Hij ging naar het bed toe. ‘Latimer?’
Geen reactie. Latimer had zijn ogen open, maar hij keek recht voor zich uit en zijn gezicht veranderde niet van uitdrukking onder de kabels. Het was een vage, peinzende uitdrukking, alsof hij zich een passage uit Chaucer probeerde te herinneren.
‘Latimer,’ zei hij luider. Ook op de schermen was geen verandering waar te nemen.
Er dringt niets meer tot hem door, dacht Dunworthy. Hij legde een hand op de rugleuning van de stoel. ‘U weet zeker niet wat er allemaal is gebeurd?’ vroeg hij. ‘Mary is dood, Kivrin is in het jaar 1348 en u weet het niet eens.’ Hij keek naar de monitoren. ‘Gilchrist heeft het net gesloten!’
Er was geen verandering te zien. De lijnen bleven gestaag en onbekommerd over de schermen lopen.
‘U en Gilchrist hebben haar naar de Zwarte Dood gestuurd en u ligt daar…’ Hij zweeg en liet zich op de stoel zakken.
Colin had hem verteld dat Mary dood was, maar hij was te ziek geweest om iets te horen. Hij had er net zo bij gelegen als Latimer, zonder interesse, zonder iets te beseffen.
Colin zal het me nooit vergeven, dacht hij. Hij zal ook nooit zijn moeder vergeven dat ze niet op de begrafenis wilde komen. Ze had op zo’n korte termijn niets meer kunnen regelen, had Finch toch gezegd? Hij dacht aan Colin, helemaal alleen op de begrafenis, kijkend naar de lelies en laserbloemen die zijn moeder had gestuurd, overgeleverd aan mevrouw Gaddson en het bellenkoor.
Colin had gezegd dat zijn moeder niet kon komen, maar dat geloofde hij niet. Natuurlijk had ze kunnen komen, als ze maar gewild had.
Hij zal het me nooit vergeven, dacht Dunworthy. En Kivrin ook niet. Zij is ouder dan Colin, ze zal allerlei verzachtende omstandigheden kunnen bedenken, ook dat hij ziek was geworden. Maar in haar hart, te midden van moordenaars en dieven en plagen, zal ze niet geloven dat ik haar niet kon komen halen. Als ik maar had gewild.
Dunworthy duwde zichzelf moeizaam omhoog uit de stoel en ging de kamer uit zonder nog naar Latimer of de monitoren te kijken. Hij leunde een ogenblik tegen een lege brancard die tegen de muur stond.
Mevrouw Gaddson kwam de zaal uit. ‘Ah, daar bent u dus,’ zei ze. ‘Ik wilde u net komen voorlezen.’ Ze sloeg haar bijbel open. ‘Mag u wel uit bed?’
‘Ja,’ zei hij.
‘Nou, ik ben blij dat u eindelijk aan de beterende hand bent. Uw ziekte heeft alles alleen maar erger gemaakt.’
‘Ja,’ zei hij.
‘U moet toch echt toezicht houden op meneer Finch. Hij laat de Amerikaansen op alle uren van de dag oefenen en toen ik me over het lawaai beklaagde was hij ronduit grof tegen me. En hij heeft mijn Willy op de ziekenzaal laten werken. Op de ziekenzaal! Terwijl Willy altijd zo vatbaar is geweest. Het is een wonder dat hij niet besmet is geraakt.’
Dat mag je wel zeggen, dacht Dunworthy, vooral gezien het aantal vermoedelijk zeer besmettelijke meisjes met wie hij tijdens de epidemie is omgegaan. Hoeveel kans zou Mathematica hem hebben gegeven om gezond te blijven?
‘Ik heb het natuurlijk niet toegestaan,’ zei Gaddson. ‘Ik kan zijn gezondheid niet op zo’n onverantwoorde wijze in gevaar laten brengen en werkeloos toezien hoe het leven van mijn kind in de waagschaal wordt gesteld.’
In de waagschaal. ‘Ik moet naar mevrouw Piantini,’ zei Dunworthy.
‘U kunt beter weer naar bed gaan. U ziet er verschrikkelijk uit.’ Ze zwaaide met de bijbel onder zijn neus. ‘Het is een schande zoals dit ziekenhuis wordt geleid. Patiënten horen niet rond te lopen. U zult nog een terugval krijgen en doodgaan, en dan is het uw eigen schuld.’
‘Nee,’ zei Dunworthy. Hij deed de zaaldeur open en ging naar binnen.
Hij had verwacht dat de meeste patiënten al naar huis zouden zijn, maar alle bedden waren bezet. De meeste zieken zaten te lezen of naar zakvideo’s te kijken, een van hen zat in een rolstoel naast zijn bed naar de regen te kijken.
Het duurde even voor Dunworthy hem herkende. Colin had het over een terugslag gehad, maar dit had hij niet verwacht. Hij leek wel een oude man, zijn donkere gezicht doorgroefd met witte rimpels onder zijn ogen en rond zijn mond. Zijn haar was helemaal grijs geworden. ‘Badri,’ zei hij.
Badri keek om. ‘Meneer Dunworthy.’
‘Ik wist niet dat je hier lag.’
‘Ze hebben me hier gelegd nadat…’ Hij zweeg. ‘Ik hoor dat u het beter maakt.’
‘Ja.’
Dit is niet uit te houden, dacht Dunworthy. Hoe gaat het? Beter, dank je. En met jou? De goede kant op. Natuurlijk ben ik depressief, maar dat is een normaal verschijnsel na een virusinfectie.
Badri keek weer door het raam naar buiten en Dunworthy vroeg zich af of hij het ook onverdraaglijk vond.
‘Ik heb me vergist toen ik de coördinaten invoerde,’ zei Badri, naar de regen kijkend. ‘Ik heb de verkeerde getallen gebruikt.’
Dunworthy wist niets te zeggen. Je was ziek, je had koorts. Verwardheid is een van de eerste symptomen. Je kon er niets aan doen.
‘Ik wist niet dat ik ziek was,’ zei Badri. Hij plukte nerveus aan zijn badjas. ‘Ik had de hele ochtend hoofdpijn gehad, maar ik dacht dat het door het overwerk kwam. Ik had moeten weten dat er iets aan de hand was, ik had de reis moeten afbreken.’
En ik had moeten weigeren Kivrin onder mijn hoede te nemen, ik had Gilchrist de parameters moeten laten natrekken, ik had hem het net moeten laten openen zodra je zei dat er iets mis was.
‘Ik had het net moeten openen toen u ziek werd en niet op het rendez-vous moeten wachten,’ zei Badri, met zijn ceintuur spelend. ‘Ik had het meteen moeten openen.’
Dunworthy keek onwillekeurig naar de muur, maar er hingen geen monitoren boven het bed. Badri had niet eens een armband om zijn pols. Wist Badri niet dat Gilchrist het net had gesloten? Hadden ze het voor hem verzwegen om zijn herstel niet in gevaar te brengen, net zoals ze voor Dunworthy hadden verzwegen dat Mary dood was?
‘Ze wilden me niet laten gaan,’ zei Badri. ‘Ik had erop moeten staan.’
Ik moet het hem vertellen, dacht Dunworthy, maar hij zei niets. Hij bleef zwijgend toekijken terwijl Badri het ceintuur verfrommelde en hij voelde een groot medelijden.
‘Montoya heeft me over Kivrin verteld,’ zei Badri. ‘Denkt u dat ze dood is?’
Ik hoop het, dacht hij. Ik hoop dat ze aan het virus is gestorven voor ze ontdekte in welke tijd ze was. Voor ze merkte dat we haar aan haar lot overlieten. ‘Jij kon er niets aan doen,’ zei hij.
‘Ik was maar twee dagen te laat. Ik weet zeker dat ze er anders nog was geweest. Twee dagen maar.’
‘Wat?’ zei Dunworthy.
‘Ik had gevraagd of ik op de zesde uit het ziekenhuis mocht, maar ze wilden me pas de achtste laten gaan. Ik heb het net zo snel mogelijk geopend, maar ze was er niet.’
‘Waar heb je het over?’ vroeg Dunworthy. ‘Hoe kon je het net openen? Gilchrist heeft het gesloten.’
Badri keek hem aan. ‘We hebben de kopie gebruikt.’
‘Welke kopie?’
‘Van de lokalisatie,’ zei Badri verwonderd. ‘U maakte zich zo druk over de manier waarop Middeleeuwen de reis aanpakte, dat ik het beter vond een kopie te maken voor het geval er iets mis zou gaan. Daar wilde ik u voor de kerst nog over spreken, maar u was er niet. Ik had een briefje achtergelaten.’
‘Een briefje,’ zei Dunworthy.
‘Het lab was open, daarom heb ik via het net van Balliol een tweede lokalisatie gedaan,’ zei Badri. ‘U was zo bang.’
Dunworthy voelde zijn knieën ineens knikken. Hij ging op het bed zitten.
‘Ik wilde het u nog zeggen,’ zei Badri, ‘maar ik was te ziek om uit mijn woorden te komen.’
Al die tijd was er dus een kopie geweest. Hij had dagen verspild om Gilchrist zover te krijgen dat hij het lab weer vrijgaf, om Basingame op te sporen, om Polly Wilson in de centrale computer van de universiteit te laten inbreken, en al die tijd had er een kopie gezeten in de computer van Balliol. En Badri had geprobeerd het hem te vertellen.