Выбрать главу

‘Wat is er?’ vroeg ze bars.

Hij keek haar ernstig aan. ‘We mogen de hoop niet opgeven.’

‘Waarom niet?’ riep ze. ‘Meer dan drie kwart van het dorp is dood en het is nog maar net begonnen. De klerk en Rosemund liggen op sterven en de anderen zijn waarschijnlijk allemaal besmet. Waarom zou ik de hoop niet opgeven?’

‘God heeft ons niet helemaal verlaten,’ zei hij. ‘Agnes is veilig in Zijn armen.’

Veilig, dacht ze wrang. In de koude grond, in het donker. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht.

‘Ze is in de hemel, waar de plaag niet kan komen. En de liefde Gods is altijd bij ons en niets kan ons ervan scheiden, noch dood, noch leven, noch engelen, noch de tegenwoordige dingen…’

‘Noch de komende dingen,’ zei Kivrin.

‘Noch hoogte of diepte, noch enig ander schepsel.’ Roche legde zacht een hand op haar schouder alsof hij haar zalfde. ‘Het was uit liefde dat Hij u heeft gezonden.’

Ze legde een hand op de zijne en pakte hem stevig beet. ‘We moeten elkaar helpen,’ zei ze.

Ze bleven een ogenblik zo staan, tot Roche zei: ‘Ik moet de klok luiden om de ziel van Agnes naar de hemel te begeleiden.’

Ze knikte en haalde haar hand weg. ‘Ik ga naar Rosemund en de anderen.’ Ze liep terug naar de ridderzaal.

Eliwys had gezegd dat ze bij Rosemund moest blijven, maar ze was met haar mantel aan op Agnes’ bed gaan liggen en keek naar de deur. ‘Misschien is zijn paard gestolen door mensen die voor de ziekte wilden vluchten,’ zei ze. ‘Daarom blijft hij zo lang weg.’

‘Agnes is begraven,’ zei Kivrin koel. Ze ging naar Rosemund.

Het meisje was bij kennis. Ze keek ernstig op en pakte Kivrins hand.

‘O, Rosemund.’ Ze voelde tranen in haar ogen prikken. ‘Hoe voel je je, lieverd?’

‘Ik heb honger,’ zei Rosemund. ‘Is mijn vader er al?’

‘Nog niet.’ Kivrin ging er bijna zelf nog in geloven. ‘Ik zal wat soep voor je halen. Blijf maar rustig liggen. Je bent erg ziek geweest.’

Rosemund sloot gehoorzaam haar ogen. Haar gezicht leek wat minder ingevallen, hoewel ze nog donkere plekken onder haar ogen had. ‘Waar is Agnes?’ vroeg ze.

Kivrin streek haar verwarde donkere haar uit haar gezicht. ‘Ze slaapt.’

‘Gelukkig,’ zei Rosemund. ‘Ik kan er niet tegen als ze zoveel lawaai maakt.’

‘Ik kom zo terug met de soep.’ Kivrin ging naar Eliwys. ‘Ik heb goed nieuws, vrouwe Eliwys,’ zei ze vurig. ‘Rosemund is wakker.’

Eliwys steunde op een elleboog om naar Rosemund te kijken, maar haar blik was apathisch, alsof ze met haar gedachten elders was, en ze ging meteen weer liggen.

Kivrin legde geschrokken een hand op haar voorhoofd. De huid voelde warm aan, maar Kivrin had nog koude handen van de buitenlucht en ze durfde het niet met zekerheid te zeggen. ‘Bent u ziek?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei Eliwys afwezig. ‘Wat moet ik tegen hem zeggen?’

‘U kunt zeggen dat Rosemund het beter maakt,’ zei Kivrin. Ditmaal scheen het tot Eliwys door te dringen. Ze stond op en ging bij Rosemund zitten. Maar toen Kivrin even later met de soep terugkwam uit de keuken, lag Eliwys weer met haar bontmantel over zich heen op Agnes’ bed.

Rosemund was in slaap gevallen, maar het was niet meer die angstaanjagende doodsslaap. Haar gezicht had weer wat kleur gekregen, hoewel het nog erg mager was.

Ook Eliwys sliep, of deed alsof, en dat was misschien maar goed ook. Terwijl Kivrin in de keuken was, had de klerk de deken van zich afgegooid en was half over de banken geklommen. Kivrin probeerde hem terug te brengen, maar hij sloeg wild om zich heen en ze moest Vader Roche gaan halen om haar te helpen.

Zijn rechteroog was ontstoken en er liep pus uit, alsof hij van binnen werd aangevreten, en hij graaide ernaar met beide handen. ‘Domine Jesu Christe!’ tierde hij. ‘Fidelium defunctorium de poenis infermis!’ Red de zielen van de gelovigen die aan de pijnen van de hel zijn ontkomen.

Ja, dacht Kivrin, terwijl ze zijn graaiende handen probeerde te bedwingen, red hem nu.

Ze deed Imeynes kistje weer open om iets te zoeken dat de pijn kon bestrijden. Ze vond geen opiumpoeder en ze wist ook niet of de papaver in 1348 al in Engeland voorkwam. Er waren wel een paar gedroogde oranjekleurige blaadjes die er enigszins als papaverblaadjes uitzagen. Ze maakte er een aftreksel van, maar de klerk kon niets door zijn keel krijgen. Zijn mond zat onder de zweren en zijn tanden en tong waren bedekt met gestold bloed.

Dit heeft hij niet verdiend, dacht Kivrin, zelfs al heeft hij de pest meegebracht. Niemand heeft dit verdiend. ‘Alstublieft,’ bad ze hardop, maar ze wist zelf niet wat ze wilde vragen. Haar gebed werd trouwens niet verhoord. De klerk begon donkere gal en bloed op te geven.

Het sneeuwde de twee volgende dagen en Eliwys ging langzaam achteruit. Toch leek ze niet de pest te hebben, ze had geen builen en hoestte niet. Kivrin vroeg zich af of ze werkelijk ziek was of alleen aan schuldgevoel of verdriet leed. ‘Wat moet ik tegen hem zeggen?’ herhaalde ze telkens. ‘Hij heeft ons weggestuurd omdat we hier veilig waren.’

Kivrin voelde aan haar voorhoofd. De huid was warm. Ze krijgen het allemaal, dacht ze. Heer Guillaume dacht dat ze hier veilig waren, maar ze zullen het allemaal krijgen, de een na de ander. Ik moet iets doen. Maar ze kon niets bedenken. Alleen vluchten kon misschien baten, maar de familie was al gevlucht zonder dat het had geholpen en Rosemund en Eliwys waren niet in staat om weg te gaan.

Maar Rosemund gaat elke dag vooruit, dacht Kivrin, en Eliwys is niet besmet. Ze heeft alleen koorts. Misschien hebben ze nog een andere hofstede waar we heen kunnen, ergens in het noorden.

Ze vroeg Rosemund of haar vader nog een landgoed in Yorkshire bezat. ‘Nee,’ zei Rosemund, die tegen een van de banken zat. ‘Alleen in Dorset.’ Daar hadden ze niets aan, de pest was al in Dorset doorgedrongen. En Rosemund was nog altijd te zwak om langer dan een paar minuten rechtop te zitten. Ze kon nooit op een paard rijden. Als we al paarden hadden, dacht Kivrin.

‘Mijn vader had ook een hofstede in Surrey,’ zei Rosemund. ‘Daar is Agnes geboren.’ Ze keek Kivrin aan. ‘Is Agnes dood?’

‘Ja,’ zei Kivrin.

Het meisje knikte alsof ze het verwacht had. ‘Ik hoorde haar gillen.’

Kivrin wist niets te zeggen.

‘Mijn vader is zeker ook dood?’

Ook daar wist ze geen antwoord op. Hij was bijna zeker dood, net als Gawyn, die al acht dagen geleden naar Bath was vertrokken. ‘Het sneeuwt niet meer, nu zal hij gauw komen,’ had Eliwys die ochtend gezegd, maar ze leek er zelf niet meer in te geloven.

‘Misschien komt hij nog,’ zei Kivrin. ‘Hij is opgehouden door de sneeuw.’

De meier kwam met zijn spade naar binnen en bleef staan bij de barricade. Hij was elke dag gekomen om zwijgend over de omgekeerde tafel naar zijn zoon te staren, maar nu wierp hij slechts een vluchtige blik op hem. Hij leunde op zijn schop en keek naar Kivrin en Rosemund.

Zijn mantel was bedekt met sneeuw, net als het blad van zijn spade. Hij heeft weer een graf gegraven, dacht Kivrin. Voor wie?

‘Is er iemand gestorven?’ vroeg ze.

‘Nee.’ Hij bleef bijna peinzend naar Rosemund kijken.

Kivrin ging staan. ‘Kan ik iets voor u doen?’

Hij keek haar aan alsof hij haar niet begreep en richtte zijn blik weer op Rosemund. ‘Nee.’ Hij draaide zich om en ging met zijn schop naar buiten.

‘Gaat hij een graf voor Agnes graven?’ vroeg Rosemund, die hem nakeek.

‘Nee,’ zei Kivrin zacht. ‘Ze ligt al op het kerkhof.’

‘Mijn eigen graf dan?’

‘Nee,’ zei Kivrin ontzet. ‘Nee! Je gaat niet dood, je wordt juist beter. Je bent heel ziek geweest, maar het ergste is voorbij. Je moet veel rusten om weer helemaal beter te worden.’