Rosemund ging gehoorzaam liggen en sloot haar ogen, maar na een paar minuten keek ze weer op. ‘Als mijn vader dood is, zal de koning voor mijn bruidsschat zorgen,’ zei ze. ‘Denk je dat heer Bloet nog leeft?’
Ik hoop het niet, dacht Kivrin. Heeft het arme kind al die tijd over haar huwelijk liggen tobben? De dood van heer Bloet is het enige goede aan deze epidemie. Als hij echt dood is. ‘Maak je daar nu maar geen zorgen over. Ga maar slapen.’
‘De koning laat een voorgenomen bruiloft soms doorgaan,’ zei Rosemund, die zenuwachtig aan de deken plukte. ‘Als beide partijen ermee instemmen.’
Je hoeft nergens mee in te stemmen, dacht Kivrin. Hij is dood. De bisschop heeft hem vermoord.
‘Anders zal de koning iemand voor me zoeken,’ zei Rosemund, ‘en heer Bloet ken ik tenminste.’
Nee, dacht Kivrin, maar ze besefte dat dat nog de beste oplossing zou zijn. Rosemund kon zich nog ergere dingen voorstellen dan heer Bloet, monsters en moordenaars, en Kivrin wist dat die bestonden.
Rosemund zou vergeven worden aan een edelman bij wie de koning in het krijt stond of die hij in zijn kamp wilde krijgen, misschien een van de opstandige aanhangers van de Zwarte Prins. Wie weet in welke omstandigheden ze dan terecht zou komen.
Er waren nog ergere dingen dan een ouwe viezerik en een feeks van een schoonzuster. Baron Garnier had zijn vrouw twintig jaar lang aan de ketting gelegd. De graaf van Anjou had zijn bruid levend verbrand. En Rosemund zou geen familie en geen vrienden hebben om haar te beschermen en voor haar te zorgen als ze ziek was.
Ik zal haar meenemen, dacht Kivrin ineens. Naar een plaats waar Bloet haar niet kan vinden en waar we veilig zijn voor de pest.
Er waren geen veilige plaatsen meer. De pest heerste al in Bath en Oxford en breidde zich in alle richtingen uit, zelfs terug over het Kanaal naar Duitsland en de lage landen. De ziekte was zelfs met een schip vol doden naar Noorwegen gegaan. Het was nergens veilig.
‘Is Gawyn er?’ vroeg Rosemund. Ze klonk al net als haar moeder en grootmoeder. ‘Hij kan naar Courcy gaan en heer Bloet vragen of ik bij hem mag komen.’
‘Gawyn?’ vroeg Eliwys vanaf haar deken. ‘Komt hij?’
Nee, dacht Kivrin. Er komt niemand meer. Zelfs meneer Dunworthy niet.
Het maakte niet uit dat ze het rendez-vous was misgelopen, er zou niemand zijn geweest. Omdat ze niet wisten dat ze in 1348 was. Als ze het wel wisten, zouden ze haar eerder hebben teruggehaald.
Er moest iets aan de hand zijn met het net. Meneer Dunworthy had zich zorgen gemaakt over die verre reis, hij was bang geweest voor onvoorziene complicaties. Misschien was de lokalisatie mislukt en zochten ze haar nu in 1320. Dan zitten ze er bijna dertig jaar naast, dacht ze.
‘Gawyn?’ herhaalde Eliwys, terwijl ze probeerde op te staan.
Ze slaagde er niet in. Ze werd met de dag zwakker, hoewel ze nog geen enkel symptoom van de pest vertoonde. Toen het was gaan sneeuwen had ze opgelucht gezegd dat Gawyn zou wachten tot de storm voorbij was en ze was bij Rosemund gaan zitten. Maar die middag was ze weer gaan liggen en haar koorts werd geleidelijk aan heviger.
Roche nam haar de biecht af. Hij zag er afgemat uit, net als alle anderen. Ze hoefden hun ogen maar dicht te doen om in slaap te vallen. De meier was een keer staande in slaap gevallen, leunend tegen de tafelrand, en Kivrin had lelijk haar hand verbrand toen ze bij het vuur was ingedommeld.
Zo kan het niet doorgaan, dacht ze, terwijl Vader Roche de zegen over Eliwys uitsprak. Roche sterft nog van uitputting als hij zelf niet ziek wordt.
We moeten hier weg, dacht ze weer. De pest is niet overal geweest. In sommige dorpen was niemand ziek geworden. Polen en Bohemen waren gespaard gebleven, net als delen van noordelijk Schotland.
‘Agnus dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis,’ zei Vader Roche. Zijn stem was nog even geruststellend als op die eerste dag en ze wist dat het geen zin had.
Hij zou zijn kudde nooit in de steek laten. De Zwarte Dood was het verhaal van priesters die hun gelovigen aan hun lot overlieten, die geen begrafenissen wilden bijwonen, die zich opsloten in hun kerken en kloosters of op de vlucht sloegen. Ze vroeg zich af of ook die verhalen misschien onjuist waren.
En dan was er nog Eliwys, die zelfs onder het biechten naar de deur keek in gespannen afwachting van Gawyn en haar gemaal, die toch zeker zouden komen nu het niet meer sneeuwde.
‘Gaat Vader Roche hem tegemoet?’ vroeg Eliwys toen Roche wegging om de sacramenten naar de kerk te brengen. ‘Hij zal er weldra zijn. Hij is natuurlijk eerst naar Courcy gegaan om heer Bloet te waarschuwen en dat is maar een halve dag rijden hiervandaan.’ Ze stond erop dat Kivrin haar vlak voor de deur legde.
Terwijl Kivrin de banken verschoof om de tocht uit het portaal te weren, begon de klerk ineens te schreeuwen. Zijn hele lichaam verkrampte alsof hij een stroomstoot had gekregen en zijn gezicht werd een gruwelijk masker. Zijn zwerende oog staarde strak naar het plafond.
‘Doe hem dit niet aan!’ riep Kivrin, terwijl ze met een lepel zijn tanden van elkaar probeerde te krijgen. ‘Heeft hij nog niet genoeg geleden?’
Een nieuwe huivering trok door zijn lichaam. ‘Hou op!’ snikte Kivrin. ‘Hou op!’
Plotseling verslapte hij. Zijn mond ging open en een straaltje zwart slijm liep over zijn lippen.
Hij is dood, dacht ze ongelovig. Ze keek naar zijn etterende, halfgesloten oog, naar zijn gezwollen en zwart uitgeslagen gezicht met de donkere baardstoppels. Zijn handen waren tot vuisten gebald. Hij had niets menselijks meer zoals hij daar lag en Kivrin legde een ruwe deken over hem heen, bang dat Rosemund hem zou zien.
‘Is hij dood?’ vroeg Rosemund, die geschrokken was gaan zitten.
‘Ja,’ zei Kivrin. ‘Goddank.’ Ze ging staan. ‘Ik ga Vader Roche halen.’
‘Ik wil hier niet alleen blijven,’ zei Rosemund.
‘Je moeder is hier,’ zei Kivrin, ‘en de zoon van de meier. Ik ben zo weer terug.’
‘Ik ben bang,’ zei Rosemund.
Ik ook, dacht Kivrin, naar de ruwe deken kijkend. De klerk was dood, maar zelfs dat had hem geen rust gegeven. Ook zijn onmenselijke gezicht was een masker van pijn en verschrikking. De pijnen van de hel.
‘Laat me alsjeblieft niet alleen!’ zei Rosemund.
‘Ik moet Vader Roche gaan halen,’ zei Kivrin, maar ze ging toch bij Rosemund zitten en wachtte tot het meisje in slaap was gevallen.
Roche was niet op de binnenhof of in de keuken. De koe stond te grazen bij het varkenskot en liep achter haar aan toen ze het open veld overstak.
De meier was bij het kerkhof een graf aan het delven. Alleen zijn schouders en hoofd staken boven de besneeuwde rand van de kuil uit. Hij weet het al, dacht ze, maar dat is onmogelijk. Haar hart begon wild te bonzen.
‘Waar is Vader Roche?’ riep ze, maar de meier gaf geen antwoord. Hij keek niet eens op. De koe bleef bij haar staan en loeide zacht.
‘Ga weg,’ zei ze, en ze holde naar de meier.
Hij was op het veld bij het hek van het kerkhof aan het graven. Twee andere kuilen gaapten haar aan, met een berg keiharde aarde ernaast op de sneeuw.
‘Wat bent u aan het doen?’ vroeg ze. ‘Voor wie zijn deze graven?’
Hij zwaaide zijn spade over de rand van de kuil. De bevroren klompen vielen als stenen op de berg aarde.
‘Voor wie zijn deze drie graven?’ vroeg ze. ‘Wie is er dood?’ De koe stootte met een hoorn tegen haar schouder. Ze deed een stap opzij. ‘Wie is er dood?’
De meier stak zijn spade in de keiharde grond. ‘Dit is het einde der tijden, jongen,’ zei hij, met zijn voet op de spade. Kivrin keek hem ontdaan aan, tot ze besefte dat hij haar door haar jongenskleding niet had herkend.
‘Ik ben het, Katherine.’
Hij keek op en knikte. ‘Het is het einde der tijden,’ zei hij. ‘Iedereen zal sterven.’ Hij boog zich naar voren en zette zijn volle gewicht op de spade.