en hij was weggerend.

Dunworthy had hem die middag en avond niet meer gezien, de volgende ochtend evenmin.

‘Mag ik bezoek ontvangen?’ vroeg Dunworthy aan de blonde verpleegster toen zij haar dienst begon.

‘Ja,’ zei ze, naar de schermen kijkend. ‘Er staat zelfs al iemand op de gang.’

Het was Gaddson, met haar bijbel in de aanslag.

‘Lukas 23, vers 33,’ zei ze met een verderfelijke blik. ‘Omdat u zoveel belangstelling hebt voor de kruisiging. “En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar…”’

Als God had geweten waar Zijn zoon was, had Hij het nooit toegelaten, dacht Dunworthy. Hij zou hem hebben teruggeroepen of zelf zijn gekomen om hem te redden.

Tijdens de Zwarte Dood dachten de middeleeuwers dat God hen had verlaten. ‘Waarom hebt Gij Uw gelaat van ons afgewend?’ hadden ze geschreven. ‘Waarom slaat Gij geen acht op ons hulpgeroep?’ Maar misschien had Hij ze niet gehoord. Misschien was Hij bewusteloos geweest, zelf ziek geworden en niet in staat iets te doen.

‘… en er kwam duisternis over het gehele land,’ las Gaddson, ‘tot het negende uur, want de zon werd verduisterd.’

De mensen dachten dat het ’t einde der tijden was, Armageddon, dat Satan uiteindelijk had gewonnen. En dat was ook zo, dacht Dunworthy. Hij had het net gesloten en de lokalisatie gewist.

Hij dacht aan Gilchrist. Zou die op zijn sterfbed hebben beseft wat hij had gedaan of was hij ook bewusteloos geweest, onwetend van het feit dat hij Kivrin had vermoord?

‘En Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen,’ las Gaddson verder. ‘En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.’

Hij scheidde van hen en werd in de hemel opgenomen. God was hem dus toch komen halen, dacht Dunworthy, maar te laat. Te laat.

Ze bleef uit de bijbel lezen tot de blonde zuster terugkwam. ‘Tijd voor uw slaapje,’ zei ze kittig en werkte mevrouw Gaddson de deur uit. Daarna trok ze het kussen onder zijn hoofd vandaan en begon ertegen te stompen.

‘Is Colin geweest?’ vroeg hij.

‘Ik heb hem sinds gisteren niet gezien.’ Ze schoof het kussen weer onder zijn hoofd. ‘U moet nu wat rusten.’

‘En mevrouw Montoya?’

‘Ook niet.’ Ze gaf hem een capsule en een bekertje water.

‘Heeft niemand een boodschap achtergelaten?’

‘Nee,’ zei ze. Ze nam het lege bekertje van hem aan. ‘Probeer maar te slapen.’

Geen boodschappen. Kivrin had tegen Montoya gezegd dat ze zich op het kerkhof zou laten begraven, maar de kerkhoven waren al snel te klein gebleken. De doden waren in greppels gelegd of in het water gegooid en op het laatst waren ze helemaal niet meer begraven, maar op stapels gelegd en in brand gestoken.

Montoya zou de recorder nooit vinden en het maakte trouwens niet uit als ze het wel deed. ‘Ik ben naar het rendez-vous gegaan, maar het net ging niet open. Wat is er aan de hand?’ Hij kon Kivrins angstige, verwijtende stem al horen: ‘Eli, Eli, waarom hebt gij mij verlaten?’

De blonde verpleegster liet hem op de stoel zitten om zijn middagmaal te eten. Finch kwam binnen toen hij nog aan de gestoofde pruimen zat.

‘We zijn bijna door onze blikken fruit heen,’ zei hij, naar het etensblad wijzend. ‘En door het wc-papier. Ik weet werkelijk niet hoe we aan het nieuwe semester kunnen beginnen.’ Hij ging op het voeteneind zitten. ‘Het bestuur heeft de vijfentwintigste als nieuwe datum gesteld, maar dan kunnen we onmogelijk op orde zijn. In Salvin liggen nog vijftien patiënten, de inentingscampagne is nauwelijks begonnen en persoonlijk ben ik er niet van overtuigd dat er geen nieuwe zieken bij zullen komen.’

‘Maakt Colin het goed?’ vroeg Dunworthy.

‘Jawel, meneer. Hij was een beetje neerslachtig nadat dokter Ahrens was overleden, maar hij vindt het erg fijn dat u aan de beterende hand bent.’

‘Ik moet je nog bedanken voor alles wat je hebt gedaan,’ zei Dunworthy. ‘Colin zei dat jij de begrafenis hebt geregeld.’

‘Ik heb het met liefde gedaan, meneer. Hij heeft verder niemand, moet u weten. Ik dacht dat zijn moeder wel zou komen nu het gevaar is geweken, maar ze zei dat ze op zo’n korte termijn onmogelijk iets kon regelen. Ze heeft wel prachtige bloemen gestuurd, lelies en laserbloemen. De dienst is in de kapel van Balliol gehouden.’ Hij ging verzitten. ‘O ja, over de kapel gesproken, ik hoop dat u het niet erg vindt, maar ik heb de Heilige Hervormden toestemming gegeven hem te gebruiken voor een optreden van het bellenkoor op de vijftiende. Ze willen een uitvoering geven van Rimbauds Heiland en hun kerk is door de Gezondheidsraad ingericht als inentingskantoor. Ik hoop dat ik er goed aan heb gedaan.’

‘Ja,’ zei Dunworthy. Hij moest aan Mary denken. Hij vroeg zich af wanneer de begrafenis was geweest en of ze na afloop de klok hadden geluid.

‘Ik kan ze misschien nog wel naar St. Mary’s Church sturen,’ zei Finch gespannen.

‘Nee, natuurlijk niet. De kapel is prima. Ik merk dat je in mijn afwezigheid uitstekend werk hebt verricht.’

‘Ik doe mijn best, meneer. Het valt niet mee, met mevrouw Gaddson en zo.’ Hij stond op. ‘Ik zal u niet langer storen. Heeft u nog iets nodig?’

‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Je kunt niets voor me doen.’

Finch bleef bij de deur staan. ‘Ik moet u nog condoleren, meneer Dunworthy,’ zei hij aarzelend. ‘Ik weet dat u goed bevriend was met dokter Ahrens.’

Goed bevriend? dacht hij toen Finch was weggegaan. Helemaal niet. Mary moest bij hem zijn geweest om hem zijn koortspil te geven en angstig naar de schermen te kijken, maar hij kon er zich niets van herinneren. Colin had met zijn nieuwe jack en sjaal bij zijn bed gestaan en gezegd dat zijn tante dood was, maar hij had hem niet eens gehoord.

De zuster kwam binnen en gaf hem weer een slaapmiddel. Toen hij wakker werd voelde hij zich ineens beter.

‘Het vaccin begint te werken,’ zei de blonde verpleegster. ‘Dat hebben we hier zo vaak gezien. Sommige patiënten voelen zich op slag beter.’

Ze liet hem zelf naar het toilet gaan en na het eten moest hij een eindje door de gang lopen. ‘Probeer het maar zo lang mogelijk,’ zei ze, terwijl ze hem zijn pantoffels aandeed.

Ik hoef toch nergens heen, dacht hij. Gilchrist heeft het net gesloten.

Ze klemde het draagbare infuus aan zijn schouder en hielp hem in zijn badjas. ‘Maakt u zich maar geen zorgen over die depressie,’ zei ze, terwijl ze hem hielp met opstaan. ‘Dat is heel gewoon na zo’n ziekte. Het verdwijnt vanzelf als uw biochemisch evenwicht is hersteld.’

Ze bracht hem naar de gang. ‘Misschien kunt u bij een paar kennissen op bezoek gaan. Twee patiënten van Balliol liggen in de zaal aan het eind van de gang. Mevrouw Piantini ligt in bed vier. Zij mag wel een beetje opgevrolijkt worden.’

‘Heeft Latimer…’ Hij zweeg even. ‘Is Latimer hier nog?’

‘Ja,’ zei ze, maar hij hoorde aan haar stem dat Latimer niet van zijn beroerte was hersteld. ‘Twee kamers verderop.’

Hij liep door de gang naar de aangewezen deur. Hij was nog helemaal niet bij Latimer geweest, eerst omdat hij op Andrews moest wachten en later omdat het ziekenhuis geen steriele kleding meer had. Mary had gezegd dat hij helemaal verlamd was.

Hij deed de deur open. Latimer lag languit op zijn rug, zijn gebogen linkerarm vol met sensoren en infuusnaalden. Er zaten slangetjes in zijn neus en keel en nog meer sensoren op zijn hoofd en borst, verbonden met de monitoren boven het bed. Zijn gezicht was tussen alle draden bijna niet te zien, maar hij scheen er geen last van te hebben.