Выбрать главу

‘Dokter Warden zal alleen maar herhalen wat ik net heb gezegd,’ zei ze. Blijkbaar had ze het toch doorgegeven, want na de thee kwam de arts hem opzoeken.

De man was blijkbaar voor de duur van de epidemie opgeroepen, want hij moest allang met pensioen zijn en had ze niet allemaal meer op een rijtje. Hij stak een lang en zinloos verhaal af over de medische voorzieningen tijdens de Pandemie en besloot met schorre stem: ‘In mijn tijd bleven patiënten in het ziekenhuis tot ze volledig hersteld waren.’

Dunworthy maakte geen tegenwerpingen. Hij wachtte tot de arts met de zuster door de gang wegliep, herinneringen ophalend aan de Honderdjarige Oorlog, klemde het draagbare infuus aan zijn schouder en ging naar de telefoon om Finch te bellen.

‘De zuster wil geen telefoon in uw kamer hebben,’ zei Finch, ‘maar ik heb goed nieuws over de pest. Toediening van streptomycine in combinatie met gammaglobuline en afweerversterking geeft tijdelijke immuniteit en is na slechts twaalf uur werkzaam.’

‘Goed zo,’ zei Dunworthy. ‘Zoek nu een arts die me dat kan geven en die me naar huis wil laten gaan. Een jonge arts. En stuur Colin hierheen. Is het net klaar?’

‘Zo goed als, meneer. Ik heb de vereiste toestemming en er is een tweede computer ter beschikking. Ik wilde net de afstandsbediening halen.’

Dunworthy legde neer en ging terug naar zijn kamer. Hij had de zuster niet voorgelogen. Hij voelde zich met de minuut sterker worden, al kreeg hij weer een benauwd gevoel in zijn borst toen hij de deur opende. Mevrouw Gaddson zat bij het bed driftig in haar bijbel te bladeren, op zoek naar plagen, kwalen en krankheden.

‘Lukas 11, vers 9,’ zei Dunworthy.

Ze zocht het op. ‘En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden…’ Ze keek hem achterdochtig aan. ‘… zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.’

Tegen het eind van het bezoekuur kwam mevrouw Taylor langs met een meetlint. ‘Colin zei dat ik u de maat moest nemen,’ zei ze. ‘Die oude heks daar wil hem niet op de gang hebben.’ Ze trok het lint rond zijn middel. ‘Ik heb gezegd dat ik bij Piantini op bezoek wilde. Strek uw arm eens uit.’ Ze legde het lint over zijn arm. ‘Ze voelt zich een stuk beter. Misschien kan ze toch nog met ons meedoen als we Rimbauds Heiland opvoeren. Het is voor de Heilige Hervormden, maar omdat hun kerk is gevorderd was meneer Finch zo vriendelijk ons de kapel van Balliol te laten gebruiken. Welke schoenmaat heeft u?’

Ze noteerde zijn maten en vertelde dat Colin de volgende dag zou komen en dat het net bijna klaar was. Ze ging naar buiten, schijnbaar om Piantini te bezoeken, maar een paar minuten later kwam ze terug met een briefje van Badri.

‘Meneer Dunworthy, Colin heeft me een afstandsbediening gebracht en ik heb vierentwintig controles uitgevoerd. Allemaal wijzen ze op een minimaal tijdsverschil, van minder dan een uur tot nog geen vijf minuten. Ik probeer nu te achterhalen hoe dat mogelijk is.’

Ik weet hoe dat mogelijk is, dacht Dunworthy. Het komt door de Zwarte Dood. Het tijdsverschil was noodzakelijk om te voorkomen dat de geschiedenis werd veranderd. Vijf minuten verschil betekende dat er geen anachronisme kon optreden, geen kritieke ontmoeting die het continuüm in gevaar kon brengen. Het betekende dat hij in onbewoond gebied terecht zou komen. Het betekende dat de pest er had huisgehouden en dat alle middeleeuwers dood waren.

Colin liet zich de volgende morgen niet zien en na het middageten liep Dunworthy weer naar de telefoon om Finch te bellen. ‘Ik heb geen arts kunnen vinden die nieuwe patiënten aanneemt,’ zei Finch verontschuldigend. ‘Ik heb de hele streek afgebeld, maar veel dokters zijn zelf nog ziek en een paar…’

Hij zweeg, maar Dunworthy begreep wat hij had willen zeggen. Een paar waren gestorven, net als de enige die hem zeker zou hebben geholpen met de inentingen en het ontslag uit het ziekenhuis.

Colin had gezegd dat zijn tante Kivrin nooit zou hebben laten stikken. Dat was waar, dacht hij, ondanks de zuster, mevrouw Gaddson en een benauwd gevoel in de borst. Mary zou alles hebben gedaan om hem te helpen.

Hij ging terug naar zijn kamer. De zuster had een groot vel papier op zijn deur geplakt, met het opschrift: TOEGANG TEN STRENGSTE VERBODEN, maar ze zat niet aan de balie en was ook niet in zijn kamer. Colin was er wel, met een groot vochtig pakket in zijn handen.

‘De ouwe zuster is op de zaal,’ zei Colin grinnikend. ‘Mevrouw Piantini kan heel goed flauwvallen, u had haar eens moeten zien.’ Hij trok het touwtje los. ‘Williams vriendin is ook in de buurt, maar daar hoeft u niet bang voor te zijn. William heeft haar meegenomen naar de linnenkamer.’ Hij maakte het pak open. Er zaten kleren in: een lang overhemd en een broek, allebei zwart en niet erg middeleeuws, en een zwarte maillot.

‘Waar heb je dat vandaan?’ vroeg Dunworthy. ‘Zijn ze soms met Hamlet bezig?’

‘Met Richard de Derde,’ zei Colin. ‘Keble speelde hem het laatst. Ik heb de bult eruit gehaald.’

‘Is er geen mantel bij?’ vroeg Dunworthy, in het pak zoekend. ‘Zeg tegen Finch dat ik een mantel moet hebben. Een lange mantel die de rest bedekt.’

‘Goed,’ zei Colin afwezig. Hij drukte op de knop van zijn groene jack en trok het uit. ‘Nou, hoe zie ik eruit?’

Hij had betere spullen gevonden dan Finch. De laarzen leken weliswaar eerder geschikt voor een tuinier, maar met zijn kiel van bruin jute en vormeloze grijsbruine broek zag hij eruit als een echte middeleeuwse boerenjongen.

‘Er zit kleefband in de broek,’ zei Colin, ‘maar dat zie je niet als ik mijn hemd eroverheen draag. Ik heb het afgekeken uit het boek. Ik ben uw schildknaap.’

Hij had het kunnen voorzien. ‘Colin,’ zei hij, ‘je kunt niet met me mee.’

‘Waarom niet? Ik kan u helpen haar te vinden, daar ben ik heel goed in.’

‘Uitgesloten. Het is…’

‘O, nu gaat u zeker vertellen hoe gevaarlijk het in de middeleeuwen is? Wat zegt u dan van deze epidemie? Tante Mary had misschien nog geleefd als ze in de middeleeuwen was geweest. En ik heb al een heleboel gevaarlijke dingen gedaan. Ik heb medicijnen uitgedeeld en bordjes opgehangen in het ziekenhuis. En toen u ziek was heb ik dingen moeten doen die nog veel erger waren.’

‘Colin…’

‘U bent te oud om alleen te gaan. En tante Mary zei dat ik op u moest passen. Als u nou eens een terugval krijgt?’

‘Colin…’

‘Van mijn moeder mag ik best mee.’

‘Maar van mij niet. Ik kan je niet meenemen.’

‘Dus ik moet hier duimen zitten draaien zonder dat iemand me iets vertelt?’ vroeg de jongen bitter. ‘Zonder dat ik weet of u nog wel leeft?’ Hij pakte zijn jack. ‘Het is niet eerlijk.’

‘Dat weet ik wel.’

‘Mag ik dan wel mee naar het laboratorium?’

‘Ja.’

‘Toch vind ik dat u me mee moet nemen.’ Hij begon de maillot op te rollen. ‘Zal ik uw kleren hier laten?’

‘Doe maar niet. Straks neemt de zuster ze nog in beslag.’

‘Waar is dat voor, meneer Dunworthy?’ vroeg Gaddson.

Ze verstijfden allebei van de schrik. De vrouw kwam met haar bijbel de kamer in.

‘Colin zamelt kleding in,’ zei Dunworthy, die samen met Colin het pak weer dichtvouwde. ‘Voor de gestrande reizigers.’

‘Gebruikte kleding is een zeer gevaarlijke bron van besmetting,’ zei ze tegen Dunworthy.

Colin nam het pak onder zijn arm en verdween uit de kamer.

‘En hoe durft u zo’n jong kind hier toe te laten! Gisteren bood hij aan me van het hospitaal naar huis te brengen, maar ik heb gezegd dat hij voor mij zijn gezondheid niet op het spel hoefde te zetten!’

Ze ging bij het bed zitten en sloeg haar bijbel open. ‘Het is gewoon onachtzaamheid dat u die jongen op bezoek laat komen. Maar ik kan niet anders verwachten als ik zie hoe uw college wordt bestuurd. Meneer Finch is in uw afwezigheid bepaald een tiran geworden. Zoals hij gisteren tegen me tekeerging toen ik om een extra rol wc-papier verzocht…’