Выбрать главу

‘Ik moet William spreken,’ zei Dunworthy.

‘Hier?’ riep ze uit. ‘In het ziekenhuis?’ Ze sloeg de bijbel met een klap dicht. ‘Dat sta ik in geen geval toe. Er zijn nog heel wat besmettelijke patiënten en mijn arme Willy…’

Zit met mijn verpleegster in de linnenkamer, dacht hij. ‘Zegt u hem dat ik hem zo snel mogelijk wil zien,’ zei hij.

Ze zwaaide met de bijbel als Mozes met de Stenen Tafelen. ‘Ik zal de rector informeren over uw verregaande nalatigheid als het op de gezondheid van uw studenten aankomt,’ zei ze en stormde naar buiten.

Hij hoorde haar op de gang luidkeels haar beklag doen, vermoedelijk bij de blonde zuster, want William kwam bijna onmiddellijk de kamer in en streek zijn verwarde haar glad.

‘Ik moet ingeënt worden tegen de pest,’ zei Dunworthy. ‘En ik moet uit het ziekenhuis ontslagen worden, net als Badri Chaudhuri.’

William knikte. ‘Ik weet het. Colin zei dat u Kivrin wilt terughalen.’ Hij dacht een ogenblik na. ‘Ik ken een verpleegster…’

‘Die kan me zonder toestemming van een arts geen injectie geven of naar huis laten gaan.’

‘Een kennis van me zit op de administratie. Wanneer moet het gebeurd zijn?’

‘Zo snel mogelijk.’

‘Ik zal er meteen achteraan gaan. Het kan wel twee of drie dagen duren.’ Hij ging op weg naar de deur. ‘Ik heb Kivrin een keer ontmoet, toen ze naar Balliol kwam om u te spreken. Ze is erg knap, geloof ik.’

Ik moet niet vergeten haar voor hem te waarschuwen, dacht Dunworthy. Hij besefte dat hij zelf begon te geloven dat het hem ondanks alles nog zou lukken ook. Hou vol, Kivrin, dacht hij, ik kom eraan. Nog twee of drie dagen.

Die middag liep hij geruime tijd over de gang om nieuwe krachten op te doen. Op alle deuren van Badri’s afdeling hingen bordjes TOEGANG TEN STRENGSTE VERBODEN. De oude zuster volgde hem met haar waterige blauwe ogen zodra hij maar in de buurt kwam.

Colin kwam hem, nat en buiten adem, een paar laarzen brengen. ‘Ze heeft overal een uitkijk neergezet,’ zei hij. ‘Ik moest van Finch zeggen dat het net klaar is, maar hij heeft nog geen verpleegkundige kunnen vinden.’

‘Laat William die maar zoeken,’ zei Dunworthy. ‘Hij regelt ook het ontslag en de inentingen.’

‘Weet ik. Ik moet een briefje van hem doorgeven aan Badri. Daarna kom ik terug.’

Hij kwam niet terug, net zomin als William. Dunworthy ging op weg naar de telefoon om Balliol te bellen, maar de zuster betrapte hem halverwege en bracht hem terug naar zijn kamer. Mevrouw Gaddson mocht blijkbaar ook niet meer op bezoek komen, of anders was ze nog boos op hem over William, want zij liet zich de hele middag niet meer zien.

Net na de thee kwam er een aantrekkelijke verpleegster, die hij nog niet eerder had gezien, binnen met een injectiespuit in haar hand. ‘De hoofdzuster is weggeroepen voor een noodgeval,’ zei ze.

‘Wat is dat?’ vroeg hij, naar de spuit wijzend.

Met een vinger van haar vrije hand tikte ze iets in. Ze keek naar een van de monitoren en deed nog een paar aanslagen voordat ze naar hem toe kwam. ‘Streptomycine,’ zei ze.

Ze maakte geen zenuwachtige of steelse indruk, wat betekende dat William kennelijk toestemming had gekregen. Ze stak de tamelijk grote naald in de canule, glimlachte naar hem en ging naar buiten. Hij stapte uit bed en ging naar de computer om op het scherm te kijken.

Het was de kaart met zijn medische gegevens, even onbegrijpelijk als de kaart die hij van Badri had gezien. Op de laatste regel stond: ‘ICU15802691 14-1-55 1805 150/RPT 1800 CRS IMSTMC 4ML/q6h NHS40-211-7 M AHRENS.’

Hij liet zich op het bed zakken. Ach, Mary.

William had haar toegangscode achterhaald, misschien via zijn kennis op de administratie, en die ingevoerd. Door alle drukte rond de epidemie waren de gegevens natuurlijk nog niet bijgewerkt en Mary’s dood was nog niet geregistreerd. Op een dag zouden ze de vergissing moeten merken, maar William was inventief genoeg om ervoor te zorgen dat haar naam tegen die tijd was gewist.

Hij bekeek zijn eerdere gegevens. Hij kwam Mary’s naam tegen tot aan de achtste januari, toen ze was overleden. Ze had hem behandeld tot ze niet meer op haar benen kon staan. Geen wonder dat haar hart het had begeven.

Hij zette de oorspronkelijke kaart weer op het scherm en ging in bed liggen. Hij vroeg zich af of William van plan was Mary’s naam ook te gebruiken om hem en Badri naar huis te sturen. Hij hoopte van wel. Mary zou hen graag hebben geholpen.

Er kwam de hele avond geen bezoek. De hoofdzuster kwam om acht uur met zijn koortspil en voelde zijn pols. Ze werkte de kaart bij, maar scheen niets bijzonders op te merken. Om tien uur kwam er weer een andere verpleegster, even knap als de eerste, om hem streptomycine en gammaglobuline toe te dienen.

Dunworthy ging liggen met zijn gezicht naar het scherm, zodat hij Mary’s naam kon zien. Hij had geen slaap, maar toch dommelde hij in. Hij droomde over Egypte en over het Dal der Koningen.

‘Meneer Dunworthy, wakker worden,’ fluisterde Colin. Hij deed zijn ogen open en knipperde tegen het licht van een zaklamp.

‘Wat is er?’ Hij tastte naar zijn bril. ‘Is er iets gebeurd?’

‘Ik ben het, Colin.’ Hij liet het licht op zijn eigen gezicht schijnen. Om de een of andere reden was hij in een grote witte laboratoriumjas gehuld en zijn gespannen gezicht was angstaanjagend in het felle licht van de lamp.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Dunworthy weer.

‘Niets,’ fluisterde Colin. ‘U mag het ziekenhuis uit.’

Dunworthy zette zijn bril op, maar hij zag nog steeds niets. ‘Hoe laat is het?’

‘Vier uur.’ Colin gaf hem zijn pantoffels en richtte de lamp op de kast. ‘U moet wel opschieten.’ Hij pakte de badjas van de haak en gaf hem aan Dunworthy. ‘Ze kan elk moment terugkomen.’

Dunworthy trok onhandig de badjas en de pantoffels aan en probeerde wakker te worden. Hij vroeg zich af waarom hij op dit vreemde tijdstip werd ontslagen en waar de hoofdzuster was.

Colin ging naar de deur en keek om het hoekje. Hij knipte de lamp uit, stak hem in de zak van zijn veel te grote jas en deed zachtjes de deur dicht. Dunworthy hield zijn adem in. Een ogenblik later deed Colin de deur weer op een kier open. ‘De kust is veilig.’ Hij wenkte Dunworthy. ‘William heeft haar meegenomen naar de linnenkamer.’

‘Heeft de verpleegster nog dienst dan?’ vroeg Dunworthy wazig.

‘Die niet, de hoofdzuster. William houdt haar bezig tot we weg zijn.’

‘En mevrouw Gaddson?’

Colin keek hem schaapachtig aan. ‘Die is meneer Latimer aan het voorlezen,’ zei hij verontschuldigend. ‘Ik moest toch iets verzinnen en meneer Latimer kan haar niet horen.’ Hij deed de deur helemaal open. Op de gang stond een rolstoel.

‘Ik kan lopen,’ zei Dunworthy.

‘Dat duurt te lang,’ fluisterde Colin. ‘En als iemand ons ziet, kan ik zeggen dat u naar de badkamer moest.’

Dunworthy ging zitten en liet zich voorbij de linnenkamer door de gang duwen. Bij de deur van Latimers kamer hoorde hij Gaddson uit Exodus voorlezen.

Colin liep op zijn tenen tot het eind van de gang, waarna hij er zo verschrikkelijk de vaart in zette dat zijn patiënt blijkbaar hoognodig naar de badkamer moest. Via een tweede gang kwamen ze bij de zijdeur die ze al eerder hadden gebruikt.

Het was pikdonker in het straatje en het regende hard. Dunworthy kon vaag een ambulance zien staan. Colin reed hem er naartoe en klopte met zijn vuist op de achterdeur. Een verpleegster sprong naar buiten, dezelfde die Badri naar het ziekenhuis had gebracht en die voor de poort van Brasenose had gedemonstreerd. ‘Kunt u zelf instappen?’ vroeg ze blozend.

Dunworthy knikte en ging staan.