Hij verdiende niet het graf van een zelfmoordenaar. Hij verdiende helemaal geen graf, dacht Kivrin. Hij had met ons mee kunnen gaan naar Schotland. Ze voelde zich beschaamd onder de opluchting die haar ineens overmande.
Nu kunnen we naar Schotland, dacht ze, naar het graf kijkend dat hij voor Rosemund had gedolven. Rosemund kan op de ezel zitten en Roche en ik dragen de dekens en het eten. Ze deed haar ogen open en keek naar de lucht. In het eerste licht leek de bewolking minder dicht. Als ze vroeg op pad gingen, konden ze tegen de middag uit het bos zijn en dan de hoofdweg naar York volgen.
‘Agnus dei, qui tollis peccata mundi,’ zei Roche, ‘dona eis requiem.’
We moeten haver voor de ezel meenemen, dacht ze, en de bijl om brandhout te hakken. En dekens.
Roche besloot zijn gebed. ‘Dominus vobiscum et cum spiritu tuo. Requiescat in pace. Amen.’ Hij ging weg om de klok te luiden.
Daar is geen tijd voor, dacht Kivrin, maar ze haastte zich terug naar de ridderzaal. Ze kon alvast gaan pakken terwijl Roche de doodsklok luidde en hem daarna vertellen wat ze van plan was. Dan hoefden ze alleen Rosemund nog maar op de ezel te zetten. Ze holde over de voorhof naar het huis. Ze kon Imeynes kistje gebruiken om kolen mee te nemen, zodat ze vuur konden maken.
Ze ging naar binnen. Rosemund lag gelukkig nog te slapen. Het had geen zin haar te wekken voordat ze klaar waren om te gaan. Ze liep op haar tenen langs het meisje en maakte het kistje leeg. Ze zette het bij het vuur neer en wilde naar de keuken gaan.
‘Je was er niet toen ik wakker werd,’ zei Rosemund. Ze was rechtop gaan zitten. ‘Ik was bang dat je was weggegaan.’
‘We gaan samen weg,’ zei Kivrin. ‘We gaan naar Schotland.’ Ze ging naar het meisje toe. ‘Rust nog maar even uit. Ik kom zo terug.’
‘Waar ga je heen?’
‘Alleen maar naar de keuken. Heb je trek? Dan neem ik wat pap voor je mee. Ga nu maar weer liggen.’
‘Ik wil niet alleen blijven,’ zei Rosemund. ‘Kun je niet nog even blijven?’
Daar is toch geen tijd voor, dacht Kivrin. ‘Ik ga alleen even naar de keuken. En Vader Roche is de klok aan het luiden, hoor je? Ik ben dadelijk weer terug. Goed?’ Ze glimlachte opgewekt en Rosemund knikte met tegenzin. ‘Tot zo.’
Ze holde naar buiten. Roche luidde de klok met trage, gelijkmatige slagen. Schiet op, dacht ze, we hebben niet veel tijd. Ze doorzocht de keuken en vond een ronde kaas en nog een heel stel manchetbroden. Ze stopte alles in een zak en nam die mee naar de put.
Rosemund stond in de deuropening en leunde tegen de post. ‘Kan ik niet bij je in de keuken zitten?’ vroeg ze. Ze had haar tunica en schoenen aangetrokken, maar ze stond toch al te rillen in de koude buitenlucht.
Kivrin ging haastig naar haar toe. ‘Daar is het te koud voor en je moet rusten.’
‘Ik ben zo bang dat je niet terugkomt.’
‘Ik ga niet weg,’ zei Kivrin. Ze ging naar binnen om Rosemunds mantel en een paar dekens te pakken. ‘Ga hier maar op de drempel zitten, dan kun je me zien.’ Ze sloeg de mantel over de schouders van het meisje, dat ging zitten, en maakte een nest van de dekens voor haar. ‘Zo goed?’
De broche van heer Bloet zat nog op de mantel. Rosemunds magere handen beefden licht terwijl ze de gesp probeerde te openen. ‘Gaan we naar Courcy?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei Kivrin. Ze maakte de mantel van het meisje dicht. Io suiicien lui dami amo. In plaats van mijn beminde. ‘We gaan naar Schotland, waar de ziekte niet heerst.’
‘Denk je dat mijn vader dood is?’
Kivrin aarzelde.
‘Mijn moeder zei dat hij alleen maar onderweg is opgehouden. Misschien zijn mijn broers ziek en komt hij pas als ze beter zijn.’
‘Misschien komt hij nog wel.’ Kivrin sloeg een deken over Rosemunds voeten. ‘We laten een brief voor hem achter, dan weet hij waar we naartoe zijn.’
Rosemund schudde haar hoofd. ‘Als hij nog leefde, zou hij me al zijn komen halen.’
Kivrin legde een deken over de dunne schouders van het meisje. ‘Ik moet nog wat eten halen,’ zei ze zacht.
Rosemund knikte en Kivrin ging terug naar de keuken. Tegen de muur lagen zakken met uien en appels. De appels waren gerimpeld en de meeste zaten onder de bruine vlekken, maar Kivrin sleepte de zak toch naar buiten. De appels hoefden niet gekookt te worden en ze hadden allemaal behoefte aan vitaminen.
‘Wil je een appel?’ vroeg ze aan Rosemund.
‘Ja,’ zei Rosemund. Kivrin deed de zak open en zocht er een die nog gaaf was. Ze vond een groenrode, wreef hem op aan haar leren broek en bracht hem naar Rosemund. Glimlachend dacht ze aan de smaak van een appel die ze had geproefd toen ze zelf als kind ziek was geweest, maar Rosemund volstond met een klein hapje. Ze leunde met haar schouder tegen de deurpost en keek zwijgend naar de lucht. Roche was nog steeds de klok aan het luiden.
Kivrin zocht appels uit die goed genoeg waren om mee op reis te nemen en vroeg zich af hoeveel de ezel kon dragen. Ze moesten ook eten meenemen voor het dier, want er lag overal sneeuw en misschien kon de ezel pas in Schotland weer grazen. Aan water zouden ze geen gebrek hebben, want er waren overal riviertjes. Ze moesten wel een pot meenemen om het in te koken.
‘Je familie is je niet komen zoeken,’ zei Rosemund.
Kivrin keek op. Het meisje zat nog in de deuropening met de appel in haar hand.
Ze zijn wel gekomen, maar ik was er niet, dacht Kivrin. ‘Nee.’
‘Denk je dat ze ook aan de pest zijn gestorven?’
‘Nee,’ zei Kivrin. Over hen hoef ik tenminste niet in te zitten, dacht ze. Zij liggen niet doodziek in een hoekje.
‘Als ik naar heer Bloet ga, zal ik zeggen wat je allemaal voor ons hebt gedaan,’ zei Rosemund. ‘Ik zal vragen of jij en Vader Roche bij me mogen blijven.’ Ze hief fier haar kin. ‘Ik mag mijn eigen kamermeisje en kapelaan hebben.’
‘Dank je,’ zei Kivrin plechtig.
Ze zette de zak met goede appels naast de andere levensmiddelen. De klok zweeg, maar de laatste slagen weergalmden nog in de koude lucht. Kivrin pakte de emmer en liet hem in de put zakken. Ze kon pap koken en daar de rest van de appels in doen, dan konden ze met een gevulde maag op weg.
Een appel rolde langs haar en botste tegen de muur van de put. Kivrin bukte om hem op te rapen. Er was een hapje uit, wit afstekend tegen de gerimpelde rode schil. Kivrin veegde hem af aan haar buis. ‘Je laat je appel vallen,’ zei ze en draaide zich om naar Rosemund.
Het meisje zat roerloos op de drempel, haar hand uitgestrekt alsof ze de appel nog wilde pakken.
‘O, Rosemund,’ zei Kivrin.
Vader Roche en ik gaan naar Schotland. Eigenlijk is het zinloos om dat te zeggen, want u zult nooit horen wat er op deze recorder staat. Maar misschien vindt iemand hem op een dag ergens op de heide of gaat Montoya naar Schotland als ze klaar is in Skendgate en in dat geval wil ik dat u weet hoe het ons is vergaan.
Ik weet wel dat vluchten waarschijnlijk een verkeerde keuze is, maar Vader Roche kan hier niet blijven. Het hele dorp is besmet, de bedden, de kleren, de lucht in huis, en overal zijn ratten. Ik zag er eentje in de kerk toen ik zijn miskleed ging halen voor de begrafenis van Rosemund. De hele streek is trouwens besmet en ik denk dat hij zelf ook niet wil blijven. Hij zal ergens anders heen willen om de mensen te helpen.
We zullen de wegen en dorpen vermijden. We hebben voor een week eten bij ons en tegen die tijd kunnen we ver genoeg in het noorden zijn om ergens voedsel te kopen. De klerk had een beurs met zilvergeld bij zich. En u hoeft zich geen zorgen te maken, wij redden ons wel. Zoals Gilchrist zou zeggen: Ik heb alle mogelijke voorzorgen genomen.