‘Kun je het net nog een keer openen?’
‘Natuurlijk, maar zelfs als ze de pest niet heeft…’
‘Die heeft ze niet,’ zei Dunworthy. ‘Ze is ingeënt.’
‘Maar dan is ze nog niet op het rendez-vous. Er zijn al acht dagen voorbij, zo lang heeft ze echt niet gewacht.’
‘Kan er iemand anders doorheen?’
‘Iemand anders?’ herhaalde Badri niet begrijpend.
‘Om haar te zoeken. Kan iemand dezelfde coördinaten gebruiken?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe lang heb je nodig om het net in te stellen, zodat we het kunnen proberen?’
‘Hoogstens twee uur. De coördinaten voor tijd en plaats zijn al ingevoerd, maar ik weet niet hoeveel verschuiving er zal optreden.’
De zaaldeur vloog open en Colin kwam naar binnen. ‘O, hier bent u. De zuster zei dat u een eindje was gaan lopen, maar ik kon u nergens vinden. Ik dacht dat u verdwaald was.’
‘Nee,’ zei Dunworthy, zonder zijn blik van Badri af te wenden.
‘Ze zei dat ik u moest halen.’ Colin pakte hem bij zijn arm en hielp hem overeind. ‘U mag zich niet te veel inspannen.’ Hij nam hem mee naar de deur.
Dunworthy bleef staan en draaide zich om naar Badri. ‘Welk net heb je op de achtste gebruikt?’
‘Dat van Balliol,’ zei Badri. ‘Ik was bang dat een deel van het permanente geheugen was gewist toen Brasenose werd gesloten en ik had geen tijd om eerst allerlei controles uit te voeren.’
Colin probeerde hem mee te trekken. ‘Het ouwe mens komt over een halfuur en dan moet u in bed liggen. U zult het niet leuk vinden als zij u hier vindt.’ Hij liet de deur dichtvallen. ‘Het spijt me dat ik niet eerder ben geweest, maar ik moest naar Godstow om het rooster voor de inentingen te brengen.’
Dunworthy leunde tegen de deur. Het tijdsverschil kon te groot zijn, de ingenieur zat in een rolstoel, en hij wist niet eens of hij op eigen kracht terug naar zijn kamer kon lopen. Zo bang. Hij dacht dat Badri had bedoeld: U was zo bezorgd dat ik besloot de coördinaten opnieuw in te voeren, maar hij had bedoeld dat hij een kopie had gemaakt. Een kopie.
‘Gaat het wel?’ vroeg Colin. ‘U krijgt toch geen terugval, hoop ik?’
‘Nee,’ zei hij.
‘Heeft u meneer Chaudhuri gevraagd de lokalisatie over te doen?’
‘Nee, er is een kopie.’
‘Een kopie?’ zei Colin opgewonden. ‘Helemaal compleet?’
‘Ja.’
‘Dus u kunt haar nog redden?’
Dunworthy zocht weer steun bij de brancard. ‘Ik weet het niet.’
‘Ik zal u wel helpen,’ zei Colin. ‘Wat kan ik doen? U hoeft het maar te zeggen. Ik kan mensen voor u bellen of dingen voor u halen. U hoeft zelf niets te doen.’
‘Misschien lukt het niet,’ zei Dunworthy. ‘Het tijdsverschil…’
‘Maar u gaat het toch zeker proberen? Ja toch?’
Met elke stap kreeg hij het benauwder. Badri had al een terugval gehad en zelfs als ze het laboratorium haalden, zou het net hem misschien niet eens doorlaten.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik zal het proberen.’
‘Apocalyptisch!’ zei Colin.
Vrouwe Imeyne, de moeder van Guillaume D’Iverie.
Rosemund wordt steeds zwakker. Ik kan helemaal geen pols meer voelen en haar huid is geel en wasachtig, wat een slecht teken is. Agnes verzet zich uit alle macht. Ze heeft nog geen builen en ze geeft ook niet over. Ik geloof dat dat een goed teken is. Eliwys heeft Agnes’ haar moeten afsnijden. Ze trok er de hele tijd aan terwijl ze mijn naam riep.
Roche heeft Rosemund gezalfd. Ze kon natuurlijk niet biechten. Met Agnes lijkt het iets beter te gaan, hoewel ze daarnet een bloedneus had. Ze vroeg waar haar belletje was.
Vuile schoft! Je mag haar niet meenemen, ze is nog maar een kind. Maar dat is je specialiteit, geloof ik, het afslachten van onnozele kinderen. De baby van de meier, het hondje van Agnes en de jongen die hulp ging halen toen ik in de hut was. Allemaal dood, maar nu is het genoeg! Je krijgt haar niet, smeerlap, ik wil het niet hebben!
31
Agnes stierf de dag na nieuwjaar, toen ze nog steeds om Kivrin riep.
‘Ze is er al,’ zei Eliwys, zacht in haar hand knijpend. ‘Vrouwe Katherine is bij je.’
‘Niet waar!’ jammerde Agnes met een hese, maar nog krachtige stem. ‘Ze moet komen!’
‘Ik zal het zeggen,’ beloofde Eliwys. Met een licht verwonderde uitdrukking keek ze naar Kivrin. ‘Ga Vader Roche halen,’ zei ze.
‘Waarom?’ vroeg Kivrin. Hij had Agnes de eerste nacht al de laatste sacramenten toegediend, waarbij het meisje wild naar hem had geschopt en geslagen. Sindsdien had hij zich niet meer bij haar in de buurt gewaagd. ‘Bent u ziek, vrouwe?’
Eliwys schudde haar hoofd zonder haar blik af te wenden. ‘Wat moet ik tegen mijn gemaal zeggen als hij komt?’ Ze legde Agnes’ arm op de deken en nu pas besefte Kivrin dat het meisje dood was.
Kivrin waste het kleine lichaam, dat bijna helemaal was bedekt met paarsblauwe bloeduitstortingen. Haar hand was zwart geworden onder de aanraking van Eliwys. Het was net of ze was afgetuigd. En dat is ook zo, dacht Kivrin. Ze is geslagen en gemarteld en tenslotte vermoord. Een van de onnozele kinderen.
Haar kleed en hemdje waren stijf van het bloed en braaksel en haar andere kleren waren allang aan repen gescheurd. Kivrin wikkelde haar in haar eigen witte mantel en Roche en de meier legden haar in een graf.
Eliwys was er niet bij aanwezig. ‘Ik moet bij Rosemund blijven,’ zei ze toen Kivrin haar kwam halen. Ze kon niets voor haar dochter doen. Het meisje lag nog steeds volmaakt bewegingloos en Kivrin dacht dat de koorts een hersenbeschadiging had veroorzaakt. ‘En Gawyn kan terugkomen,’ zei Eliwys.
Het was erg koud. De adem kwam in wolkjes uit de mond van Roche en de meier toen ze Agnes in het graf legden, een gezicht dat Kivrin woedend maakte. Ze weegt niet meer dan een veertje, dacht ze bitter, je kunt haar met één hand dragen.
Ook de aanblik van al die graven maakte haar woedend. Het kerkhof was vol, net als een groot deel van het veld dat Roche had gewijd. Het graf van vrouwe Imeyne lag bijna onder het pad bij het hek en de baby van de meier was aan de voeten van zijn moeder gelegd, hoewel het kind niet was gedoopt.
En de jongste zoon van de meier, dacht Kivrin boos, en de klerk, waar willen jullie die begraven? De Zwarte Dood heeft niet heel Europa het leven gekost, hoogstens de helft.
‘Requiescat in pace. Amen,’ zei Roche. De meier begon de kuil boven het kleine lichaam dicht te gooien.
U had gelijk, meneer Dunworthy, dacht ze verbitterd. Witte kleren worden hier maar vuil. U wist het toch allemaal zo goed? Ik had hier niet moeten komen, er zouden verschrikkelijke dingen gebeuren. Nou, die zijn ook gebeurd. U zou me natuurlijk graag vertellen dat u het had zien aankomen, maar dat is u niet gegund want ik weet niet waar de open plek is en de enige die me ernaartoe kan brengen is vermoedelijk dood.
Ze wachtte niet tot de meier het graf had gedicht of tot Vader Roche zijn vertrouwelijke praatje met God had beëindigd. Ze liep weg over het open veld, woedend op de meier die klaar was om het volgende graf te gaan delven, op Eliwys die niet wilde komen, op Gawyn die niet terugkeerde. Er komt helemaal niemand meer, dacht ze. Niemand.
‘Katherine!’ riep Roche.
Ze draaide zich om en hij kwam op een draf naar haar toe, met zijn adem als een wolk om hem heen.