Выбрать главу

De koe probeerde haar neus onder Kivrins arm te duwen.

‘Ga weg!’ zei ze, en ze gaf het dier een klap op haar neus. De koe liep weg langs de graven en Kivrin zag dat die niet allemaal even groot waren.

De middelste kuil was het graf voor een kind en die waarin de meier stond was nauwelijks groter. Ik zei tegen Rosemund dat hij niet haar graf aan het delven was, dacht ze, maar dat deed hij juist wel.

‘Dat kunt u niet doen!’ zei ze. ‘Uw zoon en Rosemund worden beter en vrouwe Eliwys is alleen moe en ziek van verdriet. Zij gaan niet dood.’

De meier keek haar even uitdrukkingsloos aan als toen hij Rosemund de maat voor haar graf had genomen. ‘Vader Roche zegt dat u bent gezonden om ons te helpen, maar wat kunt u uitrichten tegen het einde der tijden?’ Hij spitte weer in de grond. ‘U zult deze graven nodig hebben. We sterven allemaal, allemaal.’

De koe was om de kuil heen gelopen en loeide naar de meier, maar die scheen het niet te merken.

‘U moet ermee ophouden,’ zei Kivrin. ‘Ik verbied het.’

Hij ging door met graven, alsof hij ook haar niet zag staan.

‘Ze gaan niet dood,’ zei ze. ‘De Zwarte Dood heeft niet meer dan de helft van de middeleeuwers geveld. Daar zijn we al overheen.’

Hij ging door met graven.

Die nacht stierf Eliwys. De meier moest het graf van Rosemund langer maken en toen ze haar in de kuil legden, zag Kivrin dat hij een ander gat voor Rosemund aan het delven was.

We moeten hier weg, dacht Kivrin. De meier stond met zijn spade over zijn schouder toe te kijken. Zodra hij de kuil van Eliwys had gedicht ging hij verder met het graf van Rosemund. Ik moet ze in veiligheid brengen voordat ze allemaal ziek zijn geworden.

Want ze zouden allemaal de pest krijgen. De bacillen zaten in hun kleren, in de dekens, in de lucht die ze uitademden. En als ze het daar niet van kregen, zouden ze besmet worden door de boodschappers, de gezanten en de vluchtelingen die in het voorjaar door heel Oxfordshire zwierven. Ze konden hier niet blijven.

Kivrin ging terug naar de ridderzaal. Ik kan ze naar Schotland brengen, dacht ze, waar de pest niet is doorgedrongen. De zoon van de meier kan op de ezel rijden en voor Rosemund maken we een draagbaar.

Rosemund zat rechtop in bed. ‘De jongen vraagt naar je,’ zei ze zodra Kivrin binnenkwam.

Hij had overgegeven en er zat bloed in zijn speeksel. Zijn deken zat onder de troep en toen Kivrin zijn gezicht afveegde was hij te zwak om zijn hoofd op te tillen. Hij is te slap om op reis te gaan, dacht ze radeloos. We komen hier nooit vandaan.

Later die avond dacht ze aan de kar waarmee ze was doorgekomen. Misschien kon de meier haar helpen hem te herstellen. Ze stak een olielampje aan en ging naar de stal. De ezel balkte toen ze de deur opende en ze hoorde een krabbelend geluid toen ze het rokerige lampje boven haar hoofd hield.

De verbrijzelde kisten lagen rond de kar en ze zag meteen dat het onbegonnen werk was. De kar was te groot voor de ezel en bovendien was de houten as weg. Die was vermoedelijk door een ondernemende dorpeling meegenomen om een schutting te bouwen of als brandhout te gebruiken. Of om de pest mee te lijf te gaan, dacht Kivrin.

Het was helemaal donker toen ze weer naar buiten kwam en de sterren waren even helder als op kerstavond. Ze dacht aan Agnes die met haar belletje tegen haar schouder in slaap was gevallen, aan de kerkklokken die het laatste uur hadden geslagen.

Ze lag nog lang wakker en probeerde iets anders te bedenken. Misschien konden ze een draagbaar maken die ze achter de ezel konden spannen. Of misschien konden de twee kinderen op de ezel zitten en de bagage op hun eigen schouders nemen.

Eindelijk viel ze in slaap, maar het was net of ze meteen weer werd gewekt. Het was nog donker toen Vader Roche zich over haar heen boog. Het smeulende vuur bescheen zijn gezicht van onderen, zodat hij weer op de moordenaar van die eerste nacht leek. Nog half in slaap stak ze haar hand uit en legde die tegen zijn wang.

‘Vrouwe Katherine,’ zei hij. Ze werd helemaal wakker.

Ze keek geschrokken naar Rosemund, maar die lag rustig op haar zij te slapen, met een hand onder haar wang.

‘Wat is er?’ vroeg ze. ‘Bent u ziek?’

Hij schudde zijn hoofd. Hij wilde iets zeggen, maar er kwam geen geluid uit zijn mond.

Ze stond op. ‘Is er iemand gekomen?’

Opnieuw schudde hij zijn hoofd.

Er kan niemand ziek zijn, dacht ze, er is niemand meer over. Ze keek naar de dekens bij de deur, waar de meier sliep. ‘Is de meier ziek?’

‘Zijn zoon is dood,’ zei Roche met een vreemd matte stem. Ze zag dat ook Lefric er niet meer was. ‘Ik ging naar de kerk voor de metten en…’ Hij haperde. ‘U moet komen.’ Hij ging naar buiten.

Kivrin pakte haar gerafelde deken en haastte zich achter hem aan.

Het kon nauwelijks zes uur zijn. De zon stond nog maar net boven de horizon en gaf de wolken en de sneeuw een roze tint. Roche liep al over het paadje naar het open veld. Kivrin sloeg de deken over haar schouders en holde achter hem aan.

De koe stond met haar kop door de spijlen in het hek van het kot te grazen. Het dier keek op en loeide naar Kivrin.

‘Uit de weg!’ Ze klapte in haar handen, maar de koe trok haar kop in en kwam loeiend op haar af. ‘Ik heb geen tijd om je te melken,’ zei Kivrin. Ze duwde het beest opzij en liep verder.

Vader Roche was halverwege het open veld toen ze hem inhaalde. ‘Wat is er gebeurd? Waarom zegt u niets?’ vroeg ze, maar hij vertraagde zijn pas niet en keek haar ook niet aan. Hij liep naar de verse graven bij het hek en ze bedacht ineens opgelucht dat de meier zijn zoon zonder priester wilde begraven.

Het kleinste graf was dichtgegooid met besneeuwde aarde. Het graf van Rosemund lag nog open en daarnaast had de meier een derde kuil gegraven, groter. De spade was in de aarde gestoken, met de handgreep tegen de rand.

Roche ging niet naar het graf van Lefric. Hij bleef bij het grootste staan en herhaalde, nog steeds met die matte stem: ‘Ik ging naar de kerk voor de metten…’ Kivrin keek naar beneden.

De meier had blijkbaar geprobeerd zichzelf te begraven, maar omdat de kuil te smal was had hij de spade weggezet om de aarde met zijn handen over zich heen te gooien. Er lag nog een grote klomp in zijn verstijfde hand.

Zijn benen waren helemaal bedekt en het was een obsceen gezicht, bijna alsof hij een bad had willen nemen. ‘We moeten hem fatsoenlijk begraven,’ zei ze en pakte de spade.

Roche schudde zijn hoofd. ‘Dit is gewijde grond,’ zei hij dof, blijkbaar van mening dat de meier zichzelf van het leven had beroofd.

Het doet er niet toe, dacht ze. Wat er ook gebeurt, welke verschrikkingen zich ook voordoen, Roche gelooft nog steeds in God. Hij heeft de meier gevonden toen hij op weg was naar de kerk voor de metten en als ze allemaal dood zijn zal hij nog steeds zijn gebeden gaan zeggen en er niets ongerijmds in zien.

‘Het komt door de ziekte,’ zei Kivrin, hoewel ze daar lang niet zeker van was. ‘Zijn bloed is aangetast.’

Roche keek haar niet begrijpend aan.

‘Hij is ziek geworden terwijl hij aan het graven was,’ zei ze. ‘Het gif heeft zijn hersens aangestoken. Hij wist niet wat hij deed.’

‘Net als vrouwe Imeyne,’ zei Roche. Hij klonk bijna opgelucht.

Ondanks zijn geloof wil hij de meier niet in ongewijde grond begraven, dacht Kivrin.

Met moeite legden ze het al verstijfde lichaam van de meier recht in de kuil, zonder hem in een lijkwade te wikkelen. Roche legde een zwarte doek over zijn gezicht en om beurten namen ze de spade om het graf te dichten. De bevroren aardkluiten vielen als stenen in de kuil.

Roche ging niet naar de kerk om zijn gewaad of zijn misboek te halen. Hij sprak het gebed voor de doden uit voor Lefric en daarna voor de meier. Kivrin stond naast hem met gevouwen handen. Hij wist niet wat hij deed, dacht ze. Hij had zijn vrouw en zijn zes kinderen en bijna al zijn kennissen begraven en uiteindelijk was het toch de pest die hem te pakken had gekregen, zelfs als hij uit vrije wil in de kuil was gaan liggen om dood te vriezen.